Alise verscheen alsof ze uit de lucht kwam vallen, kalm en beheerst, ondanks het zweet op haar gezicht. Elk haartje zat op zijn plaats en haar kleding zag eruit alsof ze niet meer dan een wandelingetje aan het maken was. ‘Het is niet nodig om zo te krijsen,’ zei ze rustig, en ze plantte haar handen in haar zij. ‘Birgitte heeft me verteld wat die grote vogels waren, en ik dacht dat we maar beter vroeger dan later konden vertrekken, vooral toen jullie met z’n allen van de heuvel kwamen daveren alsof de Duistere jullie op de hielen zat. Ik heb iedereen opgedragen een jurk, drie stuks ondergoed en sokken mee te nemen, en zeep, naaimandjes en al het geld dat ze hebben. Alleen dat, niet meer. De tien die als laatsten klaar zijn, moeten afwassen tot we op onze bestemming aankomen, dat zal ze leren opschieten. Ik heb de dienaren bevolen dat ze zoveel mogelijk voedsel moeten verzamelen, voor het geval dat. En jullie zwaardhanden. Verstandige kerels, de meeste van hen. Verrassend verstandig, voor mannen. Verandert er iets bij hen als ze zwaardhand worden?’ Nynaeve stond daar met openvallende mond. Ze was klaar geweest om bevelen te geven die niet meer nodig waren. Gevoelens gleden te snel over haar gezicht heen om ze allemaal te kunnen ontwaren. ‘Heel goed,’ mompelde ze ten slotte. En zuur. Plotseling klaarde haar gezicht op. ‘De vrouwen die niet van de Kinne zijn. Ja! Ze moeten...’
‘Bedaar,’ onderbrak Alise haar met een kalmerend gebaar. ‘De meesten zijn al vertrokken. Vooral degenen met mannen of gezinnen waar ze zich zorgen over maken. Die had ik toch niet kunnen tegenhouden, als ik dat gewild had. Maar een dertigtal of zo geloven dat die vogels echt Schaduwgebroed zijn, en willen zo dicht mogelijk bij de Aes Sedai blijven.’ Een scherp gesnuif zei wat ze daarvan dacht. ‘Nou, verman jezelf. Drink wat koel water, maar niet te snel. Plens wat over je gezicht. Ik moet de zaken in de gaten houden.’ Alise wierp een blik op de drukte en iedereen die rondrende, en schudde haar hoofd. ‘Sommigen zouden zelfs nog lanterfanten als er Trolloks over de heuvel kwamen en de meeste edelvrouwes zullen nooit echt aan onze regels wennen. Voor we gaan zal ik er zeker twee of drie op moeten wijzen.’ Met die woorden waadde ze kalmpjes terug in de drukte van het erf en liet Nynaeve met open mond staan. ‘Wel,’ zei Elayne, en ze klopte haar rokken af, ‘je zei al dat ze heel bekwaam was.’
‘Dat zei ik niet,’ snauwde Nynaeve. ik heb nooit gezegd dat ze heel bekwaam was. Hmmmpf! Waar is mijn hoed gebleven? Denkt dat ze alles weet. Ik wed dat ze dat niet weet!’ Ze stoof de andere kant op.
Elayne staarde haar na. Haar hoed? Ze had graag willen weten waar haar eigen hoed gebleven was – het was een mooie – maar nu? Misschien had dat werken met zoveel van de Kracht en het gebruik van een angreaal in een cirkel, Nynaeve wat in de war gemaakt. Ze voelde zichzelf ook een beetje vreemd, alsof ze overal kleine stukjes saidar uit de lucht kon plukken. Hoe dan ook, ze had andere zaken waarom ze zich nu moest bekommeren. Zoals zich gereedmaken om weg te komen voordat de Seanchanen hen zouden overvallen. Van wat ze in Falme had gezien, zouden ze best een honderdtal damane kunnen aanvoeren, of meer. En als ze dacht aan het weinige dat Egwene over haar gevangenschap had willen zeggen, zouden de meeste van die vrouwen maar al te bereid zijn om te helpen anderen te strikken. Ze had gezegd dat wat haar het meeste had aangegrepen, de aanblik was geweest van damane uit Seanchan die samen met hun sul’dam hadden gelachen en hen vleiden en met hen speelden; goed geoefende honden met hun geliefde eigenaars. Egwene had gezegd dat een paar in Falme gevangen vrouwen ook zo waren geworden. Het deed Elaynes bloed verkillen. Ze zou eerder sterven dan zich die halsband te laten omleggen! En ze zou de Verzakers nog liever hun vondsten geven dan in handen van de Seanchanen te vallen. Ze rende naar de put toe met Aviendha aan haar zijde, die bijna even luidruchtig ademde als zijzelf.
