‘Ga door met je vertoning, Nynaeve,’ beval Caire ruw. Haar donkere gezicht mocht zo glad zijn als een bevroren vijver, maar ook zij was er niet gelukkig mee.
Nynaeves lippen bewogen een paar keer voor ze enig geluid kon uitbrengen. Toen ze dat eenmaal kon, ging ze bijna ademloos verder, alsof ze bang was dat iemand anders haar zou onderbreken. Het volgende gedeelte van de les was het overgeven van de leiding over de cirkel. Ook dat moest vrijwillig gebeuren, en zelfs terwijl ze al naar Nynaeve reikte, hield Elayne haar adem in tot ze de bijna onmerkbare verandering voelde die aangaf dat zij nu de Kracht beheerste die in haar stroomde. En uiteraard die in Nynaeve stroomde. Ze was er niet zeker van geweest dat het zou werken. Nynaeve kon gemakkelijk een cirkel maken, zij het zonder enige verfijning, maar het overgeven van de leiding was ook een vorm van overgave; Nynaeve had er grote moeite mee haar beheersing op te geven of in een cirkel te worden gebracht. Net zoals ze ooit de grootste moeite had om zich aan saidar over te geven. Daarom behield Elayne nu de leiding. Die moest weer aan Caire worden overgebracht, en Nynaeve zou weleens niet in staat kunnen zijn om de leiding twee keer uit handen te geven. Die verontschuldigingen moesten haar een stuk makkelijker zijn afgegaan.
Elayne koppelde zich vervolgens met Aviendha, zodat Talaan ook echt kon zien hoe het met een angreaal gedaan werd, voor zover je dat kon zien, en het ging volmaakt. Aviendha was een vlugge leerling en ze voegde zich makkelijk in. Talaan was even snel, zo bleek; ze voegde haar nog grotere, door de angreaal versterkte stroom zonder enige moeite toe. Een voor een bracht Elayne hen de cirkel in. Ze beefde bijna door de rivier van Kracht die in haar stroomde. Geen van hen putte zoveel als ze kon, maar het werd steeds meer, vooral omdat er angrealen bij betrokken waren. Met iedere toevoeging van saidar werden Elaynes zintuigen scherper. Ze kon de zware geuren opsnuiven in de gouden filigreindoosjes om de halzen van de windvindsters en kon de ene van de andere onderscheiden. Ze kon elke vouw en kreukel in elk kledingstuk van iedereen even duidelijk onderscheiden alsof ze er met haar neus bovenop stond, duidelijker zelfs. Ze was zich bewust van de kleinste luchtstroompjes tegen haar haren en huid, strelingen die ze zonder de Kracht nooit opgemerkt zou hebben.
Dat was uiteraard niet alles waarvan ze zich bewust was. Een koppeling was verwant aan de binding met een zwaardhand, even doordringend en zelfs vertrouwelijker. Ze wist dat een kleine blaar die ze bij de beklimming van de heuvel had opgedaan, de oorzaak was van een pijnlijke plek op Nynaeves rechterhiel. Nynaeve had het altijd over stevige schoenen, maar ze had een zwak voor muiltjes met heel veel borduurwerk. Nynaeve staarde met haar armen over elkaar fronsend naar Caire. Haar vingers in de angreaal speelden met haar vlecht die over haar rechterschouder was getrokken. Alles aan haar was beheerst, maar vanbinnen was ze een draaikolk van gevoelens. Angst en zorg, blikken vooruit en ergernis, behoedzaamheid en ongeduld golfden over en door elkaar heen. Daartussen stroomden, soms stroomden ze over, kolken van warmte en hitte die van tijd tot tijd in vlammen dreigden uit te barsten. Dat laatste onderdrukte Nynaeve haastig, vooral de hitte, maar ze kwamen steeds weer terug. Elayne meende ze bijna te herkennen, maar het was net of je een glimp vanuit je ooghoek opving en alles verdween zodra je je hoofd omdraaide.
Ze was verbaasd bij Aviendha angst te voelen, al was het heel weinig en werd het sterk in bedwang gehouden, en door haar wilskracht bijna geheel onderdrukt. Garenia en Kirstian, die zichtbaar beefden, waren bijna pure doodsangst. Het was zo sterk dat het een wonder leek dat ze zelfs maar een begin hadden kunnen maken met het putten uit de Ware Bron. Wat Reanne vulde was verlangen, hoe ze ook over haar rok streek. En de Atha’an Miere... Zelfs Tebreille straalde een behoedzame waakzaamheid uit, en Elayne had de schichtige blikken van Metarra en Rainyn niet nodig om te weten dat het brandpunt Caire was, die hen allen ongeduldig en heerszuchtig gadesloeg. Elayne bewaarde haar voor het laatst, en was niet echt verrast dat ze vier pogingen moest doen – vier! – om de vrouw de cirkel in te krijgen. Wat betreft overgave kon Caire zich meten met Nynaeve. Elayne hoopte vurig dat de vrouw gekozen was omwille van haar vaardigheid, niet vanwege haar rang.
