Elayne ziedde inwendig zodra ze merkte welke kant Merilille op wilde, en raakte meer en meer verhit. Al dat gepraat eromheen, al haar ‘gezou’ en ‘gekon’, zodat ze dingen kon beweren die ze zelf eigenlijk niet geloofde. Duistervrienden? De Weefkring had tegen Duistervrienden gevochten. Twee van de leden waren omgekomen. En zonder Sumeko en Ieine was Nynaeve dood geweest, en zou Ispan niet gevangengenomen zijn. Nee, de reden dat ze niet te vertrouwen waren, was niet omdat Merilille vreesde dat ze de Schaduw dienden, want dan had ze dat wel gezegd. Als ze namelijk onbetrouwbaar waren, mocht hun niet worden toegestaan om Ispan te bewaken. Ze sloeg een dikke groene vlieg plat die op Leeuwins nek was gaan zitten, waarmee ze Merililles laatste woorden met een luide klap onderstreepte, wat de Grijze zuster deed opschrikken. ‘Hoe durf je?’ hijgde Elayne. ‘Zij hebben het in de Rahad opgenomen tegen Ispan en Falion, en tegen de gholam. Dan heb ik het nog niet eens over tientallen schurken met zwaarden. Daar was jij niet bij.’ Dat was niet helemaal eerlijk. Merilille en de anderen waren achtergelaten omdat vrouwen die zo overduidelijk Aes Sedai waren, in de Rahad net zo goed als trompetten en trommels ieders aandacht zouden hebben getrokken. Ze maalde er niet om. Haar boosheid groeide met elke tel en ze ging steeds harder praten. ‘Je zult zoiets nooit en te nimmer meer tegen me zeggen. Nimmer! Niet zonder hard bewijs! Als je dat toch waagt, leg ik je een boetedoening op waar je ogen van uit je hoofd rollen!’ Het maakte niet uit hoe ver ze boven de ander stond, ze had het gezag niet om haar enige straf op te leggen, maar dat kon haar niet schelen, ik zorg ervoor dat je verder naar Tar Valon mag lópen! Dat je de hele weg niets anders dan water en brood eet! Ik zorg dat zij op jóu moeten passen en beveel ze je een pak slaag te geven als je zelfs maar een gans aan het schrikken maakt!’ Ze besefte opeens dat ze schreeuwde. Een vlucht grijswitte vogels wiekte in een brede lijn over hen heen en hun roep was door haar geschreeuw niet eens te horen. Ze haalde diep adem en probeerde kalm te worden. Haar stem was niet geschikt voor geschreeuw; het werd altijd gekrijs. Iedereen keek naar haar, de meesten verbijsterd. Aviendha knikte goedkeurend. Natuurlijk zou ze dat ook gedaan hebben als Elayne een mes in Merililles hart had gestoken. Aviendha stond achter haar vriendinnen, wat er ook gebeurde. Merililles Cairhiense bleke huid was spierwit geworden.
‘Ik meen het,’ zei Elayne op veel koelere toon. Het leek het laatste bloed uit Merililles gezicht te trekken. Elayne meende elk woord; ze kon niet toestaan dat dergelijke geruchten onder hen rondgingen. Ze zou er hoe dan ook voor zorgen, hoewel de Weefkring waarschijnlijk zou flauwvallen als ze dit uitvoerde.
Ze hoopte dat het daarmee voorbij was. Dat had zo moeten zijn. Maar na Chilares kwam Sareitha en ook zij had een reden waarom de Kinsvrouwen niet te vertrouwen waren. Hun leeftijd! Zelfs Kirstian beweerde ouder te zijn dan elke levende Aes Sedai, terwijl Reanne meer dan honderd jaar ouder was en zij was niet eens de oudste van de Kinne. De titel van Oudste ging naar de oudste Wijzevrouw in Ebo Dar, en doordat ze een strak rooster volgden om ontdekking te vermijden, bevonden zich in andere plaatsen nog oudere vrouwen. Dat was overduidelijk onmogelijk, hield Sareitha vol. Elayne schreeuwde niet; heel zorgvuldig vermeed ze geschreeuw. ‘We zullen uiteindelijk de waarheid vernemen,’ antwoordde ze. Ze twijfelde niet aan het woord van de Kinsvrouwen, maar er moest een oorzaak zijn waarom de Kinsvrouwen er niet leeftijdloos uitzagen, maar zelfs bij benadering niet zo oud leken als ze beweerden te zijn. Wat wilde ze daar graag achter komen. Iets zei haar dat het voor de hand lag, maar er kwam niets bij haar op. ‘Uiteindelijk,’ voegde ze er vastberaden aan toe, toen de Bruine zuster opnieuw haar mond wilde opendoen. ‘Genoeg, Sareitha.’ Sareitha knikte onzeker en ging terug naar haar plaats. Niet veel later werd ze vervangen door Sibella.