Maar Alise scheen echt aan alles gedacht te hebben. De ter’angrealen waren al op de pakpaarden gestouwd. De nog niet onderzochte manden zaten vol met door elkaar liggende rommel – het Licht mocht weten wat – maar de manden die Aviendha en zij geleegd hadden puilden nu uit door grove zakken, vol meel en zout, bonen en linzen. Een handvol stalknechten zorgde voor de pakpaarden in plaats van dat ze met hun armen vol overal heen renden. Zonder twijfel op bevel van Alise. Zelfs Birgitte liep op verzoek van die vrouw te draven, met niet meer dan een spijtige grijns! Elayne tilde het zeildoek op om de ter’angrealen te bestuderen zonder ze eruit te halen. Alles scheen er te zijn, een beetje door elkaar heen geraakt, in twee manden. Er was niet genoeg om ze helemaal te vullen, maar er was niets gebroken. Niet dat iets anders dan de Ene Kracht de meeste ter’angrealen kon breken, maar toch... Aviendha ging in kleermakerszit op de grond zitten en veegde met een grote, linnen zakdoek het zweet van haar gezicht. Die paste helemaal niet bij haar mooie zijden rijkleding. Zelfs zij begon tekenen van vermoeidheid te tonen. ‘Wat zit je te brommen, Elayne? Je klinkt net als Nynaeve. Dat mens van Alise heeft ons alleen maar de moeite bespaard om die dingen zelf in te pakken.’
Elayne kleurde een beetje. Ze had niets hardop willen zeggen, ik wil gewoon niet dat deze dingen worden aangeraakt door mensen die niet weten wat ze kunnen aanrichten, Aviendha.’ Sommige ter’angrealen konden zelfs bij niet-geleidsters afgaan als die iets verkeerd deden, maar eigenlijk wilde ze gewoon niemand de ter’angrealen laten aanraken. Ze waren van haar! De Zaal zou deze niét aan een andere zuster overhandigen omdat die ouder en meer ervaren was. Of ze verbergen omdat de studie ervan te gevaarlijk was. Met zoveel voorbeelden zou ze er misschien eindelijk achter kunnen komen hoe ze ter’angrealen kon maken die altijd werkten; er waren veel te veel mislukkingen en half geslaagde pogingen geweest. ‘Ze hebben iemand nodig die weet wat ze doet,’ zei ze, en bond het stugge zeildoek weer op zijn plaats.
Uit de chaos begon sneller orde te verschijnen dan Elayne verwacht had, zij het niet zo snel als ze zou willen. Ze moest natuurlijk met tegenzin bekennen dat niets wat langzamer ging dan onmiddellijk haar wensen had kunnen vervullen. Ze kon haar ogen niet van de hemel afhouden en stuurde Careane terug de heuvel op om uit te kijken in de richting van Ebo Dar. De Groene zuster bromde wat binnensmonds voordat ze een knix maakte. Ze keek zelfs nadrukkelijk naar de rondrennende Kinsvrouwen, alsof ze op het punt stond te opperen om een van hen te gebruiken, maar Elayne wilde iemand hebben die niet zou flauwvallen bij het zien van naderend ‘Schaduwgebroed’, en Careane had onder de zusters de laagste rang. Adeleas en Vandene brachten Ispan tussen hen in naar buiten, stevig afgeschermd en met de leren zak weer om haar hoofd. Ze liep vrij gemakkelijk en er was niet te zien dat haar iets was aangedaan, behalve... Behalve dat Ispan haar handen voor haar middel gevouwen hield en niet eens probeerde om de zak op te tillen voor een blik, en toen ze in het zadel werd geholpen stak ze ongevraagd haar polsen uit om aan de zadelknop gebonden te worden. Als ze zo meegaand was, hadden ze misschien iets van haar opgestoken. Elayne wilde er maar liever niet aan denken hoe dat bereikt was. Natuurlijk waren er... opstoppingen, min of meer, zelfs met wat er op hen af kon stormen. Wat beslist op hen af kwam stormen. Dat Nynaeve haar hoed terugkreeg, was niet echt een verstoring, hoewel het er bijna een werd; Alise had hem gevonden en aan Nynaeve teruggegeven en haar gezegd dat ze haar gezicht tegen de zon moest beschermen als ze die gladde, fraaie huid wilde behouden. Een verbijsterde Nynaeve keek toe hoe de vrouw zich weghaastte om een van de vele kleine moeilijkheden af te handelen, en schoof de hoed toen opzichtig onder een riem van een van de zadeltassen. Al vanaf het begin wenste Nynaeve zelf de echte verstoringen op te lossen, maar Alise was er bijna altijd het eerste bij, en waar Alise een opstopping tegenkwam loste die zichzelf op. Verscheidene edelvrouwes eisten hulp bij het inpakken van hun eigendommen, om slechts in niet mis te verstane bewoordingen te horen dat Alise meende wat ze zei, en dat als ze niet opschoten, ze konden vertrekken in wat ze nu aan hadden. Ze schoten op. Er waren er een paar, en niet alleen edelvrouwes, die van gedachten veranderden toen ze hoorden dat Andor hun bestemming was. Zij werden letterlijk de weg op gejaagd.