‘Ik geef de cirkel nu aan je over,’ zei ze tegen de windvindster, toen het eindelijk gedaan was. ‘Denk terug aan wat ik deed met Ny...’ De woorden bleven in haar keel steken toen tijdens haar overgave de leiding werd weggegrist. Het voelde aan alsof een plotselinge rukwind alle kleren van haar lijf blies, of de botten eruit trok. Haar adem ontsnapte luidruchtig, en als dat bijna klonk als spuwen, dan was dat maar zo.
‘Goed,’ zei Caire handenwrijvend. ‘Goed.’ ze richtte haar aandacht op de Schaal en haar hoofd draaide nu eens de ene, dan weer de andere kant op terwijl ze de Schaal bestudeerde. Nou, misschien had ze niet al haar aandacht bij de Schaal. Toen Reanne wilde gaan zitten, snauwde Caire zonder op te kijken: ‘Blijf op je post, vrouw! Dit is geen vismarkt! Blijf staan tot je te horen krijgt dat je mag bewegen!’
Reanne kwam geschrokkken met een ruk weer overeind. Ze mompelde iets binnensmonds, maar wat Caire betrof bestond Reanne niet meer. De ogen van de windvindster bleven op de vlakke kristallen vorm gericht. Elayne voelde in haar een vastberadenheid die groot genoeg was om een berg te verplaatsen. En iets anders, heel klein en snel onderdrukt. Onzekerheid. Onzekerheid? Als die vrouw na dit alles echt niet wist wat ze moest doen...
Op dat moment putte Caire een grote hoeveelheid saidar. Het vloeide door Elayne, bijna zoveel als ze verdragen kon. Een ononderbroken vurige lichtkring kwam tot stand en verbond de vrouwen in de cirkel. Het licht was helderder waar een angreaal gebruikt werd, maar nergens zwak. Ze keek scherp toe toen Caire geleidde en een ingewikkelde weving van de Vijf Krachten vormde. Het was een vierpuntige ster die ze met buitengewone nauwkeurigheid – dat leek Elayne aan te voelen – boven op de Schaal plaatste. De ster raakte de Schaal en Elayne snakte naar lucht. Ooit had ze een dun stroompje in de Schaal geleid – al was dat in Tel’aran’rhiod, en slechts in een afspiegeling ervan, wat nog steeds heel gevaarlijk was – en toen was het heldere kristal omgeslagen in bleekblauw en hadden de in glas uitgekerfde wolken bewogen. Maar nu was de Schaal der Winden blauw, het heldere blauw van een zomerlucht, en er dreven schapenwolkjes doorheen.
De vierpuntige ster werd een vijfpuntige, de samenstelling van de weving veranderde iets, en de Schaal werd een groene zee met grote, hoog oprijzende golven. De vijf punten werden er zes, en er verscheen een andere lucht, van een soort blauw, donkerder, misschien winters, met purperen wolken vol regen of sneeuw. Zeven punten, en een grijsgroene zee raasde in een storm. Acht punten en lucht. Negen, zee, en plotseling voelde Elayne hoe de Schaal zelf saidar aantrok, een wilde stroom die veel groter was dan de hele cirkel samen kon opbrengen.
De veranderingen in de Schaal bleven doorgaan, van zee naar lucht, van golven naar wolken, maar vanuit die vlakke kristallen schijf schoot een tollende zuil van saidar omhoog, Vuur en Lucht, Water en Aarde en Geest. Een zuil van het fijnste kantwerk en zo breed als de Schaal klom omhoog, hoger en hoger, tot de bovenkant uit het zicht verdween. Caire ging door met haar weving terwijl het zweet van haar gezicht droop; het leek of ze alleen even stopte om de zilte druppels van haar ogen weg te vegen terwijl ze naar de beelden in de Schaal bleef kijken, waarna ze er een nieuwe weving op legde. Het patroon van het vlechtwerk in de omvangrijke zuil veranderde met elke weving en weerspiegelde op sierlijke wijze wat Caire weefde. Elayne besefte dat het heel goed was dat Caire zelf de stromen van deze cirkel had willen richten. Wat die vrouw deed, vergde jaren meer studie dan zij erop had zitten. Vele jaren meer. Ineens besefte ze nog iets. Dat steeds veranderende netwerk van saidar boog zich om iets anders heen, iets onzichtbaars dat de zuil massief maakte. Ze slikte, hard. De Schaal trok zowel saidin als saidar aan. Haar hoop dat niemand anders dat zou ontdekken, verdween na een blik op de andere vrouwen. De helft staarde naar de zuil met een afkeer die voor de Duistere zelf bewaard hoorde te worden. Temidden van de gemoedsstromen die ze in haar hoofd deelde, groeide de angst. Sommigen waren bijna even bang als Garenia en Kirstian – het was een wonder dat die twee niet flauwvielen. Nynaeve was maar een haartje verwijderd van overgeven, al liet haar ineens veel te gladde gezicht daar niets van blijken. Aviendha leek aan de buitenkant al even kalm te zijn, maar binnenin huiverde ze van angst, die nog klein was maar dreigde te groeien.