Выбрать главу

Aviendha, die vlak bij op de grond zat, liet zich achterovervallen en trappelde met haar hielen van het lachen.

‘Ik denk dat ik haar vraag om voor jóu een hoed te zoeken. Met een heleboel pluimen en grote strikken,’ zei Elayne liefjes, voor ze haastig de Kinsvrouw volgde. Dat maakte beslist een einde aan Aviendha’s gelach.

Het zacht glooiende weiland was breed en bijna een span lang, ingesloten door heuvels die hoger waren dan die welke ze hadden achtergelaten. En door bomen die ze kende, eik en den en zwarthout, bittergom en lederblad en pijnboom. Het was een dicht woud met hoog en sterk timmerhout, dat zich uitstrekte naar het zuiden, westen en oosten, hoewel er dit jaar waarschijnlijk geen bomen omgehakt zouden worden. Naar het noorden, richting het herenhuis, waren de verspreide bomen meer geschikt als brandhout. Hier en daar lagen in het dor bruine gras kleine grijze keistenen, en de geelbruine stengels van verdorde wilde bloemen ontbraken geheel. Dat verschilde weinig van het zuiden.

Deze keer stond Nynaeve nu eens niet om zich heen te staren om Lan te vinden. Hij en Birgitte zouden toch niet lang wegblijven, niet hier. In plaats daarvan schreed ze met snelle tred tussen de paarden door, beval de mensen met luide stem om op te stijgen, zat de dienaren bij de pakpaarden op hun huid en zei kortaf tegen een paar van de Kinsvrouwen die geen paard hadden, dat elk kind vijf span kon lopen. Ten slotte schreeuwde ze naar een slanke Altaraanse edelvrouwe met een litteken op haar wang, die een bundel droeg die bijna net zo groot was als zijzelf, dat als ze zo dwaas geweest was om al haar kleren mee te nemen, ze die ook kon meesjouwen. Alise had de Atha’an Miere om zich heen verzameld en maakte hun duidelijk hoe ze op een paard moesten klimmen. Het was wonderlijk, maar ze schenen zowaar aandachtig te luisteren. Nynaeve gluurde haar kant op en scheen het wel fijn te vinden dat ze Alise op één plek vond. Tot Alise bemoedigend glimlachte en haar gebaarde om door te gaan met wat ze aan het doen was.

Even stond Nynaeve stokstijf en staarde de vrouw aan. Toen liep ze door het gras naar Elayne. Ze reikte met twee handen naar haar hoed en aarzelde, en keek er kwaad naar voor ze hem recht trok. ik laat haar deze keer gewoon voor alles zorgen,’ zei ze op een verdacht redelijke toon. ‘We zullen eens zien hoe ze het klaarspeelt met dat Zeevolk. Ja, dat wil ik zien.’ Een veel te redelijke toon. Ze staarde fronsend naar de nog steeds geopende poort. ‘Waarom houd je hem vast? Laat gaan.’ Ook Aviendha keek achterdochtig. Elayne haalde diep adem. Ze had hierover nagedacht, en er was geen andere manier, maar Nynaeve zou proberen het uit haar hoofd te praten, en er was geen tijd om te redetwisten. Door de poort heen lag de boerderij er verlaten bij. Zelfs de kippen waren eindelijk afgeschrikt door de drukte, maar hoe lang zou het duren voor het erf zich weer vulde? Ze bestudeerde haar weving die zo strak was dat er maar een paar draden zichtbaar bleven. Uiteraard kon ze elke stroom zien, maar op die paar na schenen ze onverbrekelijk met elkaar verbonden te zijn. ‘Leid iedereen naar het herenhuis, Nynaeve,’ zei ze. De zon stond al laag boven de kim; het zou misschien nog een uur of twee licht zijn. ‘Meester Hoornbron zal wel verbaasd zijn dat er zoveel bezoekers in de schemer aankomen. Zeg hem maar dat jullie gasten zijn van het meisje dat huilde over de roodvink met de gebroken vleugel; dat zal hij niet vergeten zijn. Ik zal er zo snel mogelijk zijn.’

‘Elayne,’ begon Aviendha op verrassend bezorgde toon, terwijl Nynaeve tegelijkertijd scherp zei: ‘Wat denk je wel dat je...’ Er was maar één manier om er een eind aan te maken. Elayne plukte een van de zichtbare draden uit de weving; de draad golfde en sloeg als een levende vangarm. Hij sputterde en rafelde, en kleine stukjes saidar braken af en vervaagden. Dat had ze niet gezien toen Aviendha haar weving ongedaan maakte, maar ze had toen alleen het laatste restje bekeken. ‘Ga maar,’ zei ze tegen Nynaeve. ‘Ik wacht met de rest tot jullie allemaal uit het zicht zijn.’ Nynaeve staarde haar met open mond aan. ‘Het moet gebeuren,’ zuchtte Elayne. ‘De Seanchanen zullen snel bij de boerderij zijn. En al wachten ze tot morgen, wat gebeurt er als een van de damane de gave heeft om resten te lezen? Nynaeve, ik ben niet van plan om het Reizen aan de Seanchanen te geven. Onder geen voorwaarde!’

