Te voet. Ze kregen het bevel heel hard weg te rennen, tot ze niet meer konden. Elk paard was nodig, maar ze moesten een flink eind weg zijn voor de Seanchanen kwamen; men kon op zijn minst verwachten dat ze iedereen in de buurt van de boerderij zouden ondervragen. Nynaeve begon tegen Renaile op te spelen over de Schaal en over de schildpad die Talaan had gebruikt, welke Renaile kennelijk achter haar buikband had gestoken. Maar ze waren nog maar nauwelijks bij het punt beland waar er met vuisten geschud werd, toen Alise opdook. In minder dan geen tijd had Sareitha weer de zorg over de Schaal en Merilille die over de schildpad. Waarop Elayne vergast werd op het schouwspel van Alise die haar vinger onder de neus van de verbijsterde windvindster van de Vrouwe der Schepen van de Atha’an Miere zwaaide en haar de les las over diefstal, wat Renaile verontwaardigd sputterend achterliet. Nynaeve mopperde ook nog wat en stampte met lege handen weg, maar Elayne dacht dat ze nog nooit iemand gezien had die er zo terneergeslagen uitzag. Maar alles bij elkaar had het niet lang geduurd. De vrouwen die op de boerderij gebleven waren, werden verzameld onder de waakzame blikken van de Weefkring – en die van Alise, die zorgvuldig bijhield wie de laatste tien waren. Op twee na droegen deze allemaal geborduurde zijden kleren, welke niet veel verschilden van die van Elayne. Zeker geen Kinsvrouwen. Elayne geloofde beslist dat ze wel degelijk de afwas zouden doen; Alise liet zich niet weerhouden door zoiets onbeduidends als edele geboorte. De windvindsters schaarden zich met hun paarden in de stoet en waren verrassend stil, behalve Renaile die verwensingen mompelde wanneer ze Alise maar zag. Careane werd van de heuveltop teruggeroepen. De zwaardhanden brachten de zusters hun paarden. Bijna iedereen hield een oog op de lucht, en de gloed van saidar speelde rond alle oudere Aes Sedai en de meeste windvindsters. En om sommige vrouwen van de Kinne. Nynaeve stuurde haar merrie naar de kop van de stoet bij de put. Ze speelde met de angreaal die nog steeds aan haar hand zat, alsof zij degene zou zijn die de poort zou maken, hoe belachelijk die gedachte ook was. Om maar iets te noemen, hoewel ze haar gezicht gewassen had en, vreemd genoeg, haar hoed had opgezet, wankelde ze nog steeds als haar zelfbeheersing haar ontglipte. Lan leek zowat aan haar schouder vastgeplakt. Zijn gezicht was als altijd uit steen gehouwen, maar als er ooit een man had klaargestaan om een vrouw op te vangen als ze zou vallen, was hij het wel. Zelfs met de armband-met-ringen zou Nynaeve weleens niet in staat kunnen zijn om een poort te weven. Belangrijker nog, ze had sinds hun allereerste aankomst op de boerderij steeds heen en weer lopen rennen; Elayne had heel wat tijd besteed aan het vasthouden van saidar, net op de plek waar ze nu stonden. Zij kende die plek. Nynaeve keek gemelijk toe toen Elayne de Bron omhelsde, maar ze was verstandig genoeg om niets te zeggen.
Al meteen wenste Elayne dat ze Aviendha gevraagd had om het beeldje van de in haar eigen haar gewikkelde vrouw; ook zij was vermoeid, en alle saidar die ze kon putten was nauwelijks genoeg om een werkzame weving te vormen. De stromen golfden in haar greep heen en weer en het was bijna alsof ze zich wilden losmaken, maar ze klapten toen zo snel op hun plaats dat ze opschrok. Geleiden als je moe was, leek helemaal niet op andere tijden, maar deze keer was erger dan ooit. De bekende, rechtopstaande spleet verscheen tenminste zoals het hoorde, en verwijdde zich tot een opening vlak naast de put. Een opening die niet groter was dan Aviendha had gemaakt, maar Elayne was dankbaar dat die groot genoeg was om een paard door te laten. Op het laatst was ze niet meer zeker geweest of dat zo zou zijn. Vanuit de Kinsvrouwen kwam gehijg, toen ze plotseling een bergweide zagen tussen hen en de bekende grijze massa van de put. ‘Je had het mij moeten laten proberen,’ zei Nynaeve zacht. Zacht, maar toch scherp. ‘Je liet het bijna helemaal mislukken.’ Aviendha gaf Nynaeve een vlakke blik, die Elayne bijna naar haar arm deed grijpen. Hoe langer ze naastzusters bleven, hoe meer ze scheen te denken dat ze Elaynes eer moest verdedigen; als ze eerstzusters werden, zag Elayne al aankomen dat ze Aviendha helemaal moest weghouden bij Nynaeve en Birgitte!
