Aviendha aarzelde en schudde toen haar hoofd. Ze was bijna even bezweet als Nynaeve, en aan haar manier van bewegen te zien net zo vermoeid. ‘Er zijn tijden dat men zonder hoop moet vechten, Nynaeve, maar Elayne heeft gelijk. De Schaduwzielen zullen niet op zoek gaan naar Mart Cauton. Ze jagen op ons en op de Schaal. Hij kan de stad al verlaten hebben. Als we gaan, riskeren we dat zij het voorwerp buitmaken waarmee alles wat wij zojuist hebben gedaan, weer ongedaan gemaakt kan worden. Waar we de Schaal ook heen sturen, zij zullen ons dwingen te zeggen aan wie we de Schaal hebben gegeven en waar die heen is.’
Nynaeves gezicht vertrok van pijn. Elayne stak haar armen uit om haar te omarmen.
‘Schaduwgebroed!’ krijste iemand, en plotseling omhelsden vrouwen her en der op de heuveltop saidar. Uit de handen van Merilille, Careane en Sareitha schoten vuurbollen, zo snel als ze die konden werpen. Uit de lucht tuimelde een enorme, gevleugelde schaduw in vlammen omlaag. Hij maakte een spoor van vettige zwarte rook en viel vlak achter de heuvel neer.
‘Daar is er nog een!’ riep Kirstian wijzend. Een tweede gevleugeld wezen dook bij de heuvel weg. Het lijf was zo groot als van een paard, en de geribbelde vleugels hadden een spanwijdte van dertig pas of meer. De lange nek was gestrekt en een nog langere staart zwiepte erachteraan. Twee gestalten zaten ineengedoken op de rug. Een vuurstorm achtervolgde het wezen, het snelst van Aviendha en het Zeevolk, die bij hun weving geen werpgebaar maakten. Het was een hagel van Vuur, zo dik dat het zichzelf uit lucht leek te hebben gevormd. Het ding dook achter de heuvel aan de andere kant van de boerderij en scheen te verdwijnen.
‘Hebben we het gedood?’ vroeg Sareitha. Haar ogen schitterden, en ze ademde luidruchtig en opgewonden.
‘Hebben we het zelfs maar geraakt?’ gromde een van de Atha’an Miere vol afkeer.
‘Schaduwgebroed,’ mompelde Merilille verbaasd. ‘Hier! Dat bewijst in ieder geval dat er Verzakers in Ebo Dar zijn.’
‘Geen Schaduwgebroed,’ zei Elayne met holle stem. Nynaeves gezicht stond gekweld; ook zij wist het. ‘Ze noemen het een raken. Het zijn de Seanchanen. We moeten vertrekken, Nynaeve, en iedere vrouw uit de boerderij moet mee. Of we dat ding gedood hebben of niet, er zullen er meer komen. Iedereen die we hier achterlaten, draagt morgenochtend een damanelijn.’ Nynaeve knikte, langzaam en smartelijk. Elayne hoorde haar mompelen: ‘O, Mart.’ Renaile schreed naar voren met de Schaal in haar armen, die wederom in zijn witte omhulsel was gewikkeld. ‘Sommige van onze schepen zijn verwikkeld geweest in gevechten met deze Seanchanen. Als ze in Ebo Dar zijn, dan zijn de schepen de zee op. Mijn schip vecht voor zijn leven, en ik sta niet aan dek! We gaan nu!’ En ze vormde de weving om ter plekke een poort te maken. Het werd uiteraard een verwarde en onbruikbare weving, die kort en fel opvlamde maar toen instortte. Desondanks slaakte Elayne een gilletje. Hier, midden tussen hen in! ‘Jij gaat helemaal niet weg, tenzij je hier lang genoeg blijft om deze heuveltop door en door te kennen!’ snauwde ze. Ze hoopte dat de vrouwen uit de cirkel deze weving niet zouden proberen. De snelste manier om een plek te leren kennen was door saidar te omhelzen. Zij had hier een Poort kunnen weven, en dat gold waarschijnlijk ook voor hen. ‘Jij gaat niet naar een bewegend schip, van welke plek dan ook! Ik geloof niet eens dat dat mogelijk is!’ Merilille knikte, maar dat zei niets; Aes Sedai namen zeer veel dingen voor waar aan, en sommige daarvan waren dat ook. Hoe dan ook, als het Zeevolk maar geloofde dat het bewezen was. De afgetobde en starende Nynaeve was niet in staat om nu leiding te geven, dus ging Elayne verder. Ze hoopte dat ze haar moeders nagedachtenis eer aandeed. ‘Maar bovenal gaan jullie nergens naartoe, behalve met ons, want de overeenkomst is niet voltooid; de Schaal der Winden is niet van jou tot het weer ten goede is veranderd.’ Dat was niet geheel waar, tenzij je de woorden van de overeenkomst een beetje verdraaide, en Renaile wilde al wat zeggen. Maar Elayne ploegde door: ‘En ook omdat je met Martrim Cauton, mijn onderdaan, een overeenkomst hebt gesloten. Je gaat naar de plaats van mijn keuze, vrijwillig of vastgebonden op een pakzadel. Dat was | de afspraak die je hebt gemaakt. Ga dus deze heuvel af, Renaile din Calon Blauwster, voor de Seanchanen met een leger en een paar honderd geleidsters op ons neerdalen. Zij zouden niets liever doen dan ons beteugelen. Nu! Hollen!’ Tot haar verbijstering holden ze.
