Ze kwamen samen aanrijden, hoewel ze ieder hun eigen weg waren gegaan, waarbij ze hun paarden tussen de bomen op de heuvelrand stuurden, zodat ze vanuit de stad niet te zien waren. Furen was een Tyrener, bijna even donker als vruchtbare aarde, met grijze lokken in zijn zwarte krulhaar. Teryl was een twintig jaar jongere Morlander met donkerrood haar, een krulsnor en ogen die blauwer waren dan die van Edarra. Beiden waren echter met dezelfde stans geslagen: lang, mager en hard. Ze gleden lenig uit het zadel, waarbij hun mantels op misselijk makende wijze van kleur veranderden, en brachten verslag uit aan Seonid, opzettelijk de Wijzen en Perijn negerend. ‘Het is nog erger dan in het noorden,’ zei Furen, een en al afkeer. Er druppelde wat zweet op zijn voorhoofd, maar geen van beiden leek veel last te hebben van de hitte. ‘De plaatselijke adel is opgesloten in hun landhuis of in de stad, en de soldaten van de koningin blijven binnen de stadsmuren. Ze laten het platteland over aan de mannen van de Profeet. En aan struikrovers, hoewel die in deze buurt niet zoveel voorkomen. Dat volk van de Profeet kom je overal tegen. Ik denk dat Alliandre heel blij zal zijn je te zien.’
‘Gespuis,’ snoof Teryl, en hij sloeg met de teugels in zijn handpalm, ik heb er nooit meer dan vijftien of twintig bij elkaar gezien, vooral bewapend met hooivorken en jachtsperen, en in lompen. Het leken wel bedelaars. Zeker in staat boeren angst aan te jagen maar je zou toch aannemen dat de heren hen zouden opjagen en het hele stel achter elkaar zouden opknopen. De koningin zal je hand kussen als ze een zuster ziet.’
Seonid wilde wat zeggen en wierp een blik op Edarra die een knikje gaf. Zo mogelijk verstrakten de mondspieren van de Groene zuster door die toestemming nog meer. Ze klonk echter boterzacht. ‘Er is geen enkele reden om uw beslissing uit te stellen, heer Aybara.’ Ze gaf die titel wat nadruk, omdat ze precies wist hoeveel recht hij erop had. ‘Uw vrouw stamt uit een hoog Huis en Berelain is een vorstin, maar de Saldeaanse Huizen hebben hier weinig invloed en Mayene is een zeer kleine natie. Een Aes Sedai als gezant zal u in Alliandres ogen het gewicht van de Witte Toren geven.’ Het schoot haar opeens te binnen dat Annoura dan even geschikt was als zij en dus sprak ze snel door. ‘Bovendien ben ik al eerder in Geldan geweest en ze kennen mij hier goed. Alliandre zal me niet alleen meteen ontvangen maar ook luisteren naar wat ik te zeggen heb.’
‘Nevarin en ik gaan met haar mee,’ zei Edarra. Nevarin voegde eraan toe: ‘We zullen ervoor zorgen dat ze niets zal zeggen wat ze niet moet zeggen.’ Perijn meende duidelijk te horen hoe Seonid haar tanden liet knarsen, terwijl ze nadrukkelijk haar rijrok gladstreek en daarbij zorgvuldig omlaag keek. Annoura liet een geluidje horen, bijna een gegrom, en keek de andere kant op. Zelf bleef ze een heel eind bij de Wijzen uit de buurt; ze verafschuwde het als ze de andere zusters bij de Wijzen zag.
Perijn wilde kreunen. Als hij de Groene zuster stuurde, zou hij een nagel aan zijn kist kwijt zijn, maar de Wijzen vertrouwden de Aes Sedai nog minder dan hij en ze hielden Seonid en Masuri heel kort aan de lijn. Er deden in de laatste dorpen ook verhalen de ronde over Aiel. Niemand van dat dorpsvolk had ooit een Aiel gezien, maar de geruchten over Aiel die de Herrezen Draak volgden, vlogen rond. De helft van Geldan wist zeker dat de Aiel maar enkele dagen verderop waren en elk verhaal was sterker en afschuwelijker dan het vorige. Alliandre kon weleens te bang zijn om hem te willen ontvangen, na het zien van een stel Aielvrouwen die een Aes Sedai zeiden wanneer ze mochten springen. En Seonid sprong gehoorzaam rond, hoe hard haar tanden ook knarsten! Nou, hij was niet van plan Faile gevaar te laten lopen zonder meer zekerheid op een veilig welkom dan een maanden oude brief vol vage bewoordingen. Die nagel dreef dieper naar binnen, recht tussen zijn schouderbladen, maar hij had geen keus.
