Выбрать главу

‘Zolang ik kan zien waar ik kan weven,’ zei Aviendha, die wankelend overeind kwam. Ze struikelde opzij en kon zich maar net staande houden. Uit een gemeen gat in haar mouw vloeide bloed, ik geloof dat ik het kan.’ Ze verdween achter de poort en de vuurbollen bleven doorgaan. Je kon vanaf de andere kant ook door een poort kijken, hoewel die er dan uitzag als een trillende waas van hitte die in de lucht hing. Maar je kon er vanaf die kant niet doorheen lopen – het zou een buitengewoon pijnlijke ervaring zijn – en toen Aviendha weer verscheen, strompelde ze er een flink eind vandaan. Birgitte hielp haar op te stijgen, maar achterstevoren! Toen Birgitte fel naar haar gebaarde, nam Elayne niet eens de moeite om met haar hoofd te schudden. Ze was bang voor wat er zou gebeuren als ze dat deed. ik weet niet zeker of ik het vast kan houden als ik overeind kom.’ Eerlijk gezegd wist ze niet eens zeker of ze zelfs maar overeind kon komen. Het was niet langer vermoeidheid; haar spieren waren veranderd in water. ‘Rij zo snel je kunt. Ik hou vast zolang ik kan. Alsjeblieft, ga!’

Birgitte gromde verwensingen in de Oude Spraak – dat moest wel zo zijn; niets anders had een dergelijke klank! – en legde de teugels in Aviendha’s hand. Ze hobbelde naar Elayne toe, waarbij ze twee keer bijna omviel, en boog zich om haar bij de schouders te pakken. ‘Je kunt het volhouden,’ zei ze met een stem die vervuld was van dezelfde overtuiging als Elayne van haar kon voelen, ik heb voor jou nog nooit een koningin van Andor ontmoet, maar ik heb koninginnen gekend die net als jou waren. Schouders van staal en het hart van een leeuwin. Je kunt het!’

Ze wachtte niet op antwoord, maar trok Elayne langzaam overeind, waarbij elke pijnscheut in haar been weerkaatst werd in Elaynes hoofd. Elayne trilde van de inspanning om de weving vast te houden, om die ene draad vast te houden. Ze merkte verbaasd op dat ze overeind stond. En levend. Birgittes been klopte waanzinnig in haar hoofd. Ze probeerde niet op Birgitte te leunen, maar haar eigen trillende benen konden haar niet volledig dragen. Toen ze naar de paarden wankelden, waarbij ze elkaar half ondersteunden, bleef Elayne over haar schouder kijken. Ze kon een weving vasthouden zonder ernaar te kijken – in gewone omstandigheden – maar ze moest zichzelf ervan overtuigen dat ze nog steeds een greep op die enkele draad had, en dat die niet weggleed. De poort was nu een weving die ze nooit eerder gezien had, hevig verwrongen en met rafelige, kronkelende vangarmen.

Birgitte kreunde en gooide haar meer in het zadel dan dat ze haar erin hielp. Achterstevoren, net als Aviendha. ‘Je moet kunnen blijven kijken,’ legde ze uit terwijl ze naar haar eigen paard liep. Ze hield de teugels van alle drie de paarden en trok zichzelf pijnlijk op. Zonder enig geluid, maar Elayne voelde de pijn. ‘Jij doet wat je moet doen, en je gaat mee naar waar wij heen gaan.’ De paarden sprongen ervandoor, misschien wel evenzeer uit zichzelf als door Birgittes hiel in de flank van haar eigen rijdier.

Elayne klampte zich met dezelfde grimmigheid vast aan de zadelboom, aan de weving en aan saidar zelf. Het galopperende paard schudde haar door elkaar, en ze wist maar net in het zadel te blijven. Aviendha gebruikte haar zadelboom als hulpmiddel om overeind te blijven. Haar mond hing open en ze zoog lucht naar binnen, haar ogen leken slechts te staren. Maar de gloed omhulde haar en de stroom van vuurbollen hield aan. Niet zo snel als eerst, zeker, en sommige schoten ver naast de poort als ijlende strepen van vlammen door het gras heen, of spatten uiteen op de grond erachter. Maar nog steeds werden ze gevormd, en nog steeds vlogen ze. Elayne verzamelde kracht, dwong er zich toe; als Aviendha het kon volhouden terwijl ze elk moment op haar gezicht kon vallen, kon zij dat ook.

