Выбрать главу

Er waren er nog een paar geweest die wellicht sterk genoeg waren -wellicht, de Kinne besteedde niet veel aandacht aan dat soort zaken – maar de laatste daarvan was drie dagen geleden vertrokken. Niemand anders op de boerderij kwam zelfs maar in de buurt. Dat was de reden waarom Nynaeve er nog steeds de smoor in had. Een van de redenen. De andere was dat Garenia een van de eersten was geweest die gevonden waren, flauwgevallen op het erf. Trouwens, nadat ze was bijgekomen, was ze meteen weer flauwgevallen zodra haar ogen op een van de zusters vielen. Tot tweemaal toe! Natuurlijk was Nynaeve niet bereid om toe te geven dat ze simpelweg aan Alise had kunnen vragen wie er nog steeds op de boerderij waren. Ze had ook gewoon Alise kunnen vertellen wat ze zocht voor die erom moest vragen. Nynaeve verwachtte nooit of te nimmer dat iemand wist wat boven of onder was. Behalve zijzelf.

‘We hadden al klaar kunnen zijn!’ gromde Nynaeve. ‘We hadden afgesneden kunnen...’ Ze beefde bijna van de inspanning om het Zeevolk niet uit te schelden, terwijl dat zich aan de oostelijke kant van de platte rotstop verzamelde. Renaile leek druk gebarend aanwijzingen te geven. Elayne zou er een lief ding voor over hebben gehad om die te horen.

Nynaeves boze blikken waren beslist ook bedoeld voor Merilille, Careane en Sareitha, die nog steeds de in zijde gewikkelde Schaal stevig vastklampte. Adeleas en Vandene waren beneden gebleven, opgesloten bij Ispan. De drie zusters stonden samen te babbelen en besteedden geen enkele aandacht aan Nynaeve, tenzij die hen aansprak. Wel gleden Merililles ogen soms naar de windvindsters, en keken dan met een ruk weer elders. Haar masker van kalmte ontglipte haar even, en ze bevochtigde haar lippen met het puntje van haar tong. Had ze beneden bij de Heling een vergissing begaan? Merilille had verdragen tussen naties gesloten en bemiddeld in geschillen; er waren maar weinigen in de Witte Toren die daar beter in waren. Maar Elayne dacht terug aan een verhaal dat haar eens verteld was, een soort grap, over een Domani-koopvrouw, een vrachtmeester van het Zeevolk en een Aes Sedai. Weinig mensen vertelden grappen over Aes Sedai; die waren niet zonder gevaar. De koopvrouw en de vrachtmeester vonden een gewoon stuk rots aan de kust en gingen toen de steen onder elkaar kopen en verkopen, waarbij ze op een of andere manier telkens winst maakten. Toen kwam een Aes Sedai voorbij. De Domani wist de Aes Sedai over te halen om de steen te kopen voor het dubbele van wat zij er de laatste keer voor betaald had. Toen haalde de Atha’an Miere de Aes Sedai over om dezelfde steen voor nóg eens dubbel zoveel van hem te kopen. Het was maar een grap, maar het gaf aan wat men geloofde. Misschien zouden de oudere zusters helemaal niet zoveel beter met het Zeevolk onderhandeld hebben.

Zodra Aviendha de heuveltop bereikt had, liep ze regelrecht naar de rand van de hoogte en bleef als een standbeeld naar het noorden kijken. Het duurde even, maar toen besefte Elayne dat ze niet het uitzicht bewonderde; Aviendha staarde slechts. Ze nam door de drie angrealen in haar hand haar rok wat onhandig op, en voegde zich bij haar vriendin.

De richels lagen zo’n vijftig voet onder elkaar, tot de eerste olijfbomen bereikt werden. Het waren steile stukken gegroefde grijze steen, op enkele verdorrende struiken na kaal. De helling was niet echt gevaarlijk, maar het was ook niet alsof je vanuit een boomtop naar de grond keek. Vreemd genoeg werd Elayne ietwat duizelig van het omlaag kijken. Aviendha scheen niet te beseffen dat haar tenen de rand bijna raakten.

‘Zit je iets dwars?’ vroeg Elayne zacht.

Aviendha hield haar blik op de verte, ik ben tegen jou in gebreke gebleven,’ zei ze ten slotte. Haar stem klonk vlak en leeg. ‘Ik kan de poort niet op de juiste manier vormen, en iedereen zag hoe ik je te schande maakte. Ik dacht dat een dienaar een van de Schaduwschepsels was en gedroeg me meer dan dwaas. De Atha’an Miere negeren mij en kijken kwaad naar de Aes Sedai, alsof ik een hond ben die op hun bevel staat te keffen. Ik deed alsof ik de Schaduwloper voor jou aan het praten kon krijgen, maar geen enkele Far Dareis Mai mag gevangenen ondervragen tot ze ten minste twintig jaar met de speer gehuwd is. Ze mag niet eens toekijken tot ze de speer tien jaar heeft gedragen. Ik ben zwak en week, Elayne. Ik kan het niet verdragen om je nog meer te schande te maken. Als ik nog eens faal, zal ik sterven.’

