Perijn reed naar het noorden, naar hun kamp. Hij bleef vlak onder de top van de heuvelrug tot ze vanaf Bethals toren niet meer te zien waren, waarna hij omlaag reed naar de ingeklonken zandweg. Her en der lagen boerderijen langs de weg, behuizingen met rieten daken en lange smalle schuren tussen geeldroge landerijen, stoppelvelden en geitenweitjes met hoge stenen muren eromheen. Fr was echter maar weinig vee te zien en nog minder mensen. De bewoners hielden de ruiters behoedzaam in het oog, als ganzen die naar vossen staarden; ze hielden ter plekke op met werken tot de paarden voorbij waren. Op zijn beurt hield Aram hen strak in de gaten en voelde soms aan het gevest dat boven zijn schouder uitstak, wellicht met de wens meer dan boerenvolk aan te treffen. Ondanks zijn groengestreepte jas was er nog maar weinig van een Ketellapper in hem over. Edarra en Nevarin liepen naast Stapper mee, en deden het op een wandelingetje lijken, al hielden ze hem in hun ruime rokken gemakkelijk bij. Vlak achter hen volgde Seonid op haar ruin, met daarachter Furen en Teryl die haar in de rug dekten. De bleke Groene deed net of ze uit eigen wil twee stappen achter de Wijzen reed, maar de mannen keken openlijk grimmig. Zwaardhanden hadden vaak meer oog voor de waardigheid van hun Aes Sedai dan die zuster zelf, en Aes Sedai hadden net zoveel waardigheid als koninginnen. Faile hield Zwaluw aan de andere kant van de Aielvrouwen, ze reed zwijgend mee en deed net of ze het door droogte geteisterde landschap opnam. Slank en sierlijk liet ze Perijn in het beste geval enigszins lomp lijken. Ze had een levendig temperament en meestal vond hij dat geweldig, maar... Er was wat wind opgestoken, genoeg om haar geur met die van de anderen te vermengen. Hij wist dat hij aan Alliandre moest denken en aan wat haar antwoord zou zijn, of nog beter: aan de Profeet en hoe hij hem kon vinden zodra Alliandre had geantwoord, hoe dan ook, maar zijn hoofd stond er niet naar. Hij had gedacht dat Faile boos zou zijn omdat hij had gekozen voor Berelain, al had Rhand haar juist met dat doel meegestuurd. Faile wist dat hij niet wilde dat ze gevaar liep, niet het minste, en dat stond haar nog meer tegen dan Berelain. Maar haar geur was zo zacht geweest als een zomerochtend, tot hij had geprobeerd zich te verontschuldigen! Nou ja, een verontschuldiging deed haar boosheid meestal opvlammen, als ze daarvóór al boos was – tenzij haar boze bui erdoor wegsmolt – maar ze was niét boos geweest! Zonder Berelain verliep alles even glad en zacht als satijn. Meestal. Maar verklaringen dat hij niets deed om die vrouw aan te moedigen – verre van dat! – kregen alleen een kortaf: ‘Natuurlijk doe je dat niet!’ op een toon die hem een dwaas noemde dat hij het zelfs maar ter sprake bracht. Maar ze werd nog steeds boos – op hém! – telkens wanneer Berelain hem een glimlach schonk of een smoes vond om hem aan te raken, al weerde hij haar nog zo bruusk af en het Licht wist dat hij dat altijd deed. Afgezien van Berelain in de boeien slaan wist hij niet wat hij nog meer kon doen om haar af te schrikken. Luchthartige pogingen om van Faile te horen wat hij verkeerd deed, eindigden met een licht: ‘Waarom denk je dan dat je iets hebt gedaan?’, of een minder licht: ‘Wat denk jij dan dat je misdaan hebt?’ of een vlak: ik wil er niet over praten.’ Hij dééd iets verkeerd, maar hij kon er niet achter komen wat. Maar er moest iets zijn. Niets was belangrijker dan Faile. Niets! ‘Heer Perijn?’
Arams opgewonden stem verbrak zijn sombere gedachten. ‘Noem me niet zo,’ mompelde hij, en hij keek in de richting die de man aanwees. Op enige afstand lag weer zo’n verlaten boerderij waarvan de daken door brand verwoest waren. Alleen de ruwstenen muren stonden nog overeind. Een in de steek gelaten boerderij, maar niet verlaten. Er steeg woest geschreeuw op.
