Выбрать главу

Hij wilde zich net omdraaien toen de randen van de poort ineens begonnen te vervormen en te trillen. Als vastgenageld zag hij hoe de opening eenvoudigweg smolt. Hij was nooit een man geweest van krachttermen, maar nu kwamen er verschillende in hem op. Wat had die vrouw gedaan? Die barbaarse wilden kwamen met te veel verrassingen. Een Heling voor afgesnedenen, hoe onvolmaakt ook. Onmogelijk! Maar ze hadden het gedaan. Onvrijwillige ringen. Die zwaardhanden en de binding die zij met hun Aes Sedai hadden. Daar had hij lange, lange tijd van geweten, maar telkens als hij meende hen doorgrond te hebben, onthulden die wilden een nieuw kunstje, deden iets waarvan niemand in zijn eigen Eeuw ooit had gedroomd. Iets wat het hoogtepunt van de beschaving niet gekend had! Wat had dat kind gedaan? ‘Grote Meester?’

Moridin draaide zijn hoofd een stukje van het raam weg. ‘Ja, Madic?’ Wat had dat meisje, haar ziel zij verdoemd, gedaan? De kalende man in groen en wit die het kamertje was binnengeglipt, boog diep voor hij op zijn knieën viel. Madic was een hoge dienaar in het paleis en zijn lange gezicht bezat een opgeblazen waardigheid, die hij zelfs nu nog probeerde vast te houden. Moridin had belangrijker lieden veel meer zien kruipen. ‘Grote Meester, ik heb ontdekt wat de Aes Sedai vanochtend naar het paleis hebben gebracht. Er werd gezegd dat zij een grote schat gevonden hebben. Een in vroeger dagen verborgen schat van goud, edelstenen en hartsteen, voorwerpen uit Shiota en Eharon, zelfs uit de Eeuw der Legenden. Men zegt dat er dingen van de Ene Kracht bij zijn. Dat een ervan het weer kan beheersen. Niemand weet waar ze heen zijn, Grote Meester. Het paleis gonst van de geruchten, maar tien tongen noemen tien verschillende bestemmingen.’

Al bij de eerste woorden van Madic richtte Moridin zijn aandacht weer op de binnenplaats. Belachelijke verhalen over goud en cuendillar waren niet belangrijk. Niets kon een poort zich zo laten gedragen. Tenzij... Had zij het web kunnen ontrafelen? De dood joeg hem geen angst aan. Koel overwoog hij de mogelijkheid dat hij op oogafstand van een ontrafelend web was geweest. Een web dat met goed gevolg uitgehaald was. Weer zo’n onmogelijkheid die achteloos werd uitgevoerd door...

Iets van wat Madic had gezegd, drong tot hem door. ‘Het weer, Madic?’ De schaduwen van de torenspitsen hadden zich nauwelijks gelengd, maar geen enkele wolk beschutte de blakerende stad. ‘Ja, Grote Meester. Het wordt de Schaal der Winden genoemd.’ De naam zei hem niets. Maar... een ter’angreaal om het weer te beheersen? In zijn eigen Eeuw werd het weer zorgvuldig bepaald door ter’angrealen. Een van de verrassingen van deze Eeuw – blijkbaar een van de kleinere verrassingen – was dat er lieden waren die het weer zo verregaand konden beheersen dat er eigenlijk een ter’angreaal voor nodig zou moeten zijn. En zo’n voorwerp was onvoldoende om zelfs maar een groot deel van een continent te beïnvloeden. Wat konden die vrouwen ermee? Wat? Als zij een ring gebruikten? Onbewust greep hij de Ware Kracht en de saa wolkte zijn gezichtsveld in. Zijn vingers omklemden het ijzeren siersmeedwerk van het raam. Het metaal kreunde en verwrong, niet door zijn greep maar doordat strengen van de Ware Kracht, die hij uit de Grote Heer zelf putte, om het rooster speelden. Het metaal boog mee met zijn wringende handen. Dit alles zou de Grote Heer niet behagen. Hij had vanuit zijn kerker grote moeite gedaan om de wereld zodanig te beroeren dat de jaargetijden verankerd bleven. Vol ongeduld wilde hij de wereld nog meer beroeren, de leegte om zich heen verbrijzelen. Dit zou hem niet behagen. Moridin werd van woede vervuld en het bloed raasde in zijn oren. Een tel geleden had hij er zich niet om bekommerd waar die vrouwen heen gingen, maar nu... Ergens ver van hier. Vluchtende mensen trokken zo snel ze konden zo ver mogelijk weg. Naar een plaats waar ze zich veilig voelden. Het had geen zin om Madic erop uit te sturen om vragen te stellen, geen zin om het hier uit iemand te wringen; ze zouden niet zo stom zijn iemand die hun bestemming kende, in leven te laten. Niet naar Tar Valon. Naar Altor? Naar die bende opstandige Aes Sedai? Op elk van die drie plaatsen had hij ogen-en-oren, waarvan sommigen niet eens wisten dat zij hem dienden. Allen zouden hem dienen, voor het einde. Hij stond niet toe dat toevallige fouten zijn plannen nu nog zouden dwarsbomen.

Opeens hoorde hij iets anders dan de donder van zijn eigen woede. Een soppend geluid. Hij keek nieuwsgierig naar Madic en stapte opzij voor de groeiende vochtplek op de vloer. Blijkbaar had hij in zijn woede met de Ware Kracht in meer dan alleen het siersmeedwerk geknepen. Opmerkelijk hoeveel bloed er uit een menselijk lichaam kon worden geperst.

