Выбрать главу

Er waren al meer dan honderd Hemelvuisten op de grond, en nog belangrijker, zes sul’dam met hun damane, en nog een twaalftal dat schoudertassen droeg die vol zaten met a’dam. De tweede vlucht met versterkingen zou nu opstijgen vanuit de heuvels in het zuiden. Het was beter geweest als er meer bij de eerste aanval waren meegekomen, maar er waren al zo weinig to’raken bij de Hailene, en een hardnekkig gerucht zei dat vele ervan de taak hadden gekregen om hoogvrouwe Suroth en haar hele hofhouding over te brengen uit Amadicia. Het was niet goed om slecht te denken over het Bloed, maar ze wenste dat er meer to’raken naar Ebo Dar gestuurd waren. Er was geen morat’raken die een erg hoge dunk van de enorme, lompe to’raken had, die slechts geschikt waren om lasten te vervoeren, maar ze hadden meer Hemelvuisten sneller op de grond kunnen zetten, meer sul’dam.

‘Er doen geruchten de ronde dat daar beneden honderden marath’damane zijn,’ riep Elya tegen haar rug. In de lucht moest je hard praten, om over het windgeruis heen te komen. ‘Weet je wat ik ga doen met mijn deel van de goudschatting? Een herberg kopen. Dit Ebo Dar lijkt me wel een goede plaats, wat ik ervan gezien heb. Misschien vind ik zelfs wel een man. Krijg ik kinderen. Wat denk je daarvan?’ Chulein grinnikte van achter haar windsjaal. Iedere vlieger praatte over het kopen van een herberg, of een taveerne of een boerderij, maar wie kon de lucht vaarwel zeggen? Ze klopte op de onderkant van Segani’s lange, leerachtige nek. Iedere vliegster – drie van de vier waren vrouwen – praatte over een man en kinderen, maar kinderen betekenden ook het einde van vliegen. Meer vrouwen verlieten de Hemelvuisten binnen een maand dan de vliegers in een halfjaar. ‘Ik denk dat je beter je ogen kunt openhouden,’ zei ze. Maar er school geen kwaad in wat kletsen. Ze zou een kind kunnen zien in de olijfgaarden beneden, zeker iets dat Hemelvuisten kon bedreigen. Zij waren het minst beschermd van alle krijgslieden maar even gehard als de doodswachtgarde; sommigen zeiden dat ze zelfs geharder waren, ik gebruik mijn aandeel om een damane te kopen en een sul’dam te huren.’ Als er maar half zoveel marath’damane waren als de geruchten beweerden, kon haar aandeel wel twee damane kopen. Drie! ‘Een damane die geoefend kan worden om hemellichten te maken. Als ik de lucht vaarwel zeg, zal ik zo rijk zijn als iemand van het Bloed.’ Ze hadden hier iets dat ze ‘vuurfeesten’ noemden – ze had een paar kerels vergeefs de belangstelling van het Bloed voor Tanchico zien wekken – maar wie zou zoiets armetierigs willen zien als je het vergeleek met de hemellichten? Die kerels waren eruit gegooid en op de weg buiten de stad gesmeten.

‘De boerderij!’ schreeuwde Elya, en plotseling werd Segani door iets geraakt, harder dan de ergste stormvlaag die Chulein ooit gevoeld had, en hij spiraalde naar beneden.

De raken stortte omlaag terwijl hij zijn woeste kreten slaakte, en hij draaide zo snel rond dat Chulein haar veiligheidsriemen voelde snijden. Ze hield haar handen op haar dijen en spande de teugels, maar niet meer dan dat. Segani moest hier zelf uit zien te raken; trekken aan de teugels zou hem alleen maar hinderen. Ze vielen als een speelwiel. Morat’raken werd geleerd om niet naar de grond te kijken ais een raken viel, om welke reden dan ook, maar ze liet zich er niet van weerhouden om haar hoogte te schatten, elke keer als een scherpe draai de grond in haar gezichtsveld bracht. Achthonderd pas. Zeshonderd. Vier. Twee. Het Licht verlichte haar ziel, en moge de oneindige genade van de Schepper haar beschermen tegen... Met een slag van zijn brede vleugels, waardoor ze opzijschoot en haar tanden klapperden, trok Segani recht, waarbij zijn vleugelpunten over de boomtoppen streken toen ze verder gleden. Met een kalmte die geboren was uit harde oefening, keek ze zijn vleugelbewegingen na, op zoek naar spanningsbreuken. Er was niets te zien, maar ze zou hem grondig door een der’morat’raken laten onderzoeken. Iets kleins dat zij over het hoofd zag, zou het oog van een meester niet ontsnappen.

