Выбрать главу

‘Adeleas en Vandene, ik wil dat jullie ons met Ispan alleen laten.’ Haar maag leek in een knoop te komen. Er moest een manier zijn om dat mens voldoende onder druk te zetten om het nodige te weten te komen, zonder de wet van de Toren te schenden. Maar hoe? Mensen die door de Toren ondervraagd zouden worden, spraken gewoonlijk reeds voordat ze met een vinger waren aangeraakt – iedereen wist dat niemand, echt niemand, zich tegen de Toren kon verzetten – maar dat waren hoogst zelden ingewijden. Ze kon een andere stem horen, dit keer niet die van Lini maar van haar moeder. Wat je beveelt uit te voeren, moet je ook met eigen handen durven uitvoeren. Als je als koningin iets beveelt, heb je dat uitgevoerd. Als ze de wet inderdaad schond... Opnieuw de stem van haar moeder. Zelfs een koningin staat niet boven de wet, of er is geen wet. En de stem van Lini. Je kunt alles doen wat je wilt, kind. Zolang je maar bereid bent de prijs te betalen. Ze trok de hoed van haar hoofd zonder de linten los te knopen. Het kostte haar moeite om haar stem te beheersen. ‘Als we... als we ons gesprek met haar beëindigd hebben, kunnen jullie haar terugbrengen naar de Weefkring.’ Daarna zou ze zich bij Merilille vervoegen. Vijf zusters konden gezamenlijk een boetedoening opleggen, als hun dat gevraagd werd. Ispan draaide haar hoofd met een ruk om, en haar gezwollen ogen schoten van Elayne naar Aviendha en weer terug. Ze werden langzaam groter tot het wit aan alle kanten zichtbaar was. Ispan was niet meer zo zelfverzekerd.

Vandene en Adeleas wisselden zwijgend enige blikken uit, zoals mensen doen die zoveel tijd samen hebben doorgebracht dat ze geen woorden meer nodig hebben. Toen greep Vandene Elayne en Aviendha ieder bij een arm. ‘Als ik buiten een woordje met jullie kan wisselen?’ mompelde ze. Het klonk als een voorstel, maar ze trok hen al mee naar de deur.

Buiten op het erf stonden ongeveer twintig Kinsvrouwen als een kudde schapen bij elkaar. Ze droegen niet allemaal Ebodaraanse kleren, maar twee droegen de rode riem van Wijzen, en Elayne herkende Berowin, een gezette kleine vrouw die zich gewoonlijk trotser voordeed dan haar vermogen met de Ene Kracht rechtvaardigde. Nu echter niet. Net als de anderen zag ze er bevreesd uit en haar ogen schoten heen en weer, hoewel de hele Weefkring hen omringde en doordringend op hen insprak. Een eindje verder probeerden Nynaeve en Alise een twee keer zo grote groep vrouwen in een van de grotere gebouwen te loodsen. ‘Proberen’ was hier kennelijk het juiste woord. ‘... zal me een zorg zijn hoeveel landerijen je bezit,’ schreeuwde Nynaeve tegen een vrouw met een trotse houding in zachtgroene zijde. ‘Je gaat naar binnen en je blijft daar! Lopen, of ik schop je erin!’ Alise greep de vrouw gewoon in de nek en duwde haar door de deuropening, ondanks krachtige en opgewonden protesten. Er klonk een luid gekwaak alsof iemand op een gans was gaan staan, waarna Alise weer verscheen en haar handen afsloeg. Daarna leken de anderen geen moeilijkheden meer op te leveren.

Vandene liet hen los en keek ze onderzoekend aan. Ze was nog steeds gehuld in de saidargloed, maar kennelijk leidde Adeleas hun gezamenlijke stromen. Vandene kon het schild, als het eenmaal geweven was, in stand houden zonder het te zien, maar als zij had geleid, zou Adeleas waarschijnlijk met hen naar buiten zijn gegaan. Vandene kon zo’n honderd pas verder lopen voor de koppeling begon te verzwakken, maar ze bleef vlak voor de deur staan. Die koppeling zou overigens nog niet breken als Vandene zich naar de andere kant van de wereld begaf, al zou die dan wel snel nutteloos worden. Vandene scheen haar gedachten te ordenen.