6
Draden
Natuurlijk rende Elayne zelf ook weg, waarbij ze haar rokken optilde en snel aan kop ging op het uitgesleten pad. Alleen Aviendha hield haar bij, hoewel ze niet scheen te weten hoe ze in rokken moest rennen, al was het een rijrok. Anders was ze, vermoeid of niet, Elayne zonder meer voorbijgerend. De rest vormde een langgerekte rij op het nauwe kronkelpad. Geen van de Atha’an Miere zou zich voorbij Reanne wagen, en ondanks haar zijden broek kwam die, met de Schaal tegen haar borst geperst, niet erg snel vooruit. Nynaeve had niet zulke remmingen; zij rende al werkend met haar ellebogen hard naar voren en schreeuwde dat de mensen opzij moesten gaan als ze tegen hen op botste, of het nu windvindsters, Kinsvrouwen of Aes Sedai waren.
Elayne nam de weg met grote sprongen, struikelde maar wist zich overeind te houden, en ondanks de haast had ze willen lachen. Lini en haar moeder hadden haar ondanks de gevaren vanaf haar twaalfde aangemoedigd om hard te lopen en in bomen te klimmen, maar het was niet alleen het uitbundige plezier om weer eens hard te rennen dat de verrukking als belletjes vanuit haar middenrif op deed stijgen. Ze had zich gedragen zoals een koningin zich hoorde te gedragen, en het had precies zo uitgewerkt als het had moeten zijn! Ze had de leiding genomen om mensen uit het gevaar te halen, en zij waren haar gevolgd\ Haar hele leven was hiervoor een oefening geweest. Het was de voldoening daarover die haar deed lachen, en de warme gloed van trots scheen uit haar huid te willen springen als de gloed van saidar.
Ze kwam de laatste bocht uit en rende over het laatste rechte stuk naast een van de grote, witgepleisterde schuren. En haar teen bleef achter een bijna begraven steen haken. Ze dook scherp en met armen als molenwieken naar voren en tolde plotseling door de lucht. Het ging zo snel dat ze zelfs geen tijd had om te gillen. Met een bons die haar tanden deed klapperen en haar de adem benam, belandde ze aan het begin van het pad, aan de voeten van Birgitte. Even kon ze zelfs niet denken, en toen ze weer op verhaal kwam, was er weinig voldoening over. Daar ging haar koninklijke waardigheid. Ze veegde haar haren uit haar gezicht en probeerde op adem te komen terwijl ze wachtte op Birgittes snijdende aanmerkingen. Dit was haar kans om ongenadig de oudere en wijzere zuster te spelen, en ze liet zelden zo’n gelegenheid voorbijgaan.
Tot Elaynes verbazing trok Birgitte haar overeind voordat Aviendha haar kon bereiken, en zonder zelfs maar een vage grijns, zoals op Aviendha’s gezicht. Alles wat Elayne van haar zwaardhand kon voelen was een gevoel van... sterke aandacht; ze bedacht dat een aangelegde pijl ook zo zou aanvoelen. ‘Vluchten we of vechten we?’ vroeg Birgitte. ik herkende die Seanchaanse vliegers van Falme, en eerlijk gezegd stel ik voor om ervandoor te gaan. Vandaag is mijn boog van de gewone soort.’ Aviendha keek nadenkend en Elayne zuchtte; Birgitte moest toch echt leren haar tong in bedwang te houden als ze werkelijk wilde verbergen wie ze was. ‘Natuurlijk gaan we ervandoor,’ hijgde Nynaeve, terwijl ze moeizaam het laatste stuk van het pad aflegde. ‘Vechten of vluchten! Dwaze vraag! Denk je dat we... Licht! Wat doen ze daar?’ Haar stem werd hoger en hoger. ‘Alise, Alise, waar ben je? Alise? Alise!’ Met een schok besefte Elayne dat de boerderij evenzeer in opschudding was als toen Careanes gezicht herkend werd. Misschien nog wel erger. Momenteel waren er honderdzevenenveertig Kinsvrouwen ter plekke, had Alise gezegd, onder wie vierenvijftig Wijzevrouwen met hun rode riemen, die hier een aantal dagen geleden naartoe waren gestuurd, en nog een stel anderen op doorreis. Nu leek het erop dat iedere Wijzevrouw van hot naar her rende, en het merendeel van de andere vrouwen eveneens. De meeste dienaren van het Tarasinpaleis in hun groen-witte livreien vlogen alle kanten op met hun lasten. Eenden en kippen stoven fladderend en kwakend door het tumult en voegden het nodige aan de verwarring toe. Elayne zag zelfs een zwaardhand, Vandenes grijze Jaem, voorbijlopen met zijn armen om een grote jutezak!