‘Het schijnt dat we eens te meer aan de Vrouwe der Schaduwen ontsnapt zijn, Elya.’ Ze draaide zich om en keek over haar schouder, en haar woorden verstierven. Vanuit de lege zitting achter haar wapperde een gebroken veiligheidsriem. Iedere vlieger wist dat aan het einde van de lange val de Vrouwe wachtte, maar die kennis maakte het beleven van de dood niet makkelijker.

Ze zei snel een gebed voor de doden, richtte zich met beslistheid weer op haar taak en spoorde Segani aan te klimmen. Een langzame spiraalklim, voor het geval er een verborgen gebrek was, maar zo snel als volgens haar veilig was. Misschien iets sneller dan veilig. De rook die achter de knobbelige heuvel omhoogkwam stemde haar tot nadenken, maar wat ze zag toen ze boven de top uit kwam, maakte haar mond kurkdroog. Haar handen aan de teugels vielen stil, en Segani bleef met machtige vleugelslagen doorklimmen. De boerderij was... verdwenen. De grondvesten waren volledig ontdaan van de witte gebouwen die erop gestaan hadden. De grote bouwsels die uit een helling staken, waren puinhopen. Alles was zwart en verbrand. Vlammen joegen door het struikgewas op de hellingen en waaierden vanaf de open plek wel honderd pas uit, tot in de olijfgaarden en het woud. Daarbuiten lagen op zeker nogeens honderd pas gebroken bomen, allemaal van de boerderij afgekeerd. Ze had nog nooit zoiets gezien. Er kon daar beneden niets meer in leven zijn. Niemand kon dit overleefd hebben. Wat het ook geweest was.

Ze kwam snel toch zichzelf en wendde Segani naar het zuiden. In de verte kon ze to’raken ontwaren, elk ervan op deze korte afstand afgeladen met een tiental Hemelvuisten. Hemelvuisten en sul’dam die te laat kwamen. Ze begon haar verslag in haar hoofd op te stellen; er was beslist niemand anders meer die iets kon verslaan. Iedereen zei dat dit land vol zat met marath’damane, die erop wachtten om de halsband te krijgen, maar met dit nieuwe wapen zouden deze vrouwen, die zichzelf Aes Sedai noemden, een waarachtig gevaar vormen. Er moest iets aan hen gedaan worden, iets wat afdoende was. Misschien zou hoogvrouwe Suroth, als ze op weg was naar Ebo Dar, daar de noodzaak van inzien.

7

Een geitenwei

Er viel geen wolkje aan de Geldaanse hemel te bekennen en een brandende ochtendzon beukte neer op de beboste heuvels. Zelfs met de middag nog in het verschiet leek het land nu al te schroeien. Naaldbomen en lederbladbomen vergeelden door de droogte, net als andere bomen die volgens Perijn altijd groen hoorden te blijven. Hij voelde geen zuchtje wind. Het zweet droop van zijn gezicht in zijn korte baard. De krulletjes van zijn haar plakten nat tegen zijn hoofd. Hij meende ergens in het westen onweer te horen, maar zijn hoop op een beetje regen was vrijwel geheel verdwenen. Je bewerkte het ijzer op je aambeeld en ging niet dagdromen over zilversmeedkunst. Vanaf een schaars begroeide heuvelrug bekeek hij door een kijkglas met koperen banden de vestingstad Bethal. Voor zo’n afstand hadden zelfs zijn ogen hulp nodig. De stad was redelijk groot en toonde vele leidaken met een handvol hoge stenen gebouwen die paleizen van lagere adel konden zijn of huizen van welgestelde kooplui. Hij herkende de scharlaken banier die slap aan de hoge toren van het grootste paleis hing niet, maar hij wist aan wie deze enige zichtbare vlag toebehoorde. Alliandre Maritha Kigarin, de koningin van Geldan, die nu ver van haar hoofdstad Jehanna verbleef. De stadspoorten stonden open, met bij elk ruim twintig poortwachters, maar niemand vertrok en voor zover hij kon zien waren de wegen verlaten, afgezien van een eenzame ruiter die vanuit het noorden naar Bethal galoppeerde. De wachters waren gespannen. Sommigen lieten hun pieken zakken of hieven hun boog bij het zien van de ruiter, alsof hij met een van bloed druipend zwaard zwaaide. Nog veel meer soldaten stonden op wacht op de torens en de muren. Ook daar werden vele pijlen aangelegd en kruisbogen gericht. Ook daar heerste veel vrees.