Tegen de tijd dat Nynaeve weer verscheen, had Elayne een aantal bedekte pogingen om Ispan aan de zusters over te dragen moeten doorstaan. Aviendha had met Kurin gesproken en de windvindsters begonnen zich op te winden, maar toen Elayne dat uitlegde, keek Nynaeve enkel rond. Natuurlijk reed iedereen op dat ogenblik netjes in de rij. De Atha’an Miere keken uiteraard duister, maar de Weefkring volgde braaf, en een groep novices had zich niet beter en onschuldiger kunnen gedragen dan de Aes Sedai. Elayne wilde wel krijsen!
‘Ik weet zeker dat je alles aan kunt, Elayne,’ zei Nynaeve. ‘Je hebt per slot al die lessen gehad om koningin te worden. Dit kan lang niet zo moei... Die vervloekte kerel. Daar gaat hij weer! Je kunt het aan.’ En daar ging zij ook weer, in galop, alsof haar arme merrie een krijgsros was.
Op dat ogenblik verkoos Aviendha te bespreken hoe Rhand haar het liefst aan de zijkant van haar hals kuste. En ook nog hoeveel ze daarvan genoten had. Elayne had er ook van genoten toen het haar overkwam, maar al was ze onderhand wat meer gewend aan zulke gespreksonderwerpen – veel te gewend! – ze wilde het er nu niet over hebben. Ze was boos op Rhand. Als hij er niet was geweest, had ze Nynaeve kunnen zeggen dat ze Lan niet als een kind moest behandelen en dat ze aan haar plicht moest denken. Ze wilde hem bijna ook nog het gedrag van de Weefkring én de andere zusters én de windvindsters verwijten. Daar zijn mannen voor: de schuld van iets krijgen, herinnerde ze zich van Lini, die erbij had gelachen. Gewoonlijk verdienen ze het, ook al weet je niet precies waarom. Het was niet eerlijk, maar wat had ze hem graag één keer lang genoeg hier willen hebben om hem een draai om zijn oren te verkopen. Lang genoeg om hem te kussen, om hem zachtjes alle plekjes van haar hals te laten kussen. Lang genoeg om...
‘Hij luistert best naar raad, ook al krijgt hij die liever niet,’ zei ze ineens, en haar gezicht werd rood. Licht, ondanks al haar gepraat over schande schaamde Aviendha zich op sommige gebieden nergens voor. En dat leek zo langzamerhand ook voor haarzelf op te gaan! ‘Maar als ik probeerde hem een kant op te duwen, zette hij zich schrap, zelfs als ik overduidelijk gelijk had. Was hij met jou ook zo?’ Aviendha wierp haar een blik toe en leek het te begrijpen. Elayne wist niet echt of ze dat nou wel of niet plezierig vond. Er werd tenminste niet meer gepraat over Rhands zoenen. Een poosje niet, althans. Aviendha had wat kennis van mannen opgedaan tijdens haar tochten als Speervrouw en ze had zij aan zij met hen gestreden. Ze had echter nooit wat anders dan Far Dareis Mai willen zijn, en er waren... gaten. Zelfs haar poppen had ze als kind een speer gegeven, en ze was er steeds mee op rooftocht gegaan. Ze had nooit geminnekoosd en begreep dat ook niet. Naast honderden andere dingen had ze ook niet begrepen waarom ze zich zo vreemd voelde als Rhands ogen op haar vielen. Elayne had dat meteen opgestoken, de eerste de beste keer dat een jongen anders naar haar keek dan naar de andere jongens. Aviendha rekende erop dat Elayne haar dit alles bij zou brengen, en Elayne probeerde het. Ze kon met Aviendha werkelijk over alles praten. Als Rhand maar niet telkens als voorbeeld gebruikt zou worden. Als hij hier was geweest, had ze hem beslist een draai om zijn oren gegeven. En hem gekust. En hem nog een klap verkocht.
Helemaal geen aangename rit. Een ellendige rit. Nynaeve kwam nog een paar keer op bliksembezoek, voordat ze eindelijk aankondigde dat de boerderij van de Kinne voor hen lag. Die was nog net niet zichtbaar door een overhellende lage heuvel. Reanne was wat somber geweest in haar schatting; de zon was nog geen twee uur verder.
