Ze zei niets tegen Aviendha, maar na een tijdje sprak de ander: ‘Als ik mijn eer kan dienen en tegelijk jou kan helpen, geef ik er niet om of het een Aes Sedai-doel dient.’ Het leek nooit echt tot haar door te dringen dat Elayne eveneens Aes Sedai was, niet echt. Elayne aarzelde en knikte toen. Er moest iets gedaan worden om het Zeevolk in te tomen. Merilille en de anderen waren tot op heden opmerkelijk verdraagzaam geweest, maar hoe lang zou dat duren? Nynaeve zou weleens kunnen ontploffen, zodra ze haar aandacht op de windvindsters richtte. Alles diende zo lang mogelijk rustig te worden gehouden, maar als de Atha’an Miere bleven geloven dat ze iedere Aes Sedai met hun blik konden bedwingen, zouden er moeilijkheden komen. Het leven was ingewikkelder dan ze vroeger in Caemlin had gedacht, al had ze als erfdochter nog zoveel lessen gehad. Zoveel ingewikkelder sinds ze tot de Toren was toegetreden.
‘Maar wees niet te... nadrukkelijk,’ zei ze zacht. ‘En kijk alsjeblieft uit. Per slot van rekening zijn zij met twintig en ben jij maar alleen. Ik zie niet graag dat jou iets overkomt voor ik je te hulp kan schieten.’ Aviendha schonk haar een tamelijk wolfachtige grijns en stuurde haar merrie naar de rand van de stenen om de Atha’an Miere op te wachten.
Elayne keek regelmatig om, maar tussen de bomen door zag ze Aviendha slechts kalmpjes met Kurin praten, terwijl ze de Zeevolkvrouw niet eens aankeek. In elk geval niet woest, hoewel Kurin haar behoorlijk verbijsterd aanstaarde. Toen Aviendha haar paard met wilde slagen van de teugels aanspoorde om zich weer bij Elayne te voegen – ze zou nooit een ruiter worden – reed Kurin naar voren om met Renaile te spreken. Even later stuurde een boze Renaile Rainyn naar de kop van de stoet.
De laagst geplaatste van de windvindsters zat nog ongemakkelijker op haar paard dan Aviendha. Ze negeerde de Aielvrouw evenzeer als de kleine groene vliegen die om haar donkere gezicht heen zoemden. ‘Renaile din Calon Blauwster,’ zei ze stijfjes, ‘verzoekt u de Aielvrouw te vermanen.’ Aviendha grijnsde haar breeduit toe en Rainyn moest haar toch een klein beetje in het oog hebben gehouden, want onder het glimmende zweet werden haar wangen rood. ‘Zeg Renaile dat Aviendha geen Aes Sedai is,’ antwoordde Elayne. ik zal haar vragen om voorzichtigheid te betrachten’ – dat was geen leugen; ze had het gedaan en zou het weer doen – ‘maar ik kan haar niet opdragen iets te doen.’ In een opwelling voegde ze eraan toe: ‘Je weet hoe Aiel zijn.’ Het Zeevolk had een paar zeer vreemde ideeën over de Aiel. Rainyn staarde met grote ogen de nog steeds grijnzende Aviendha aan en haar gezicht werd grauw. Ze wendde haar paard en galoppeerde hotsend in het zadel terug naar Renaile. Aviendha grinnikte tevreden, maar Elayne vroeg zich af of het hele idee geen vergissing was geweest. Zelfs met ruim dertig pas tussenruimte zag ze hoe Renaile door Rainyns verslag rood aanliep, en de andere vrouwen mompelden als zoemende bijen. Ze zagen er niet angstig uit, ze zagen er boos uit, en hun blikken op de Aes Sedai voor hen werden onheilspellend. Geen blikken naar Aviendha, maar naar de zusters. Toen Adeleas dat zag knikte ze nadenkend, en Merilille slaagde er maar net in om een glimlach te verbergen. Die waren tenminste tevreden.
Als dat het enige voorval tijdens de rit zou zijn geweest, zou het slechts iets van het plezier om de bloemen en de vogels hebben vergald, maar het was niet eens het eerste. Nadat ze de open plek hadden verlaten, waren de leden van de Weefkring binnen de kortste keren begonnen met op Elayne in te praten. Een voor een, behalve Kirstian, en die zou ook gekomen zijn als haar niet bevolen was om Ispan afgeschermd te houden. Ze traden aarzelend en met een bedeesde glimlach naar voren, tot Elayne ze had willen toesnauwen zich als volwassen vrouwen te gedragen. Zij stelden beslist geen eisen, en waren te slim om te blijven zeuren over iets wat reeds geweigerd was, maar ze vonden andere wegen.