Nynaeve gromde binnensmonds iets over de Seanchanen dat, aan de toon te horen, bijzonder smerig moest zijn. ‘Nou, ik sta niet toe dat je jezelf opbrandt!’ zei ze hardop. ‘Doe die draad terug! Voordat het hele ding ontploft zoals Vandene gezegd heeft. Je zou ons allemaal kunnen doden!’

‘Die kan niet meer teruggestopt worden,’ zei Aviendha, en ze legde een hand op Nynaeves arm. ‘Ze is begonnen, en nu moet ze het afmaken. Je moet doen wat zij zegt, Nynaeve.’

Nynaeves wenkbrauwen daalden. ‘Moeten’ was een woord dat ze niet graag hoorde, niet als het op haar sloeg. Maar ze was geen dwaas, en na wat woeste blikken – op Elayne, op Aviendha, op de wereld in het algemeen – sloeg ze haar armen om Elayne heen in een omhelzing die haar ribben deed kraken.

‘Wees voorzichtig, hoor!’ fluisterde ze. ‘Als je erin slaagt om jezelf te doden, zweer ik dat ik je levend zal villen.’ Ondanks alles barstte Elayne in lachen uit. Nynaeve snoof en duwde haar aan haar schouders op armlengte weg. ‘Je weet wat ik bedoel,’ gromde ze. ‘En geloof maar niet dat ik het niet meen, want ik doe het echt! Ik doe het,1 voegde ze er op zachtere toon aan toe. ‘Pas op jezelf.’ Het kostte Nynaeve wat tijd om zich te vermannen terwijl ze met haar ogen knipperde en haar blauwe rijhandschoenen rechttrok. Er scheen iets in haar ogen te glinsteren, maar dat kon niet; Nynaeve maakte anderen aan het huilen, zelf deed ze dat niet. ‘Goed dan,’ zei ze luid. ‘Alise, als je iedereen nog niet gereed hebt...’ Ze draaide zich om en slaakte een verstikte kreet.

Degenen die geacht werden te rijden waren opgestegen, zelfs de Atha’an Miere. De zwaardhanden waren allemaal om de overige zusters verzameld; Lan en Birgitte waren teruggekomen, en Birgitte sloeg Elayne bezorgd gade. De dienaren hadden de pakpaarden in een rij staan en de Kinsvrouwen wachtten geduldig, de meesten te voet, behalve de Weefkring. Een stel paarden waarop gereden had kunnen worden, was beladen met zakken voedsel eri bundels met eigendommen. Vrouwen die meer hadden meegebracht dan Alise had toegestaan – geen van hen behoorde tot de Kinne – droegen de bundels op hun eigen rug. De vrouwe met het litteken stond ongemakkelijk gebogen onder haar last en keek kwaad naar iedereen behalve Alise. Iedere vrouw die kon geleiden staarde naar de poort. En iedere vrouw die Vandene over de gevaren had gehoord, sloeg die ene kronkelende draad gade als was het een roodadder. Het was Alise zelf die Nynaeve haar paard bracht. En haar hoed rechtzette toen Nynaeve een voet in de stijgbeugel zette. Nynaeve wendde de merrie naar het noorden en Lan reed op Mandarb aan haar zijde. Op haar gezicht lag een trek van bittere vernedering. Elayne begreep niet waarom ze Alise niet op haar plaats zette. Als je Nynaeve mocht geloven, zette ze al oudere vrouwen op hun plaats toen ze weinig meer dan een meisje was. En per slot van rekening was ze nu een Aes Sedai; dat zou van enorm gewicht moeten zijn voor de Kinsvrouwen.

Terwijl de stoet zich een weg naar de heuvels zocht, keek Elayne naar Aviendha en Birgitte. Aviendha stond er gewoon, met over elkaar geslagen armen; ze hield de angreaal van de naakte vrouw met de lange haren stevig in haar hand. Birgitte nam de teugels van Leeuwin over van Elayne, deed ze bij die van Aviendha’s paard en dat van haarzelf, en liep toen naar een klein rotsblok op twintig pas afstand, waar ze ging zitten.