‘We zijn er nu gauw,’ zei Nynaeve tegen Elayne; ze leek de gemelijke blik die ze terugkreeg niet op te merken. ‘Lan, wil je Reanne halen, alsjeblieft? Het is het beste als ze meteen een bekend gezicht zien.’ Hij stoof weg op zijn paard en Nynaeve wendde zich even om in het zadel en keek de zusters streng aan. ik wil niet dat jullie hun angst aanjagen. Je houdt je mond tot we een kans hebben om de zaak uit te leggen. En verberg je gezicht. Trek de kap van je mantel op.’ Ze ging rechtop zitten zonder op antwoord te wachten en knikte tevreden. ‘Mooi. Alles is gereed en alles is in orde. Ik bezweer je, Elayne, dat ik niet snap waarom je zo klaagt. Volgens mij doen ze allemaal precies wat ze horen te doen.’
Elayne klemde haar tanden op elkaar. Ze was graag al in Caemlin geweest. Dat was het doel van hun reis, als dit achter de rug was. Ze had een plicht in Caemlin die ze allang had moeten nakomen. Daar hoefde ze de machtigste Huizen er slechts van te overtuigen dat de Leeuwentroon haar toebehoorde, ondanks haar lange afwezigheid. Dat, en met wat rivalen afrekenen. Die zouden er niet zijn geweest als ze aanwezig was geweest bij de verdwijning van haar moeder, bij haar dood, maar de geschiedenis van Andor zei dat er nu rivalen voor de troon zouden zijn. Op een of andere manier leek dat veel gemakkelijker dan dit alles.
4
Een rustige plek
De boerderij van de Kinne lag in een brede, ondiepe kom temidden van drie lage heuvels. Het geheel omvatte ruim tien grote witgekalkte gebouwen met platte daken, die glinsterden in de zon. Vier grote schuren staken uit de helling van de hoogste heuvel. Die had een vlakke top en aan de achterkant een steile rotshelling. Een paar hoge bomen die nog niet al hun bladeren verloren hadden, zorgden voor wat schaduw op het erf. In het noorden en oosten strekten zich olijfbomen uit, zelfs tegen de hellingen op. Er heerste een soort trage drukte rond de boerderij, waar zo’n honderd mensen ondanks de hitte van de namiddag de gewone dagelijkse karweitjes uitvoerden, zij het niet erg snel.
Het geheel had bijna kunnen doorgaan voor een klein dorp in plaats van een enkele boerderij, behalve dat er geen man of kind te zien was. Dat had Elayne ook niet verwacht. Dit was een doorgangshuis voor de Kinne van waaruit de vrouwen van Ebo Dar naar elders trokken, zodat er nooit te veel in de stad zelf waren. Maar dat werd geheimgehouden, even geheim als het bestaan van de Kinne. In de volksmond stond deze boerderij in een gebied van zo’n tweehonderd span bekend als een toevluchtsoord waar vrouwen zich konden bezinnen en zich terugtrekken uit de zorgen van de wereld. Elayne kon de rust in de lucht bijna voelen. Het zou haar hebben gespeten dat ze de wereld naar deze stille plaats had gebracht, als ze niet ook nieuwe hoop had meegenomen.
De eerste paarden die de steile heuvel rondden, veroorzaakten veel minder opwinding dan ze had verwacht. Een stel vrouwen stond stil te kijken, maar niet meer dan dat. Hun kleren verschilden behoorlijk van elkaar – Elayne zag hier en daar zelfs de glans van satijn -maar sommigen droegen manden en anderen emmers, of grote witte bundels die op wasgoed leken. Een vrouw had in beide handen enkele aan de poten vastgebonden eenden. Edele of ambachtsvrouw, boerin of bedelares, allen waren hier even welkom, maar tijdens het verblijf had iedereen een aandeel in het werk. Aviendha raakte Elaynes arm aan en wees naar een heuveltop, die leek op een omgekeerde, scheve schoorsteen. Elayne maakte met haar hand de schaduwrand van haar hoed breder en ontwaarde even later wat beweging. Geen wonder dat niemand verbaasd was. Een uitkijk op die plek kon iedereen al van ver zien aankomen.
Een middelgrote vrouw kwam aanlopen om hen bij de gebouwen te begroeten. Haar jurk had in Ebodaraanse stijl een diepe en nauwe halslijn, maar haar donkere rok en felgekleurde onderrokken waren zo kort dat ze die niet voor het stof hoefde op te houden. Ze droeg geen trouwdolk; de regels van de Kinne stonden geen huwelijk toe. De Kinne koesterde te veel geheimen.
‘Daar is Alise,’ mompelde Reanne, die tussen Elayne en Nynaeve reed en de teugels aantrok. ‘Zij leidt deze beurt de boerderij. Een zeer verstandige vrouw.’ Waarna ze er als een losse gedachte zacht aan toevoegde: ‘Alise heeft een hekel aan dwazen.’ Toen Alise dichterbij kwam, richtte Reanne zich in haar zadel op en rechtte haar schouders, alsof ze een beproeving verwachtte.