‘Ik heb altijd gemeend dat dit soort zaken het beste kunnen worden afgehandeld door vrouwen met ervaring,’ zei ze ten slotte. ‘Jongeren raken zo gemakkelijk opgewonden en slaan dan te ver door. Of ze beseffen dat ze zich er niet echt toe kunnen zetten om te doen wat gedaan moet worden, omdat ze nog niet genoeg gezien hebben. Of nog veel erger: ze beginnen de... smaak te pakken te krijgen. Al geloof ik niet dat een van jullie deze zwakheid heeft.’ Ze nam al pratend Aviendha schattend op, waardoor die haastig het mes wegstak. ‘Adeleas en ik hebben genoeg gezien om te weten waarom we moeten doen wat nodig is, en opwinding hebben we allang achter ons gelaten. Misschien willen jullie dit aan ons overlaten. Alles bij elkaar is dat veel beter.’ Vandene scheen haar raad als aanvaard te beschouwen. Ze knikte en wendde zich naar de deur. Zodra ze verdwenen was, voelde Elayne hoe binnen de Ene Kracht werd gebruikt, een weving waarmee de kamer voor alles werd afgesloten. Beslist een ban tegen afluisteren. Ze wilden niet dat een toevallige luisteraar opving wat Ispan te zeggen had. Toen dacht ze aan een andere toepassing, en plotseling was de stilte daarbinnen veel dreigender: een ban kon gekrijs dempen.

Ze klapte haar hoed terug op haar hoofd. Ze kon de hitte niet voelen, maar de felle zon maakte haar ineens draaierig. ‘Misschien kun je me helpen om de manden op de pakpaarden te onderzoeken,’ zei ze bijna ademloos. Ze had het niet bevolen – wat Adeleas en Vandene ook deden – maar dat scheen niet uit te maken. Aviendha knikte verrassend snel. Ook zij leek bij die stilte weg te willen. De windvindsters stonden niet ver van de dienaren met de pakpaarden af. Ze wachtten ongeduldig, wierpen hooghartige blikken om zich heen en bootsten Renaile na, die haar armen over elkaar had geslagen. Alise stapte op hen af en koos na een enkele blik Renaile als de leidster. Ze negeerde Elayne en Aviendha. ‘Kom mee,’ zei ze op een ferme toon die geen tegenstand duldde. ‘De Aes Sedai zeggen dat jullie uit de zon willen zijn tot de toestand wat bedaard is.’ In de woorden ‘Aes Sedai’ klonk evenzeer verbittering als het ontzag dat Elayne van de Kinsvrouwen kende. Meer nog, misschien. Renaile verstijfde, en haar donkere gezicht liep al rood aan, maar Alise ging onvervaard door. ‘Jullie wilders kunnen hier buiten zitten en het uitzweten, als je dat wilt, mij kan het niet schelen. Als jullie tenminste kunnen zitten.’ Het was overduidelijk dat geen enkele Atha’an Miere van de zadelpijn was geheeld; ze stonden erbij als vrouwen die wensten te vergeten dat hun lichaam ook onder hun middel bestond. ‘Maar wat jullie niet kunnen, is mij laten wachten.’

‘Weet jij wel wie ik ben?’ vroeg Renaile met nauw verhulde woede, maar Alise liep al zonder om te kijken weg. Renaile vocht zichtbaar met zichzelf, veegde met de rug van haar hand het zweet van haar voorhoofd en beval de andere windvindsters toen boos om die ‘kustvervloekte’ paarden achter te laten en haar te volgen. Een rij vrouwen wankelde wijdbeens achter Alise aan, en behalve de twee leerlingen liep iedereen te mopperen, ook Alise.

Onwillekeurig begon Elayne een plan te bedenken om alles soepel op te lossen en de zadelpijn te helen zonder dat erom gevraagd hoefde te worden. Ze zou kunnen zorgen dat een zuster het min of meer uit zichzelf aanbood. En Nynaeve moest ook tevredengesteld worden, net als de andere zusters. Verbaasd besefte ze opeens dat ze voor één keer in haar leven geen zin had om wat dan ook soepeitjes op te lossen. Ze zag hoe de windvindsters naar een gebouw strompelden, en besloot dat het wel best was. Aviendha grijnsde breeduit terwijl ze naar de Atha’an Miere keek. Elayne onderdrukte haar eigen, wat kalmere glimlach en liep naar de pakpaarden. Maar ze verdienden het wel. Het was erg moeilijk om niet te gaan grinniken. Met Aviendha’s hulp ging het zoeken vlugger dan eerst, hoewel Aviendha minder snel dan zij herkende waar ze naar zochten. Dat was niet erg verrassend. Elayne had enkele zusters geoefend die er nog vaardiger in waren dan zijzelf, maar de meesten waren veel slechter. Toch vonden vier handen meer dan twee, en er was een heleboel te vinden. Stalknechten en meiden in livrei haalden de rommel weg, terwijl op het grote stenen deksel van een vierkante waterput de verzameling ter’angrealen groter werd.