Er had een storm over dit gedeelte van Geldan geraasd. Nog steeds eigenlijk. De benden van de Profeet veroorzaakten de grootst mogelijke chaos en struikrovers maakten daar gebruik van, terwijl Witmantels vanuit Amadicia invallen deden, waarbij ze gemakkelijk tot deze stad konden komen. In het zuiden stegen hier en daar rookkolommen op, waarschijnlijk van brandende boerderijen. Het werk van de Witmantels of van de Profeet. Struikrovers namen de moeite niet om alles in brand te steken en de andere twee groeperingen lieten daartoe weinig mogelijkheden achter. Aan deze enorme warboel kon hij een gerucht toevoegen dat hij de laatste dagen in zowat elk dorp had opgevangen. Amador was gevallen. In handen van de Profeet, van Taraboners of van Aes Sedai, afhankelijk van de verteller. Sommigen beweerden dat Pedron Nial zelf bij de verdediging van de stad was gedood. Genoeg redenen voor een koningin om bezorgd te zijn over haar eigen veiligheid. Het kon ook zijn dat die soldaten daar stonden vanwege hem. Hij had zijn best gedaan, maar zijn tocht naar het zuiden had moeilijk onopgemerkt kunnen blijven. Nadenkend krabde hij in zijn baard. Jammer dat de wolven in de heuvels om hem heen niets konden vertellen, maar ze besteedden zelden aandacht aan het gedoe van mensen. Ze bleven liever ver bij die tweepoters vandaan. En sinds Dumais Bron had hij ze alleen het hoognodige willen vragen. Het kon weleens het beste zijn als hij er alleen heen reed, slechts vergezeld van enkele mannen uit Tweewater.
Vaak dacht hij dat Faile zijn gedachten kon lezen, meestal wanneer hij dat het minste wilde. Nu bewees ze dat weer door haar nachtzwarte merrie Zwaluw naar zijn grijsbruine paard te sturen. Haar rijkleding met de strakke rok was bijna even donker als haar merrie, maar ze leek de hitte beter aan te kunnen dan hij. Ze rook flauwtjes naar kruidenzeep en schoon zweet, naar zichzelf. Naar vastberadenheid. Haar schuine ogen keken heel vastbesloten; gevoegd bij haar ferme neus deed dat Faile zeer sterk op haar naamgenoot lijken.
‘Ik zou het niet prettig vinden gaten in die mooie blauwe jas te zien, echtgenoot,’ zei ze zachtjes, alleen voor zijn oren bestemd, ‘en die kerels zien eruit of ze zonder naar namen te vragen op elke groep vreemden zullen schieten. Hoe wil je trouwens praten met Alliandre zonder iedereen je naam te verkondigen? Denk eraan, dit moet in het verborgene afgehandeld worden.’ Ze zei wel niet dat zij hoorde te gaan omdat de poortwachters haar slechts zouden zien als een vluchtelinge voor alle onlusten, en omdat zij onder haar moeders naam zonder al te veel op te vallen de koningin te spreken kon krijgen, maar dat hoefde ook niet. Dat alles en nog veel meer had hij sinds hun aankomst in Geldan elke avond te horen gekregen. Het kwam gedeeltelijk door Alliandres behoedzame brief met haar aanbod aan Rhand, dat hij hierheen was gekomen. Maar wat had ze aangeboden? Steun? Een bondgenootschap? Haar wens dit in het geheim te doen overheerste in elk geval alles.
Perijn betwijfelde of zelfs Aram, die een paar pas achter hem op zijn langbenige grijze zat, ook maar één woord van Faile had opgevangen, maar nog voor ze was uitgesproken, bracht Berelain aan zijn andere zijde haar witte merrie tot stilstand. Haar wangen waren vochtig van het zweet. Ook zij rook vastberaden, maar in een woik van rozengeur. Op hem maakte het de indruk van een wolk. Wonder boven wonder toonde haar groene rijkleding niet meer huid dan nodig was.
Berelains twee reisgezellen bleven wat achteraf, hoewel Annoura, haar Aes Sedai-raadsvrouwe, hem vanonder haar schouderlange kraalvlechten uitdrukkingsloos opnam. Niet hem en de twee vrouwen naast hem; alleen hem. Bij haar was geen zweet te zien. Hij had graag dichterbij willen zijn om de Grijze zuster met haar scherpe neus te kunnen ruiken. In tegenstelling tot de andere Aes Sedai had zij niemand iets beloofd. Wat zulke beloftes verder ook waard waren. Heer Gallenne, de aanvoerder van Berelains Vleugelgarde, leek volkomen verdiept in wat hij in zijn kijkglas van Bethal zag. Hij zat met zijn teugels te spelen wat, zoals Perijn inmiddels wist, inhield dat hij allerlei berekeningen maakte. Waarschijnlijk hoe hij Bethal met geweld kon innemen. Gallenne hield zich altijd eerst met de ergste mogelijkheden bezig.