De poort werd kleiner en kleiner terwijl ze weg galoppeerden, en het bruine gras strekte zich uit tussen hen en de opening, en toen begon de grond omhoog te lopen. Ze beklommen de heuvel! Birgitte was opnieuw de pijl in de boog, alle aandacht gericht op één doel, terwijl ze de pijn in haar been bestreed en haar paard tot grotere snelheid maande. Het enige dat ze te doen stond was de top bereiken, de andere kant.

Naar adem snakkend zakte Aviendha op haar ellebogen en ze werd in het zadel opgeworpen als een lege zak; het licht van saidar om haar heen flikkerde en was verdwenen, ik kan niet meer,’ hijgde ze. ‘Ik kan niet meer.’ Dat was alles wat ze kon uitbrengen. Toen de hagelbui van vuur ophield, begonnen Seanchaanse krijgers bijna onmiddellijk de wei in te springen.

‘Al goed,’ wist Elayne uit te brengen. Haar keel voelde aan als zand; al het vocht binnen in haar zat nu op haar huid en doordrenkte haar kleren. ‘Het is vermoeiend om een angreaal te gebruiken. Je hebt het goed gedaan en ze kunnen ons niet meer grijpen.’ Als om haar te logenstraffen, verschenen een sul’dam en haar damane in het weiland beneden; zelfs op een halve span afstand waren ze onmiskenbaar. De zon, die laag in het westen stond, liet hun a’dam glinsteren. Een tweede paar voegde zich bij hen, en toen een derde en een vierde.

In het weiland wees een vrouw, en voor Elayne scheen de tijd te vertragen. Om de damane van de vrouw sprong de gloed van de Ene Kracht op. Elayne kon de weving gestalte zien krijgen. Ze wist wat het was. En er was geen manier om het tegen te gaan. ‘Sneller!’ schreeuwde ze. Het schild raakte haar. Ze zou er te sterk voor moeten zijn – te sterk! – maar ze was te uitgeput en kon zich nauwelijks aan saidar vastklampen. Het schild sneed tussen haar en de Bron door. In de weide stortte de weving, die een poort was geweest, ineen. Hoewel Aviendha afgetobt was en eruitzag alsof ze helemaal niet meer bewegen kon, dook ze uit haar zadel op Elayne af en trok haar mee. Voor ze viel zag Elayne nog dat ze de andere kant van de helling bereikt hadden.

De lucht werd wit en verblindde haar. Er was een geluid – ze wist dat er een geluid was, een enorm gebrul – maar ze kon het niet meer horen. Iets trof haar, alsof ze van het dak van een toren op harde keien was gevallen.

Haar ogen openden zich en ze staarde naar de lucht. Die zag er vreemd uit, op de een of andere manier wazig. Even kon ze zich niet bewegen, en toen ze het wel kon, hijgde ze. Alles deed haar pijn. O Licht, wat deed het pijn! Langzaam bracht ze een hand tot voor haar gezicht; haar vingers werden rood gekleurd. Bloed. De anderen. Ze moest de anderen helpen. Ze kon Birgitte voelen. Haar pijn was even erg als haar eigen pijn, maar Birgitte was tenminste in leven. En vastbesloten, en kennelijk kwaad; ze kon niet al te ernstig gewond zijn. Aviendha.

Met een snik rolde Elayne zich om en duwde zich op handen en knieën overeind. Haar hoofd duizelde en een vreselijke pijnscheut schoot door haar zij. Vaag herinnerde ze zich dat het gevaarlijk was om te bewegen met zelfs maar een enkele gebroken rib, maar die gedachte was al even wazig als de helling. Denken was... moeizaam. Maar het knipperen met haar ogen verbeterde haar zicht. Een beetje. Ze was bijna onder aan de heuvel! Hoog erboven rees een waas van rook op van de wei aan de andere kant. Dat was nu niet belangrijk. Helemaal niet belangrijk.