‘Een kleine groep zal makkelijker door die poorten komen dan een grote,’ zei hij ten slotte, en hij stopte het kijkglas weer in zijn zadeltas. Er zouden ook minder tongen in beweging komen. ‘Dat betekent alleen jij en Annoura, Berelain. En heer Gallenne, wellicht. Misschien nemen ze aan dat hij Annoura’s zwaardhand is.’ Berelain giechelde verrukt en boog zich opzij om met beide handen zijn arm beet te pakken. Natuurlijk kon ze het daarbij weer niet laten. Haar vingers knepen hem liefkozend, en er flitste een zwoele, glimlachende belofte over haar gelaat, waarna ze zich weer oprichtte voor hij zich had kunnen terugtrekken, en haar gezicht opeens weer zo onschuldig stond als dat van een boreling. Uitdrukkingsloos trok Faile haar grijze rijhandschoenen strakker. Volgens haar geur was Berelains glimlach haar niet opgevallen. Ze verborg haar teleurstelling goed.
‘Het spijt me, Faile,’ zei hij, ‘Maar...’
Verontwaardiging priemde als stekelige doornen uit haar geur. ik ben er zeker van dat je voor haar vertrek van alles met de Eerste te bespreken hebt, echtgenoot,’ zei ze kalm. Haar schuine ogen straalden ingetogenheid uit en haar geur zanddistels. ‘Het is beter als je haar nu spreekt.’ Faile wendde Zwaluw en liet de merrie stappen naar een zichtbaar kokende Seonid en de Wijzen met hun strakke gezichten. Ze steeg echter niet af en zei niets tegen ze. In plaats daarvan keek ze fronsend neer op Bethal, als een valk vanuit haar uitkijkpunt.
Perijn besefte dat hij aan zijn neus voelde en trok zijn hand weg. Hij zag natuurlijk geen bloed, maar zijn neus voelde wel aan of die bloedde.
Berelain had geen laatste aanwijzingen nodig. De Eerste van Mayene en haar Grijze raadsvrouwe waren een en al ongeduld om te vertrekken en volkomen zeker van wat ze te zeggen en te doen hadden. Perijn drong echter aan op voorzichtigheid en benadrukte dat echt alleen Berelain met Alliandre mocht spreken. Annoura schonk hem zo’n koele Aes Sedai-blik en knikte. Wat misschien instemming betekende, maar misschien ook niet. Hij betwijfelde of hij meer uit haar zou krijgen met een breekijzer. Berelains gezicht vormde een vermaakte sneer, hoewel ze met alles instemde. Of zei dat ze dat deed. Hij vermoedde dat ze alles zou zeggen om te krijgen wat ze wilde en hij maakte zich zorgen over haar glimlachjes die op de vreemdste ogenblikken verschenen. Gallenne had zijn kijkglas weggestopt, maar zat nog met de teugels te spelen terwijl hij ongetwijfeld overdacht hoe hij zich met de twee vrouwen te vuur en te zwaard een pad uit Bethal kon banen. Perijn wilde een grauw geven. Hij keek hen bezorgd na, toen ze naar de weg reden. Berelains boodschap was eenvoudig. Rhand begreep Alliandres behoedzaamheid, maar als ze zijn bescherming wilde, moest ze bereid zijn hem openlijk steun te betuigen. Die bescherming zou komen, zichtbaar voor iedereen, in de vorm van soldaten en Asha’man, of zo nodig van Rhand zelf, zodra zij die bekendmaking deed uitgaan. Berelain had geen reden om een komma of een punt aan het bericht te veranderen, ondanks haar glimlachjes – hij meende dat het weer een manier van flirten was – maar Annoura... Een Aes Sedai deed wat ze deed en het Licht zelf wist maar half waarom. Hij wou dat hij een manier kende om Alliandre te bereiken zonder een zuster te gebruiken of geruchten te veroorzaken. Of zonder Faile in gevaar te brengen. De drie ruiters kwamen bij de poort, Annoura vooraan, en de poortwachters hieven snel hun pieken op, lieten bogen en kruisbogen zakken, ongetwijfeld meteen nadat zij zich als Aes Sedai bekend had gemaakt. Er waren niet veel mensen die de moed hadden om die bijzondere aanspraak te betwisten. Ze hoefde amper te wachten voor ze de andere twee de stad in leidde. Feitelijk leken de soldaten bijzonder gehaast hen door te sturen, zodat ze niet meer zichtbaar waren voor iemand die vanuit de heuvels toekeek. Sommigen tuurden naar de verre hoogten en Perijn hoefde hun geur niet op te snuiven om hun verontrusting te voelen over wie zich daar misschien verborgen hield, wie er mogelijk – hoe onwaarschijnlijk ook – een zuster zou hebben herkend.