‘Ik bedacht opeens,’ zei Reanne opgewekt, ‘dat u Ispan Sedai dringend zult willen ondervragen. Niemand weet immers wat ze in de stad van plan was, behalve het zoeken naar de opslagruimte?’ Ze deed of het zomaar een praatje was, maar van tijd tot tijd wierp ze Elayne een snelle blik toe alsof ze wilde zien hoe het werd opgenomen. ‘Met deze snelheid weet ik zeker dat het ruim een uur kost om de boerderij te bereiken, misschien wel twee, en u zou die niet willen verspillen. Die kruiden van Nynaeve Sedai maken haar behoorlijk spraakzaam, en ik weet zeker dat ze tegen zusters haar mond wel zal opendoen.’
De opgewekte glimlach verdween, toen Elayne zei dat het ondervragen van Ispan kon en zou wachten. Licht, dachten ze echt dat iemand vragen kon stellen terwijl ze door de bossen reden, op paden die nauwelijks die naam verdienden? Reanne reed voor zich uit mompelend terug naar de Kinsvrouwen.
‘Vergeef me, Elayne Sedai,’ mompelde Chilares een tijdje later met een hoorbaar Morlandse tongval. Haar groene strohoed paste precies bij een paar van haar onderrokken. ‘Vergeving, als ik u stoor.’ Ze droeg niet de rode riem van een Wijze; dat gold voor de meeste leden van de Weefkring. Famelle was een goudsmid en Eldase leverde lakwerk aan kooplieden voor uitvoer. Chilares was een tapijtenverkoopster, terwijl Reanne zelf zorgde voor verschepingen voor kleinere handelaren. Sommigen deden iets eenvoudigs – Kirstian dreef een klein weefwinkeltje en Dimana was naaister, zij het een zeer welvarende – maar uiteraard hadden ze in de loop van hun leven vele handvaardigheden beoefend. En vele namen gebruikt, ispan Sedai schijnt onwel te zijn.’ Chilares verschoof ongemakkelijk in het zadel. ‘Misschien hebben de kruiden meer invloed op haar dan Nynaeve Sedai dacht. Het zou verschrikkelijk zijn als haar iets zou overkomen. Voordat ze ondervraagd kan worden, bedoel ik. Zouden de zusters niet even naar haar moeten kijken? Heling, weet u...’ Haar stem stierf weg en ze knipperde zenuwachtig met haar ogen. Daar was alle reden toe, met Sumeko in haar gezelschap.
Een blik naar achteren toonde Sumeko die rechtop in de stijgbeugels stond om langs de windvindsters te kijken, tor ze Elayne zag kijken en haastig weer ging zitten. Sumeko wist meer van Heling dan welke zuster ook, behalve Nynaeve. Misschien ook wel meer dan Nynaeve. Elayne wees eenvoudig naar achteren tot Chilares rood werd en haar rijdier omkeerde.
Bijna meteen na Reannes vertrek voegde Merilille zich bij Elayne, en de Grijze zuster was veel beter in ogenschijnlijk onschuldig gebabbel dan de Kinsvrouw. Zoals ze sprak was ze de rust zelve. Wat ze te zeggen had, was een andere zaak. ik vraag me af hoe betrouwbaar die vrouwen zijn, Elayne.’ Ze kneep haar lippen afkeurend op elkaar, terwijl ze met een gehandschoende hand het stof van haar rok klopte. ‘Ze zeggen wel dat zij geen wilders opnemen, maar Reanne zelf kan best een wilder zijn, wat ze ook beweert over haar falen bij de Aanvaardenproef. Dat geldt ook voor Sumeko, en zeker voor Kirstian.’ Ze fronste bij die laatste, waarna ze neerbuigend knikte. ‘Je moet toch gemerkt hebben hoe ze opschrikt bij het noemen van de Witte Toren. Ze weet niet meer dan wat ze opgestoken heeft van een gesprek met iemand die echt is weggezonden.’ Merilille zuchtte, alsof het haar speet dit te moeten zeggen. Ze was echt heel goed. ‘Heb je overwogen dat ze ook over andere zaken gelogen kunnen hebben? Voor zover we weten kunnen ze best Duistervrienden zijn, of door Duistervrienden gebruikt worden. Misschien niet, maar ze zijn zeker niet echt te vertrouwen. Ik geloof best – rustoord of niet – in die boerderij van hen, anders zou ik hier niet in toegestemd hebben, maar het zou me niet verbazen als we een paar vervallen gebouwen aantreffen met een stuk of tien wilders. Nou ja, niet vervallen – ze schijnen geld te hebben – maar ik bedoel maar. Nee, ze zijn gewoon niet betrouwbaar.’