Hij liet de resten van de man zonder spijt vallen. Sterker nog, hij dacht slechts dat de Aes Sedai beslist de schuld zouden krijgen als Madic gevonden werd. Een kleine toevoeging aan de groeiende chaos in de wereld. Hij scheurde een gat in het weefsel van het Patroon en gebruikte de Ware Kracht om te Reizen. Hij moest deze vrouwen vinden voor zij die Schaal der Winden gebruikten. En als dat niet lukte... Hij haatte mensen die zijn zorgvuldig beraamde plannen verstoorden. Wie dat deed, en leefde, leefde om te betalen.

De gholam stapte behoedzaam de kamer in. Zijn neusvleugels trilden reeds van de geur van nog warm bloed. De scherpe brandwond op zijn wang leek een gloeiende kool. Op het oog was hij slechts een slanke man, iets groter dan de gemiddelde man van deze tijd, maar hij was nog nooit iemand tegengekomen die hem kwaad kon doen. Tot de man met het vossenzegel. Zijn tanden werden blootgelegd door iets wat een glimlach of een snauw kon zijn. Nieuwsgierig keek hij de kamer rond, maar afgezien van het verminkte lijk was er niets te zien. Toch was er een gevoel van... iets. Niet de Ene Kracht, maar iets wat hem... jeuk bezorgde, zij het niet helemaal dezelfde soort. Nieuwsgierigheid had hem naar deze plek gebracht. Stukken van het ijzerwerk voor het raam waren verwrongen, zodat het aan de zijkanten loszat. De gholam meende zich iets te herinneren wat hem op die manier jeuk gaf, maar zoveel van zijn herinnering was mistig en vaag. De wereld leek in een oogwenk te zijn veranderd. Er was een wereld geweest van oorlog en slachtpartijen op een enorme schaal, met wapens die verder dan een span reikten, meer dan duizend span, en toen was er... dit. De gholam zelf was echter niet veranderd. Het was nog steeds het allergevaarlijkste wapen.

Zijn neusvleugels bewogen opnieuw, hoewel hij degenen die konden geleiden niet met zijn reuk opspoorde. Volgen of niet volgen? De man die hem verwond had was er niet bij. Daarvan had hij zeker willen zijn voor hij zijn hoge uitkijkpost verliet. De man die hem bevelen gaf, wilde de man die hem verwond had, misschien wel even graag dood hebben als de vrouwen, maar die vrouwen waren een makkelijker doelwit. Zij waren ook genoemd, en momenteel was hij gebonden. Hij was heel zijn bestaan gedwongen geweest om mensen te gehoorzamen, maar ooit zou hij ongebonden zijn. Hij moest de vrouwen volgen. Hij wilde dat ook. Het ogenblik van de dood, wanneer hij het vermogen tot geleiden tegelijk met het leven voelde verdwijnen, bracht vervoering. Verrukking. Maar hij was ook hongerig, en er was tijd. Waar zij konden vluchten, kon hij volgen. Hij zette zich met een vloeiende beweging naast het verwrongen lichaam en begon zich te voeden. Vers bloed, warm bloed, was een noodzaak, maar menselijk bloed smaakte altijd het zoetst.

3

Een aangename rit

Het land rond Ebo Dar was grotendeels bezaaid met boerderijen en olijfgaarden, maar er waren ook veel kleine bossen van enkele spannen breed. Hoewel het hier veel vlakker was dan in de zuidelijke Rhannonheuvels, waren sommige hoogten wel honderd voet, wat voldoende was voor diepe schaduwen in de middagzon. Alles bijeen gaf het land meer dan genoeg dekking om ongewenste ogen te ontlopen, zeker voor de aanwezige zwaardhanden die verlaten paden tussen het struikgewas aanwezen. Met zo’n vijftig ruiters en bijna evenveel voetvolk kon hun gezelschap doorgaan voor een handelskaravaan. Behalve wat grazende geiten op enkele hellingen, zag Elayne geen enkel teken van menselijke bewoning. Zelfs aan hitte gewende planten en bomen begonnen te verschrompelen en af te sterven, maar een andere keer zou ze van het landschap hebben genoten. Het had wel duizend roede af kunnen liggen van het landschap waardoor ze aan de andere oever van de Eldar gereden had. De heuvels hadden vreemde, knobbelige vormen, alsof ze waren samengeknepen door enorme onvoorzichtige handen. Als ze langskwamen stegen hele zwermen schitterend gekleurde vogels op, en ruim tien soorten honingvogels flitsten bij de paarden weg als zoemende edelstenen met vaag trillende vleugels. Op sommige plaatsen hingen dikke ranken en er stonden bomen met aan de top bundels smalle bladeren, en dingen die leken op groene manshoge ragebollen. Een handvol planten die door de hitte in de war waren, worstelden om bloesems te leveren in vuurrode en felgele kleuren, sommige wel twee keer zo breed als haar beide handen. Ze roken zwaar, bijna zwoel, vond ze. Ze zag een paar rotsblokken waarvan ze had durven wedden dat die ooit tenen van een standbeeld waren geweest, hoewel ze zich niet kon voorstellen dat iemand zo’n groot standbeeld met blote voeten zou maken. Later voerde de weg door een woud van omvangrijke gegroefde stenen tussen bomen, verweerde stompen van zuilen, waarvan vele waren omgevallen. Bijna allemaal waren vrijwel tot aan de grond toe weggehakt en als bouwmateriaal gebruikt door boeren uit de streek. Het was een plezierige tocht, ondanks het stof dat de paardenhoeven van de uitgedroogde grond opwierpen. De hitte deed haar uiteraard niets, en er waren niet veel vliegen. Alle gevaar lag achter hen; ze waren ontsnapt aan de Verzakers, en er was geen kans dat ze door een van hen of hun dienaren werden ingehaald. Het had een plezierige tocht kunnen zijn, behalve...