Elke keer als een Kinsvrouw naar voren kwam om omzichtig te smeken om van Ispan verlost te worden, kwam weldra een zuster hetzelfde vragen. Allen, behalve Merilille, die bij elke blik van Elayne nog steeds met haar ogen knipperde. Misschien had schreeuwen toch nut. Niemand probeerde tenminste meer rechtstreeks de Kinne aan te vallen.
Vandene, bijvoorbeeld, begon een gesprek over het Zeevolk en hoe ze de gevolgen van de gesloten overeenkomst konden tegengaan, en waarom die zoveel mogelijk bestreden moesten worden. Ze was heel duidelijk zonder door een enkel woord of gebaar een schuldige aan te wijzen. Dat hoefde ook niet; het onderwerp deed dat al, hoe omzichtig het ook ter sprake kwam. De Witte Toren, zei ze, behield haar invloed in de wereld niet door wapengekletter of overreding en zelfs niet door sluwe plannen en handelingen. Al stapte ze over die laatste twee wel heel lichtvaardig heen. Nee, de Witte Toren beheerste of beïnvloedde gebeurtenissen – in welke mate dan ook – doordat iedereen zag dat de Toren erboven en erbuiten stond, nog meer dan koningen en koninginnen. Dat vereiste wel dat iedere Aes Sedai ook op die manier werd gezien: als geheimzinnig en afstandelijk, en anders dan ieder ander. Van een ander ras. Van oudsher werden Aes Sedai die dat niet konden – en die waren er wel geweest – zoveel mogelijk uit het zicht gehouden.
Het duurde even voor Elayne besefte dat het onderwerp niet langer het Zeevolk was, en begreep waar het gesprek heen leidde. Een ander ras, geheimzinnig en afstandelijk, kon niet als een pak op een paard gebonden worden, met een zak over haar hoofd. Tenminste niet waar niet – Aes Sedai dat konden zien. In feite zouden de zusters Ispan harder behandelen dan de Weefkring ooit zou kunnen opbrengen. Alleen niet in het openbaar. Deze redenering had meer gewicht gehad als ze als eerste was gebruikt; zoals het nu lag stuurde Elayne Vandene even snel terug als de anderen. Vervolgens werd ze vervangen door Adeleas, meteen nadat Sibella te horen had gekregen dat als niemand van de Weefkring Ispans gemompel begreep, de zusters het waarschijnlijk ook niet konden. Gemompel! Licht! De Aes Sedai kwamen om de beurt, en hoewel ze wist wat ze van plan waren, was het soms heel moeilijk om meteen het verband te zien. Tegen de tijd dat Careane begon met de mededeling dat die rotsblokken heus ooit tenen waren geweest, kennelijk onderdeel van een standbeeld van een krijgskoningin dat bijna tweehonderd voet hoog was...
‘Ispan blijft waar ze is, zei ze koeltjes tegen Careane, zonder op de rest te wachten. ‘Nou, tenzij je me echt wil vertellen waarom de Shiotanen zo’n standbeeld op wilden richten...’ De Groene zuster zei dat het standbeeld volgens oude verslagen weinig meer dan een borstkuras had gedragen, en bepaald geen grote! Een koningin! ‘Nee? Dan, als je het niet erg vindt, wil ik Aviendha alleen spreken. Dank je wel.’ Natuurlijk hield haar bruuskheid hen niet tegen. Het zou haar niet hebben verbaasd als ze Merililles kamermeid hadden gestuurd. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als Nynaeve geweest was waar ze had horen te zijn. Elayne was ervan overtuigd dat Nynaeve binnen de kortste keren zowel de Weefkring als de zusters in het gareel gebracht zou hebben. Daar was ze heel goed in. De moeilijkheid was dat sinds ze van de eerste open plek waren weggereden, Nynaeve zich onafscheidelijk aan Lans zijde had genesteld. De zwaardhanden verkenden het gebied voor hen en aan weerszijden van het pad, en soms achter hen. Ze reden slechts terug naar de groep om verslag te doen van wat ze hadden gezien, of om te wijzen hoe ze een boerderij of een schaapherder konden vermijden. Birgitte trok ver vooruit en bracht geen tijd door met Elayne. En Lan trok nog verder vooruit. En waar Lan ging, ging Nynaeve.
‘Er is toch niemand die moeilijkheden maakt, hè?’ vroeg ze de eerste keer dat ze met Lan terugkwam, met een donkere blik op het Zeevolk. ‘Nou, dat is dan in orde,’ zei ze vervolgens, voor Elayne een kans had om te antwoorden. Ze keerde haar dikke merrie om als een renpaard, sloeg even met de teugels en galoppeerde achter Lan aan, haar hoed met één hand vasthoudend. Ze haalde hem in toen hij om de heuvelflank voor hen verdween. Natuurlijk was er op dat moment nog niets te klagen geweest. Reanne had haar bezoekje afgestoken, en Merilille, en alles leek geregeld te zijn.