‘Het is gedaan, Nynaeve,’ zei ze snel. ‘Daar gaat het om.’ Nynaeve schonk haar een vlakke blik en bromde iets over aangebrand, alsof het Elayne was die haar geërgerde kant liet zien. Birgitte was de eerste die erdoorheen ging, onbeschaamd naar Lan grijnzend. Ze stuurde haar paard door de poort heen met haar boog gereed in de andere hand. Elayne kon een gretigheid in haar ontwaren, iets van tevredenheid misschien, omdat zij deze keer aan kop ging in plaats van Lan – er was altijd iets van wedijver tussen de zwaardhanden – en een klein beetje behoedzaamheid. Een heel klein beetje. Elayne kende dat weiland goed; Garet Brin had haar hier vlakbij leren rijden. Een span of vijf voorbij de eerste, met spaarzame bomen beklede heuvels lag het herenhuis van een van haar moeders landgoederen. Haar landgoederen; ze kon er maar beter aan wennen. De zeven gezinnen die voor het huis en de grond zorgden waren de enige mensen in de wi|de omtrek.
Elayne had deze bestemming gekozen omdat ze van hieruit Caemlin in twee weken konden bereiken. En omdat het landgoed zo afgezonderd lag, zou ze Caemlin kunnen betreden voordat iemand waar wist dat ze in Andor was. Dat kon een zeer noodzakelijke voorzorgsmaatregel zijn; in het verleden waren mededingers naar de Rozenkroon geregeld vastgehouden als ‘gasten’, tot zij van hun aanspraken afzagen. Haar moeder had er twee vastgezet, tot zij de troon had bestegen. Met geluk had ze een stevig fundament gelegd tegen de tijd dat Egwene en de anderen aankwamen. Lan stuurde Mandarb meteen achter Birgittes bruine ruin aan, en Nynaeve zwaaide naar voren als wilde ze zich achter het zwarte krijgsros aan haasten, maar ze hield zich in met een vlakke blik die Elayne uitdaagde om er iets van te zeggen. Ze trok woest aan de teugels en deed zichtbaar moeite om overal naar te kijken, behalve door de poort naar Lan. Haar lippen bewogen. Het duurde even, tot Elayne besefte dat ze zat te tellen.
‘Nynaeve,’ zei ze zacht, ‘we hebben echt niet de tijd om...’
‘Opschieten,’ riep Alise vanuit de achterhoede. Het geluid van haar klappende handen onderstreepte het scherp. ‘Niet duwen of dringen, maar ik moet ook niets van treuzelaars hebben. Opschieten!’ Nynaeve draaide haar hoofd verwilderd om, en haar gezicht werd getekend door een gepijnigde twijfel. Om een of andere reden raakte ze haar hoed aan, waaraan een paar gebroken veren hingen, voor ze haar hand wegtrok. ‘O, die geitenlikkende ouwe...!’ gromde ze. De rest ging verloren toen ze haar merrie door de poort trok. Elayne snoof. En Nynaeve had het lef om anderen aan te spreken op hun taalgebruik? Maar ze wenste dat ze de rest ook gehoord had; het eerste gedeelte kende ze al.
Alise bleef maar aansporingen roepen, maar het was niet echt meer nodig. Zelfs de windvindsters haastten zich, terwijl ze over hun schouders bezorgde blikken op de lucht wierpen. Ook Renaile, die iets over Alise mompelde dat Elayne in haar geheugen opborg. Hoewel het nogal tam leek om iemand een visminnende aasvreter te noemen. Ze zou verwacht hebben dat het Zeevolk de hele tijd vis at. Alise was de allerlaatste, afgezien van de zwaardhanden die de achterhoede bewaakten, alsof zij zelfs de pakpaarden moest opdrijven. Ze hield lang genoeg in om Elayne haar groengepluimde hoed te geven. ‘Je wilt de zon uit dat mooie gezichtje van je houden,’ zei ze met een glimlach. ‘Zo’n mooi meisje. Onnodig om voortijdig in leer te veranderen.’