Ruim tien kerels in versleten kleren, met speren en hooivorken, probeerden over een borsthoge stenen muur een geitenweitje binnen te dringen, terwijl aan de andere kant een handvol mannen dat trachtte te verhinderen. Daarbinnen sprongen verschillende paarden geschrokken van het lawaai wild rond en drie vrouwen zaten te paard. Ze keken echter niet afwachtend toe hoe het allemaal zou aflopen. Eén vrouw leek stenen te gooien en terwijl Perijn keek, reed een andere vrouw wild op de muur af om uit te halen met een lange knuppel, terwijl de derde haar paard op zijn achterbenen liet staan, waardoor een grote kerel achterover van de muur tuimelde om uit de buurt van die malende hoeven te komen. Er waren echter te veel aanvallers en de muur was te lang om te verdedigen, ik raad u aan er met een bocht omheen te rijden,’ zei Seonid. Edarra en Nevarin schonken haar een grimmige blik, maar ze zette door, terwijl haar haast het terloopse van haar woorden verdrong. ‘Dat zijn zeker mannen van de Profeet en zijn mannen doden is een slecht begin. Tienduizenden, honderdduizenden zullen wellicht sterven als u niets tegen hen klaarspeelt. Is het ’t waard dat te riskeren alleen om dit handjevol mensen te redden?’
Perijn was niet van plan iemand te doden als hij dat kon voorkomen, maar hij was ook niet van plan de andere kant op te kijken. Hij verspilde echter geen tijd aan uitleg. ‘Kunnen jullie ze afschrikken?’ vroeg hij Edarra. ‘Enkel wat angst aanjagen?’ Hij herinnerde zich maar al te goed wat de Wijzen bij Dumais Bron hadden gedaan. En de asha’man. Het was misschien maar goed dat Gradi en Neald er niet bij waren.
‘Misschien,’ antwoordde Edarra, en ze nam de groep mensen rond de wei op. Ze schudde halfslachtig haar hoofd en trok haar schouders enigszins op. ‘Misschien.’ Dat zou genoeg moeten zijn. ‘Aram, Furen, Teryl,’ zei hij scherp. ‘Volg mij!’ Hij porde in Stappers flanken en terwijl het dier naar voren sprong, zag hij opgelucht dat de zwaardhanden meteen volgden. Vier man in de aanval maakten meer indruk dan twee. Hij hield zijn handen aan de teugels en niet bij zijn bijl.
Hij vond het minder fijn, toen Faile op Zwaluw naast hem mee galoppeerde. Hij wilde wat zeggen en ze trok een wenkbrauw hoog op. Haar zwarte haren waren prachtig, zoals ze in de wind wapperden. Ze was prachtig. Een hoog opgetrokken wenkbrauw, meer niet. Hij veranderde wat hij had willen zeggen in: ‘Bewaak mijn rug.’ Glimlachend trok ze ergens een dolk vandaan. Met al haar verborgen wapens was het een wonder dat hij zich niet sneed bij een poging haar te omhelzen.
Zodra hij weer voor zich keek, probeerde hij verbeten naar Aram te gebaren zo dat zij het niet kon zien. Aram knikte, maar boog zich met getrokken zwaard naar voren, bereid om de eerste de beste van dat tuig eraan te rijgen. Perijn hoopte dat de man zou begrijpen dat hij Failes rug en de rest van haar moest beschermen, als het daadwerkelijk tot een handgemeen kwam.
Geen van die rabauwen had hen opgemerkt. Perijn schreeuwde, maar ze leken hem door hun eigen gebrul niet te horen. Een man in een veel te grote jas slaagde erin boven op de muur te klauteren en twee anderen stonden op het punt hetzelfde te doen. Als die Wijzen nog iets wilden doen, werd het wel zo’n beetje...
Een donderslag bijna vlak boven hun hoofd maakte Perijn zowat doof. Een oorverdovende klap, waardoor Stapper struikelde voor hij weer verdersprong. De aanvallers merkten dit zeker op. Ze wankelden op hun benen en keken wild om zich heen, terwijl enkelen hun handen tegen hun oren sloegen. De man op de muur verloor zijn evenwicht en viel er aan de buitenkant af. Hij sprong echter meteen weer op, boos naar de omheining gebarend, en enkelen van zijn kameraden schoten weer toe. Maar toen zagen de anderen Perijn, en ze wezen druk pratend, maar niemand ging ervandoor. Enkelen hieven hun wapens.