‘Ik... ik heb me als een dwaas aangesteld. Het is allemaal de schuld van die verdraaide man van me! Als hij niet vlak bij me staat, kan ik nauwelijks aan iets anders denken, en als hij er wel is, kan ik helemaal niet denken! Je... je moet het me zeggen als ik... als ik me aanstel. Ik reken op je, Elayne.’ Haar stem bleef zacht, maar ze klonk bijna klagerig, ik kan het me niet veroorloven me in een man te verliezen, niet nu.’
Elayne was zo geschokt dat ze even niets kon zeggen. Nynaeve die toegaf dat ze een dwaas geweest was? Ze keek bijna omhoog om te zien of de zon groen was geworden. ‘Het is niet Lans schuld, en dat weet je, Nynaeve,’ zei ze ten slotte. Ze onderdrukte de herinnering aan haar eigen gedachten over Rhand. Dit was niet hetzelfde. De gelegenheid was een gave van het Licht. Morgen zou Nynaeve haar zeker een oorvijg verkopen als ze zei dat Nynaeve dwaas was. ‘Sterk jezelf, Nynaeve. Gedraag je niet als een onnadenkend kind.’ Beslist geen gedachten aan Rhand. Zij had beslist niet zó erg over hem lopen dagdromen! ‘Je bent Aes Sedai, en je wordt verondersteld ons te leiden. Doe dat dan ook! En denk na!’
Nynaeve vouwde haar handen en liet zowaar haar hoofd hangen. ‘Ik zal het proberen,’ mompelde ze. ‘Echt waar. Maar je weet niet hoe het is. Ik... her spijt me.’
Elayne slikte bijna haar tong in. Na dat alles ook nog een verontschuldiging? Nynaeve beschaamd? Misschien was ze ziek. Natuurlijk duurde het niet lang. Nynaeve keek fronsend naar de angreaal en schraapte snel haar keel. ‘Je hebt er een aan Aviendha gegeven, hè?’ zei ze kortaf. ‘Nou, ik neem aan dat het bij haar wel goed zit. Jammer dat we het Zeevolk er een moeten laten gebruiken. Wedden dat ze die willen houden? Nou ja, laat ze het maar proberen! Welke is de mijne?’
Met een zucht gaf Elayne haar de armband met de ringen, en ze stampte ermee weg terwijl ze het sieraad aan haar linkerhand schoof en iedereen luid toeriep dat ze hun plaatsen moesten innemen. Het was soms moeilijk om het verschil te zien tussen een Nynaeve die leiding gaf en een Nynaeve die iedereen op de kop zat. Nou ja, als ze de leiding maar op zich nam.
De Schaal der Winden lag op de opengevouwen zijden doeken midden op de top. Het was een ondiepe, zware schotel van helder kristal, ruim twee voet in doorsnee, die aan de binnenkant was bewerkt met grote rondkringelende wolken. Het was een rijkversierd voorwerp, maar toch heel eenvoudig, als je bedacht wat de Schaal kon doen. Wat ze hoopten dat de Schaal kon doen. Nynaeve ging er vlakbij staan terwijl ze de angreaal om haar pols klikte. Ze bewoog haar hand en leek verbaasd dat de kettinkjes haar helemaal niet schenen te hinderen; het sieraad paste alsof het voor haar gemaakt was. De drie Kinsvrouwen waren er al. Kirstian en Garenia drukten zich tegen elkaar, ineengedoken achter Reannes rug, en zagen er zo mogelijk banger uit dan ooit. De windvindsters stonden nog steeds twintig pas verder achter Renaile opgesteld.
Elayne tilde haar rok op, ging naast Aviendha bij de Schaal staan en keek het Zeevolk achterdochtig aan. Waren ze van plan om moeilijkheden te maken? Juist dat had ze gevreesd, sinds voor het eerst was geopperd dat er op de boerderij geleidsters konden zijn die sterk genoeg waren om deel te nemen aan de koppeling. De Atha’an Miere stonden zo erg op hun rangen dat de zusters in de Witte Toren er kinderen bij leken. Garenia’s aanwezigheid betekende dat Renaile din Calon Blauwster, windvindster van de Vrouwe der Schepen, geen deel van de cirkel zou uitmaken. Mocht uitmaken. Renaile keek heerszuchtig naar de vrouwen rond de Schaal. Ze scheen hen te wegen en hun vermogen in te schatten. ‘Talaan din Geleyn,’ blafte ze ineens, ‘neem je plaats in!’ Het klonk als een zweepslag! Zelfs Nynaeve schrok op.