Elaynes mond werd droog. Dat klonk te veel als een belofte. Ze greep Aviendha’s arm stevig vast en trok haar bij de rand vandaan. Aiel konden bijna even vreemd zijn als het Zeevolk dacht. Ze geloofde niet echt dat Aviendha zou springen, maar ze wilde het niet riskeren. Aviendha probeerde gelukkig geen tegenstand te bieden. Alle anderen leken in zichzelf verdiept, of in elkaar. Nynaeve was de Atha’an Miere aan het toespreken. Ze had beide handen aan haar vlecht, en haar gezicht was bijna net zo rood aangelopen als dat van hen. Ze spande zich tot het uiterste in om niet te schreeuwen, terwijl het Zeevolk met neerbuigende zelfingenomenheid luisterde. Merilille en Sareitha bewaakten nog steeds de Schaal, maar Careane probeerde zonder veel succes met de Kinsvrouwen te praten. Reanne gaf antwoord, hoewel ze met haar ogen knipperde en haar lippen bevochtigde. Kirstian stond er stil en bevend bij, terwijl Garenia haar ogen stijf dichthield. Desondanks sprak Elayne zachtjes; dit ging niemand wat aan.

‘Je hebt niet gefaald, en ten opzichte van mij nog wel het minst, Aviendha. Jij hebt nooit iets gedaan wat mij schande heeft gebracht, en dat zul je ook nooit kunnen.’ Aviendha keek haar twijfelend aan. ‘En je bent even zwak en week als een rots.’ Dat moest wel de vreemdste loftuiting zijn die ze ooit iemand had toegezwaaid, maar Aviendha keek zowaar dankbaar, ik durf te wedden dat het Zeevolk behoorlijk bang van je is.’ Weer zo’n eigenaardige lofprijzing, maar Aviendha glimlachte, zij het zwakjes. Elayne haalde diep adem. ‘Wat Ispan betreft...’ Ze wilde er niet eens over denken, ik dacht ook dat ik kon doen wat nodig was, maar de gedachte alleen al doet mijn handen zweten en mijn maag omkeren. Ik zou overgeven als ik het ooit moest proberen. Dus dat hebben we gemeen.’ Aviendha maakte het handgebaar van de Speervrouwen dat aangaf dat ze verbaasd was. Ze was er een paar aan Elayne gaan leren, hoewel ze zei dat het verboden was. Kennelijk had het feit dat ze naastzusters waren, die ernaar streefden om meer te zijn, dat veranderd. Behalve dat het niet echt zo was. Aviendha leek aan te nemen dat die uitleg volkomen duidelijk was geweest, ik bedoelde niet dat ik het niet kon,’ zei ze hardop, ‘maar alleen dat ik niet wist hoe. Waarschijnlijk zou ik haar bij die poging hebben gedood.’ Ineens glimlachte ze, veel breder en warmer dan tevoren, en ze raakte Elaynes wang licht aan. ‘We hebben beide zwakte in ons,’ fluisterde ze, ‘maar dat brengt geen schande zolang alleen wij tweeën het weten.’

‘Ja,’ zei Elayne zwakjes. Ze wist alleen niet hóé? ‘Natuurlijk niet.’ Die vrouw bevatte meer verrassingen dan welke speelman ook. ‘Hier,’ zei ze, en ze drukte het beeldje van de in haar haren gehulde vrouw in Aviendha’s hand. ‘Gebruik dit in de cirkel.’ Het was moeilijk om afstand te doen van de angreaal. Ze was van plan geweest die zelf te gebruiken, maar glimlach of geen glimlach, haar vriendin, haar naastzuster, kon wel een geschenk gebruiken. Aviendha draaide het ivoren figuurtje in haar handen om en om; Elayne kon bijna zien hoe ze een manier zocht om het terug te kunnen geven. ‘Aviendha, jij weet toch hoe het voelt om zoveel saidar te omhelzen als je kunt verdragen? Stel je eens voor dat je twee keer zoveel aankunt. Stel je dat eens écht voor. Ik wil dat je deze gebruikt. Alsjeblieft?’ Er viel weinig van een Aielgezicht af te lezen, maar Aviendha’s groene ogen werden groter. Vanwege hun speurtocht hadden ze over angrealen gesproken, maar tot vandaag had ze waarschijnlijk nimmer bedacht hoe het zou zijn om er daadwerkelijk een te gebruiken. ‘Twee keer zoveel,’ mompelde ze. ‘Dat allemaal kunnen putten. Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Dit is een zeer groot geschenk, Elayne.’ Opnieuw raakte ze Elaynes wang aan en gaf een duwtje met haar vingertoppen; het Aielgebaar voor een kus en een omhelzing. Wat Nynaeve het Zeevolk te zeggen had, kostte niet veel tijd. Ze liep met grote stappen van hen weg en haar vingers plukten woest aan haar rok. Ze kwam naar Elayne toe en keek al even duister van Aviendha naar de rand van de heuveltop. Gewoonlijk sloeg ze geen acht op haar hoogtevrees, maar ze hield hen tussen zichzelf en de steile afgrond in. ‘Ik moet met je praten,’ bromde ze, en ze leidde Elayne wat meer naar de heuveltop toe. Verder bij de rand vandaan, een klein stukje, maar ver genoeg bij iedereen weg om afluisteren te voorkomen. Ze haalde een paar keer diep adem voordat ze zacht begon te praten. Ze keek Elayne niet aan.