Van Caire kwam slechts stalen vastberadenheid, even hard als haar gezichtsuitdrukking. Niets zou haar in de weg staan, zeker niet het door de Schaduw besmeurde saidin dat met haar weving werd vervlochten. Niets zou haar tegenhouden. Ze vlocht de stromen, en plotseling ontsproten spinnenwebben van saidar aan de onzichtbare top van de zuil, als de ongelijke spaken van een rad. Het zuidelijke deel was bijna een massieve waaier, terwijl dunnere waaiers naar het noorden en het noordwesten reikten. Enkele kantdunne spaken strekten zich naar andere richtingen uit. Onder het groeien veranderden ze, ze verschilden van tel tot tel, verspreidden zich over de hemel, verder en verder, tot de uiteinden van het patroon uit het zicht verdwenen. Elayne was er zeker van dat het ook daar niet uitsluitend saidar betrof. Op sommige plekken raakte het spinnenweb iets anders, golfde het eromheen, maar waaromheen kon ze niet zien. Caire bleef weven, en de zuil van saidar en saidin danste op haar wens. Het spinnenweb veranderde en stroomde als een vervormde veelhoek over de lengte en de breedte van het zwerk, het verdween in de verte en ging verder en verder.
Zonder enige waarschuwing richtte Caire zich op, duwde haar vuisten in haar rug en liet de Ware Bron helemaal los. Zuil en spinnenweb losten op, en ze zakte ineen en ging zwaar hijgend zitten. De Schaal werd weer helder, maar kleine vlammetjes saidar schoten vanaf de rand knetterend omhoog. ‘Het is volbracht, als dat het Licht behaagt,’ zei ze vermoeid.
Elayne hoorde het maar nauwelijks. Dat was niét de manier om een cirkel te beëindigen. Toen Caire de Ene Kracht losliet, verdween deze gelijktijdig uit elke vrouw. Elaynes ogen knipperden. Het had geleken alsof ze boven op de hoogste toren ter wereld stond, en opeens was die toren verdwenen! Het was in een oogwenk gebeurd, maar desondanks heel onplezierig. Ze voelde zich vermoeid, zij het lang niet zo vermoeid als wanneer ze meer zou hebben gedaan dan slechts als kanaal voor geleiding te dienen. Maar ze voelde voornamelijk verlies. Saidar loslaten was al erg genoeg; om het gewoon uit je te laten verdwijnen ging je verbeelding te boven. Anderen waren er veel slechter aan toe dan zijzelf. Toen de gloed die de cirkel verbond uitdoofde, plofte Nynaeve neer alsof haar benen waren weggesmolten. Ze hijgde, streek over de armband-met-ringen en staarde ernaar. Het zweet droop van haar gezicht, ik voel me als een keukenzeef waar een hele graanmolen door gegoten is,’ mompelde ze. Het dragen van zoveel Kracht had een prijs, zelfs al deed je niets, ook al had je een angreaal.
Talaan zwaaide als een rietstengel in de wind heen en weer en wierp verstolen blikken op haar moeder. Ze was duidelijk bang om te gaan zitten. Aviendha stond rechtop, en haar starre gezichtsuitdrukking gaf aan dat ze voornamelijk door wilskracht overeind bleef. Maar toen glimlachte ze even en maakte een gebaar in de handtaai van de Speervrouwen – de prijs waard – en toen nog een – meer dan – er gelijk achteraan. Meer dan de prijs waard. Iedereen zag er vermoeid uit, maar niet zo erg als de drie met een angreaal. Ten slotte viel de Schaal der Winden stil. Het was gewoon weer een wijde schaal van helder kristal, maar nu versierd met hoge golven. Toch leek er nog saidar aanwezig te zijn, onbeheerst, onzichtbaar, in nauwelijks voelbare flitsen, zoals aan het eind rond de Schaal hadden gespeeld. Nynaeve hief haar hoofd op, keek kwaad naar de wolkeloze hemel en richtte haar blikken toen op Caire. ‘Dit alles, en voor wat? Hebben we iets bereikt of niet?’ Een zuchtje wind speelde over de heuveltop, zo warm als de lucht in een keuken.
