Выбрать главу

‘Jullie twee moeten...’ begon Elayne, en ze kuchte toen Aviendha’s wenkbrauwen verbaasd omhoogschoten. Het was onmogelijk om Aviendha weg te sruren van een gevaar zonder haar te beschamen, ik wil dat je de anderen vergezelt,’ zei ze tegen Birgitte. ‘En neem Leeuwin mee. Aviendha en ik kunnen haar ruin om de beurt berijden. Ik hou wel van een wandeling voor bedtijd.’

‘Als je ooit een man half zo goed behandelt als dat paard,’ zei Birgitte droog, ‘is hij levenslang de jouwe. Ik denk dat ik hier maar een tijdje blijf zitten; ik heb vandaag wel genoeg gereden. Ik sta niet de hele tijd voor je klaar, hoor. Dat spelletje kunnen we voor het oog van de zusters en de andere zwaardhanden spelen, om je al dat gebloos te besparen, maar jij en ik weten wel beter.’ Ondanks de spot in haar woorden, voelde Elayne slechts genegenheid van haar komen. Nee, het was sterker dan genegenheid. Haar eigen ogen prikten plotseling. Haar dood zou Birgitte tot in haar diepste kern verwonden – daar zorgde de zwaardhandbinding wel voor – maar het was vriendschap die haar nu liet blijven.

‘Ik ben blij dat ik twee vriendinnen zoals jullie heb,’ zei ze eenvoudig. Birgitte grinnikte alsof ze iets doms gezegd had. Maar Aviendha werd vuurrood en staarde Birgitte met grote ogen woest aan, alsof de zwaardhand schuldig was aan haar brandende wangen. Haastig verlegde ze haar blik naar de mensen die de eerste heuvel nog niet hadden bereikt, ze waren misschien op een halve span afstand. ‘Het is het beste om te wachten tot ze niet meer te zien zijn,’ zei ze, ‘maar je kan niet te lang wachten. Als je eenmaal met de ontweving begint, zullen de stromen na een tijdje... gladder... worden. Als je er een laat gaan voor die buiten de weving is, is dat hetzelfde als de weving te laten gaan; het zal dan willekeurig waar invallen. Maar je moet je ook niet te zeer haasten. Elke draad moet zo ver mogelijk losgetrokken worden. Hoe meer die loskomt, hoe makkelijker het is om de anderen te zien, maar je moet altijd de draad uitkiezen die je het best kan zien.’ Ze glimlachte warm en drukte haar , vingers stevig tegen Elaynes wang. ‘Het zal goed gaan, als je maar voorzichtig bent.’

Het klonk niet zo moeilijk. Ze moest gewoon voorzichtig zijn. Het scheen een hele tijd te duren voor de laatste vrouw over de heuvel was getrokken, de magere edele die bijna bezweek onder het gewicht van haar kleren. De zon scheen nog een behoorlijk eind van de einder te zijn, maar het leek alsof er veel tijd was verstreken. Wat bedoelde Aviendha nu precies met ‘glad’? Ze kon het niet verklaren, behalve met soortgelijke woorden. Ze werden moeilijk vast te houden, dat was alles.

Elayne kwam erachter zodra ze weer begon. ‘Glad’ was wat je kreeg als je een levende paling met vet insmeerde. Alleen al om de eerste draad te kunnen vasthouden, moest ze haar tanden opeenklemmen. En dan moest ze de draden ook nog ontwarren. Toen de draad van Lucht begon te kronkelen en uiteindelijk vrij was, weerhield haar slechts de gedachte aan wat er nog meer losgemaakt moest worden, om een zucht van verlichting te slaken. Als ze nog ‘gladder’ werden, wist ze niet zeker of ze het klaar kon spelen. Aviendha keek scherp toe, maar zei niets meer, hoewel ze altijd een aanmoedigende glimlach had als Elayne er eentje nodig had. Elayne kon Birgitte niet zien – ze durfde niet van haar werk op te kijken – maar ze kon haar voelen als een kleine knoop van rotsvast vertrouwen in haar eigen hoofd. Genoeg vertrouwen om haar taak te vervullen. Het zweet stroomde van haar gezicht en over haar rug en buik, tot ze zichzelf ‘glad’ voelde worden. Een bad zou vanavond zeer welkom zijn. Nee, daar mocht ze niet aan denken. Alle aandacht voor de wevingen. Het werd inderdaad moeilijk om ze te hanteren. Ze trilden in haar greep zodra ze er een aanraakte, maar ze kwamen nog steeds los, en elke keer als er een draad begon te zwiepen, scheen de volgende uit de massa op te springen. Die werd dan ineens duidelijk waarneembaar, waar eerst alleen de massa van saidar geweest was. In haar ogen was de poort net een monsterlijke, verwrongen hondenkop op de bodem van een poel, omgeven door kronkelende vangarmen; elk dik behaard met draden van de Kracht die groeiden en kronkelden en verdwenen, om vervangen te worden door nieuwe. De opening die iedereen kon zien, bewoog langs de randen en veranderde voortdurend van vorm en zelfs van grootte. Haar benen begonnen te trillen en haar ogen deden net zo’n pijn van de inspanning als van het prikkende zweet. Ze wist niet hoe lang ze dit kon volhouden. Ze klemde haar tanden opeen en vocht. Eén draad tegelijk. Eén draad tegelijk.