‘Ik vind nog steeds dat ik Alliandre het beste kan benaderen,’ zei Berelain. Dit had Perijn eveneens elke dag gehoord. ‘Daarvoor ben ik tenslotte hier.’ Dat was een van de redenen. ‘Annoura wordt meteen ontvangen en kan mij meenemen, zodat alleen Alliandre er weet van heeft.’ Een tweede wonder. Er had niets strelends in haar stem geklonken. Ze leek hem evenveel aandacht te schenken als het strak trekken van haar rode leren handschoenen.
Wie van de twee? De moeilijkheid was dat hij geen van beiden wilde kiezen.
Seonid, de tweede Aes Sedai die naar de heuvelrand was gekomen, stond een eindje verderop naast haar vosruin onder een hoge uitgedroogde zwarthoutboom en keek niet naar Bethal, maar naar de hemel. De twee Wijzen bij haar hadden niet verschillender kunnen zijn. Zij met gebruinde gezichten en lichte ogen, en de zuster met een bleke huidskleur. Blonde naast zwarte haren, lang naast kort. En dan vergeleek hij niet eens hun donkere rokken en witte hemden met haar mooie blauw wollen gewaad. Edarra en Nevarin droegen heel veel kettingen en gouden, zilveren en ivoren armbanden, terwijl Seonid slechts haar Grote Serpentring droeg. Naast haar leeftijdloosheid waren zij nog jong, maar de Wijzen waren zeker zo zelfbewust als de Groene zuster en ook zij namen de lucht op. ‘Zien jullie iets?’ vroeg Perijn, die de beslissing uitstelde. ‘Wij zien de hemel, Perijn Aybara,’ zei Edarra kalm. Haar sieraden rinkelden zacht bij het goed schikken van de donkere omslagdoek die over haar ellebogen hing. De hitte leek de Aiel even weinig te doen als de Aes Sedai. ‘Als we meer zien zullen we het jou zeggen.’ Dat hoopte hij maar. Hij dacht van wel. Zolang het iets was waarvan zij aannamen dat Gradi en Neald het ook zagen. De twee Asha’man zouden het niet geheimhouden. Ze waren nog in het kamp en hij had ze nu graag bij zich gehad.
Ruim een halve week geleden had zich hoog aan de hemel een kantwerk van de Ene Kracht verspreid en dat had nogal wat opwinding veroorzaakt onder de Aes Sedai en de Wijzen. En bij Gradi en Neald. En dat had de Aes Sedai nog meer opgewonden, bijna op paniek af, voor zover je dat van een zuster kon zeggen. Asha’man, Aes Sedai en Wijzen beweerden allemaal dat ze de Kracht nog steeds zwakjes in de lucht konden voelen, lang nadat die baan van kantwerk was verdwenen, maar niemand wist wat het betekende. Neald zei dat het hem aan wind deed denken, maar hij wist niet waarom. Niemand kon er iets verstandigs aan toevoegen, maar als zowel de mannelijke als de vrouwelijke helft van de Ene Kracht zichtbaar waren, moest het Verzakerswerk zijn en van een enorme omvang. De vraag wat die van plan waren, had Perijn sindsdien de meeste nachten wakker gehouden.
Onwillekeurig wierp hij een blik omhoog. En hij zag natuurlijk niets, afgezien van een stel duiven. Opeens stootte vanuit het niets een havik omlaag en was een van de duiven in een wolk van veren verdwenen. De andere duif fladderde geschrokken naar Bethal toe. ‘Heb je een beslissing genomen, Perijn Aybara?’ vroeg Nevarin, ietwat scherp. De Wijze met de groene ogen leek zelfs nog jonger dan Edarra, misschien even oud als hij en ze was nog niet zo ingetogen als de vrouw met de blauwe ogen. Haar omslagdoek gleed omlaag, toen ze haar handen in de zij plaatste en hij rekende er min of meer op dat ze een vermanende vinger op zou steken. Of een vuist. Ze deed hem aan Nynaeve denken, al leken ze in het geheel niet op elkaar. Naast Nevarin zou Nynaeve dik lijken. ‘Wat heeft onze raad voor zin als je niet luistert?’ wilde ze weten. ‘Wat voor zin?’ Faile en Berelain zaten rechtop in hun zadel; allebei zo trots als maar mogelijk was. Beiden roken zowel verwachtingsvol als onzeker, en naar een en al ergernis omdat ze zich onzeker voelden; geen van beiden moest daar iets van hebben. Seonid stond te ver weg om haar geur op te kunnen vangen, maar haar opeengeperste lippen gaven haar stemming heel goed weer. Edarra’s opdracht niets te zeggen tot haar wat gevraagd werd, maakte haar nog steeds woest. Niettemin wilde ze dat hij de raad van de Wijzen zou opvolgen. Ze nagelde hem met haar ogen vast, alsof die druk hem de richting op kon duwen die hij van haar moest gaan. Feitelijk wilde hij haar kiezen, maar hij weifelde. In hoeverre hield haar eed van trouw aan Rhand echt stand? Aan de bewijzen tot dusver te zien; verder dan hij eerder zou hebben geloofd, maar toch... in hoeverre kon hij een Aes Sedai vertrouwen? De aankomst van Seonids twee zwaardhanden gunde hem iets meer tijd.