De windvindster worstelde zich overeind. ‘Denk je dat het Weven van de Winden hetzelfde is als het roer van een springer omgooien?’ zei ze verachtelijk, ik heb net het roer van een zoever omgelegd met een helmstok die zo breed is als de hele wereld! Het kost tijd om het schip te keren, tijd om hem te laten weten dat hij geacht wordt te keren! Dat hij móét keren. Maar als dat gebeurt, zal zelfs de Vader der Stormen niet in staat zijn hem iets in de weg te leggen. Ik heb het gedaan, Aes Sedai, en de Schaal der Winden is van ons!’ Renaile kwam de cirkel in en knielde naast de Schaal. Zorgvuldig vouwde zij de witte zijde eromheen, ik zal dit meenemen naar de Vrouwe der Schepen,’ zei ze tegen Nynaeve. ‘Wij hebben ons deel van de overeenkomst vervuld. Nu moeten jullie, Aes Sedai, jullie aandeel leveren.’ Merilille maakte een geluid in haar keel, maar toen Elayne opkeek leek de Grijze zuster een toonbeeld van waardigheid.
‘Misschien hebben jullie je aandeel geleverd,’ zei Nynaeve, moeizaam overeind komend. ‘Misschien. We zullen zien wanneer die... zoever van jou keert. Als dat gebeurt!’ Renaile staarde haar met een harde blik over de Schaal heen aan, maar Nynaeve sloeg er geen acht op. ‘Vreemd,’ mompelde ze, en ze wreef over haar slapen. De armband-met-ringen bleef in haar haren hangen en ze vertrok haar gezicht, ik kan bijna een weerkaatsing van saidar voelen. Het moet door dit ding komen!’
‘Nee,’ zei Elayne langzaam, ‘ik kan het ook voelen.’ Niet het vage knetteren in de lucht, ook niet echt een weerkaatsing, meer de schaduw ervan, zo vaag. Alsof ze iemand saidar voelde gebruiken op grote... Ze draaide zich om. Aan de zuidelijke einder flitste de bliksem door de blauwe middaglucht, tientallen heldere zilverblauwe schichten. Heel dicht bij Ebo Dar.
‘Een regenstorm?’ zei Sareitha gretig. ‘Het weer moet zichzelf nu al aan het herstellen zijn.’ Maar er waren geen wolken in de lucht, zelfs niet waar de bliksemflitsen vorkten en insloegen. Sareitha was niet sterk genoeg om van deze afstand het gebruik van saidar op te merken.
Elayne huiverde. Zijzelf was ook niet sterk genoeg. Tenzij iemand evenveel gebruikte als zij op deze heuveltop gedaan hadden. Vijftig, of zelfs honderd Aes Sedai die allemaal tegelijk geleidden. Of... ‘Toch niet een van de Verzakers?’ mompelde ze. Achter haar kreunde iemand.
‘Een geleider alleen zou dat niet kunnen,’ zei Nynaeve kalm. ‘Misschien hebben zij ons niet gevoeld zoals wij hen voelen. Maar ze moeten het gezien hebben, tenzij ze allemaal blind zijn. Het Licht verbrande ons fortuin!’ Kalm of niet, ze was opgewonden; gewoonlijk berispte ze Elayne als ze dat soort taal gebruikte. ‘Neem iedereen mee die met jou naar Andor wil gaan, Elayne. Ik... ik zie je daar. Mart is in de stad. Ik moet hem terughalen. Dat vervloekte joch! Hij is voor mij meegekomen, ik moet hem gaan halen.’
Elayne sloeg haar armen om zich heen en haalde diep adem. Ze zou koningin Tylin aan de genade van het Licht overlaten; zo mogelijk zou Tylin het overleven. Mart Cauton evenwel... Haar eigen, zeer bijzondere onderdaan; haar meest onverwachte redder. Hij was ook voor haar gekomen en had meer aangeboden. En Thom Merrilin; lieve Thom, van wie ze soms nog hoopte dat hij haar echte vader was. Het Licht mocht branden om wat dat van haar moeder maakte. En de jongen, Olver, en Chel Vanin, en... Ze moest denken als een koningin. De Rozenkroon is zwaarder dan een berg, had haar moeder haar gezegd, en de verplichtingen zullen je doen huilen, maar je moet ze dragen en doen wat gedaan moet worden.
‘Nee,’ zei ze, en toen beslister: ‘Nee! Kijk naar jezelf, Nynaeve; je kunt nauwelijks staan. Zelfs als we allemaal gaan, wat kunnen we dan doen? Hoeveel Verzakers zullen er zijn? We zouden sterven, en erger nog, zonder iets te winnen. De Verzakers hebben geen reden om Mart of de anderen te zoeken. Ze zitten achter ons aan.’ Nynaeve keek haar met open mond aan. Koppige Nynaeve, bij wie het zweet van het gezicht liep en die op haar benen stond te zwaaien. Geweldige, dappere, dwaze Nynaeve. ‘Bedoel je dat we hem moeten achterlaten, Elayne? Aviendha, zeg wat tegen haar. Noem die eer waar jullie het altijd over hebben!’