Meer dan duizend span verder, minder dan honderd pas van de trillende poort, stroomden tientallen krijgslieden het erf rond de witte boerderijgebouwen op. Het waren kleine mannen met kruisbogen, in bruin gekleurde borstplaten en met geschilderde helmen op die eruitzagen als de koppen van enorme insecten. Achter hen aan kwam een vrouw wier gewaad versierd was met rode vlakken en zilverkleurige bliksemstralen. Ze had een armband om, die met een zilverkleurige lijn verbonden was met een band om de hals van een vrouw in het grijs. Daarachter kwamen een tweede sul’dam en haar damane, en nog een stel. Een van de sul’dam wees op de poort, en ineens werd haar damane omhuld door de gloed van saidar. ‘Liggen!’ schreeuwde Elayne, en ze viel achterover, buiten het gezichtsveld van het boerenerf. Zilverkleurige bliksemstralen schoten door de poort met een gebrul dat haar bijna verdoofde, en vertakten zich met geweld in elke richting. Haar haren kwamen recht overeind, en overal waar een van de gevorkte stralen de grond raakte, ontsproten fonteinen van aarde met donderend geweld. Stof en steentjes regenden op haar neer.

Ineens was haar gehoor terug, en er kwam een mannenstem van de andere kant van de opening, met een slepende, langzame tongval die haar minstens zoveel kippenvel bezorgde als de woorden zelf. ‘... moeten ze levend gevangennemen, dwazen!’

Ineens sprong een van de krijgers het weiland in, tot vlak voor haar. Birgittes pijl sloeg door de gebalde vuist die in zijn leren borstplaat geperst was. Een tweede Seanchaan struikelde over de eerste toen die viel, en Aviendha’s mes stak in zijn keel voor hij zich kon herstellen. Pijlen vlogen als hagelstenen van Birgittes boog; met een laars op de paardenteugels geplant, grinnikte ze grimmig onder het schieten. De bevende paarden sloegen hun hoofden heen en weer en dansten alsof ze zich vrij wilden worstelen en ervandoor gaan, maar Birgitte bleef gewoon staan en schoot zo vlug als ze de pees kon spannen. Kreten voorbij de poort zeiden dat Birgitte Zilverboog nog steeds doel trof met elke pijl die ze afschoot. Het antwoord kwam, even vlug als slechte gedachten, zwarte schichten, kruisboogpijlen. Het gebeurde allemaal zo vlug. Aviendha viel, en er droop bloed over haar vingers toen ze haar rechterarm vastgreep, maar ze liet de wond onmiddellijk los, kroop in veiligheid en zocht met een vastberaden trek op haar gezicht op de grond naar de angreaal. Birgitte schreeuwde en liet haar boog vallen. Ze greep naar haar dij waar pijlveren uitstaken. Elayne voelde de steek van pijn even erg als was die van haar zelf.

Wanhopig greep ze, terwijl ze half op haar rug lag, naar een andere draad. En na een enkele ruk besefte ze tot haar afgrijzen dat ze niets meer kon doen dan die draad vast houden. Had die bewogen? Was hij eigenlijk wel wat meer vrijgekomen? Als dat zo was, durfde ze hem niet te laten gaan. De draad trilde glibberig in haar greep. ‘Levend, zei ik!’ brulde de Seanchaanse stem. ‘Wie een vrouw doodt, krijgt geen aandeel in de goudschatting!’ De pijlenregen hield ineens op.

‘Je wilt mij pakken?’ schreeuwde Aviendha. ‘Kom maar op dan, en dans met mij!’ De gloed van saidar omhulde haar in een oogwenk, zij het vaag, zelfs met de angreaal, en vuurbollen sprongen voor de poort tot leven en vlogen er als vlammende fonteinen doorheen. Ze waren niet groot, maar de donderklappen waarmee ze in Altara uiteenvielen klonken achter elkaar. Aviendha hijgde echter van inspanning, en haar gezicht glom van het zweet. Birgitte had haar boog teruggevonden; ze zag er helemaal uit als de heldin uit de legenden. Het bloed stroomde uit haar been, en ze kon nauwelijks staan, maar ze had een pijl half getrokken en zocht naar een doel. Elayne probeerde haar ademen te beheersen. Ze kon geen draadje méér van de Kracht putten, had niets over om hen te helpen. ‘Jullie twee moeten zien weg te komen,’ zei ze. Ze kon niet geloven hoe ze klonk; zo kalm als ijs, ze wist dat ze eigenlijk had moeten jammeren. Haar hart probeerde door haar ribben heen te hameren, ik weet niet hoeveel langer ik dit kan vasthouden.’ Dat gold niet alleen voor de enkele draad, maar voor de hele weving. Glipte die weg? Was dat zo? ‘Ga. Zo snel als jullie kunnen. De andere kant van de heuvels moet veilig zijn, maar elke stap uit de buurt helpt. Ga!’ Birgitte gromde iets in de Oude Spraak, niet iets wat Elayne kende. Het klonk als een uitdrukking die ze graag had leren kennen. Als er ooit een kans voor was. Birgitte ging door in bewoordingen die Elayne kon begrijpen. ‘Als je dat rottige ding laat gaan voor ik het zeg, hoef je je geen zorgen te maken of Nynaeve je komt villen, want dat doe ik dan wel. En vervolgens is het haar beurt. Wees stil en hou vol! Aviendha, kom hier – achter dat ding langs! – kun je het dan volhouden? – kom hier en neem een van die bloedpaarden.’