Talaan boog diep, raakte haar hart aan en snelde toen naar de Schaal. Zodra ze in beweging kwam blafte Renaile opnieuw: ‘Metarra din Junalle, neem je plaats in!’ De plompe maar stevig gebouwde Metarra volgde Talaan op de hielen. Geen van beide leerlingen was oud genoeg om wat het Zeevolk de ‘zoutnaam’ noemde, verdiend te hebben.
Toen ze eenmaal begonnen was, ratelde Renaile de namen snel af en stuurde Rainyn en twee andere windvindsters. Ze kwamen snel, zij het niet zo snel als de leerlingen. Naime en Rysael waren hoger in rang dan Rainyn, waardige vrouwen met een rustige gezagvolle houding, maar behoorlijk veel zwakker. Toen wachtte Renaile een hartslag lang, maar dat was voldoende om opgemerkt te worden: ‘Tebreille din Geleyn Zuidenwind, neem je plaats in! Caire din Geleyn Snelgolf, neem het bevel op je!’
Elayne voelde even iets van opluchting dat Renaile niet zichzelf had benoemd, maar dat duurde even lang als Renailes hartslag. Tebreille en Caire wisselden een blik voor ze naar de Schaal toe kwamen. Die van Tebreille was grimmig, die van Caire zelfgenoegzaam. Acht oorringen en een hele verzameling over elkaar hangende muntjes gaven aan dat elke windvindster de golfvrouwe van een clan diende. Slechts Renaile stond boven hen en alleen Dorile, die bij het Zeevolk op de heuveltop stond, was hun gelijke. Caire was gekleed in gele zijde met goud borduursel. Ze was iets langer dan Tebreille, met haar strenge gezicht en groenzijden brokaatwerk. Beiden waren heel knappe vrouwen, en je hoefde hun namen niet te kennen om te weten dat ze bloedzusters waren. Ze hadden dezelfde grote, bijna zware ogen, dezelfde rechte neus, dezelfde spitse kin. Caire wees zwijgend naar een plek aan haar rechterzij. Tebreille sprak niet, maar aarzelde evenmin op de plek te gaan staan die haar zuster haar had aangewezen, hoewel haar gezicht wel van steen leek. Met haar erbij vormden dertien vrouwen, bijna schouder aan schouder, een kring rond de Schaal.
Caires ogen vonkten zowat. De oogopslag van Tebreille was geladen. Elayne moest denken aan een andere zegswijze van Lini: Geen mes is scherper dan de haat van een zuster.
Caire keek bevelend de kring om de Schaal rond, die nog niet echt een cirkel was, alsof ze ieders gezicht in haar geheugen wilde prenten of haar gezag wilde doen gelden. Elayne kwam tot zichzelf, en gaf haastig de laatste angreaal, de kleine barnstenen schildpad, aan Talaan en begon uit te leggen hoe die gebruikt werd. Het was eenvoudig, maar iemand die het zonder kennis probeerde kon een lange tijd knoeien. Ze kreeg niet eens de kans om vijf woorden te spreken.
‘Stilte!’ brulde Caire. Wijdbeens en met haar getatoeëerde vuisten in haar zij hoorde ze op het dek van een schip tijdens een zeeslag. ‘Zonder mijn toestemming wordt op de post niet gepraat. Talaan, meld jezelf zodra je naar je schip bent teruggekeerd.’ Nergens was aan Caire te horen dat ze tegen haar eigen dochter sprak. Talaan boog diep, raakte haar hart aan en mompelde iets onhoorbaars. Caire snoof verachtelijk en keek verlangend naar Elayne. Ze had Elayne kennelijk ook graag bevolen zich bij iemand te melden. Vervolgens sprak ze verder met een stem die tot aan de voet van de heuvel te horen moest zijn. ‘Vandaag gaan we doen wat niet meer gedaan is sinds het Breken van de Wereld, toen onze voorouders de razende wind en de jagende golven bestreden. Door de Schaal der Winden en de genade van het Licht overleefden zij het. Vandaag gebruiken we de Schaal der Winden, die meer dan tweeduizend jaar voor ons verloren is geweest en nu is teruggekeerd. Ik heb de oude kennis bestudeerd, en de verslagen van de dagen dat onze voormoeders voor het eerst de zee en het Weven van de Winden leerden kennen, en het zout ons bloed doordrong. Alles wat bekend is van de Schaal der Winden, is mrj bekend, beter dan ieder ander.’ Haar ogen botsten op die van haar zuster met een voldane blik die Tebreille niet beantwoordde. Dat leek Caire zelfs nog meer te plezieren. ‘Wat de Aes Sedai niet kunnen, zal ik vandaag doen, als dat het Licht behaagt. Ik verwacht dat elke vrouw tot het laatst op haar post zal blijven. Ik aanvaard geen falen.’