Выбрать главу

Opeens verscheen boven het geitenweitje een wiel van vuur, even breed als een kleine man, dat al tollend vonkende steekvlammen rondslingerde met een geluid dat aanzwol en weer afnam, van treurig gekreun tot gierend gejammer en weer gekreun. De mannen in de slonzige kleren schoten als vluchtende kwartels alle kanten op. De man in de te grote jas zwaaide nog even met zijn armen en schreeuwde hen na, maar na een laatste blik op het vuurwiel vluchtte hij eveneens.

Perijn lachte bijna. Hij zou niemand hoeven te doden. En hij hoefde zich geen zorgen te maken dat Faile een hooivork in de ribben kreeg. Blijkbaar waren de mensen in de wei even bang als die erbuiten. Een van hen tenminste. De vrouw die haar paard naar de aanvallers had laten schoppen, gooide het hek open en zette haar ros aan tot een onhandige galop. De weg af, uit de buurt van Perijn en de anderen. ‘Wacht!’ riep Perijn. ‘We doen je geen kwaad!’ Of ze het hoorde of niet, ze bleef met de teugels slaan. Een pak dat achterop haar zadel was gebonden, wipte wild op en neer. Die mannen gingen er nu wel zo snel mogelijk vandoor, maar als zij er alleen tussenuit kneep, konden zelfs twee of drie haar nog kwaad doen. Perijn boog zich plat over Stappers nek, gebruikte zijn hielen en het vaalgrijze dier schoot als een pijl naar voren.

Hij was heel groot, maar Stapper had zijn naam gekregen vanwege meer dan wat danspassen. Bovendien was het wankel dravende rijdier van de vrouw amper geschikt om te berijden. Met iedere pas verkleinde Stapper de afstand, tot Perijn de halster van het andere paard kon grijpen. Van dichtbij was haar vos met de stompe neus vol schuimig zweet nauwelijks beter dan kraaienvoer, en uitgeputter dan na zo’n korte ren zou mogen. Langzaam bracht hij beide paarden tot stilstand.

‘Vergeef me als ik u angst aanjoeg, vrouw,’ zei hij. ik wil u echt geen kwaad doen.’

Voor de tweede keer die dag kreeg een verontschuldiging niet het antwoord dat hij verwachtte. Boze blauwe ogen staarden hem aan vanuit een gezicht dat omringd werd door lange roodgouden krullen. Een gezicht als dat van een koningin, al ging het schuil onder een dikke laag stof en zweet. Haar kleren waren van eenvoudige wol, gevlekt door de reis en even stoffig als haar wangen, maar haar gelaat was zowel woedend als koninklijk, ik heb zeker geen...’ begon ze met ijskoude stem, proberend haar paard los te rukken. Ze zweeg echter meteen toen er een tweede vrouw, met witte haren en broodmager, kwam aangalopperen op een iele bruine merrie die er nog ongezonder uitzag dan de vos. Deze mensen moesten lange tijd zeer snel gereisd hebben. De oudere vrouw was even afgetobd en zat net zo onder het stof als de jongere.

Beurtelings keek ze Perijn stralend en de vrouw bestraffend aan. Perijn hield nog steeds het paard aan het hoofdstel vast. ‘Dank u, mijn heer.’ Haar stem, ijl maar sterk, sloeg over toen ze zijn ogen zag, maar goudgele ogen bij een man hielden haar slechts kort tegen. Ze was geen vrouw die gemakkelijk uit haar evenwicht raakte. Ze had nog steeds de dikke stok vast die ze als wapen had gebruikt. ‘Uw redding kwam precies op tijd. Maighdin, wat bezielt je? Je had wel gedood kunnen worden! En de rest van ons ook! Ze is een eigenwijze meid, mijn heer, ze springt altijd zonder te kijken. Denk eraan, kind, een dwaas laat vrienden in de steek en ruilt zilver voor glimmend koper. Wij danken u echt, mijn heer, en Maighdin zal dat ook doen wanneer ze weer bij zinnen is.’

Maighdin was zeker tien jaar ouder dan Perijn en alleen naast die oudere vrouw kon ze een meisje worden genoemd. Maar ondanks de vermoeide grijns die bij haar geur paste, ergernis met sliertjes boosheid, slikte ze de toespraak. Ze probeerde nog eenmaal halfslachtig haar paard los te rukken voor ze het opgaf. Ze liet haar handen op de zadelboog rusten, keek Perijn beschuldigend aan en knipperde toen met haar ogen. Weer vanwege zijn gele ogen. Maar ondanks de vreemdheid ervan rook ze niet bang. De oude vrouw wel, maar Perijn dacht niet dat dat vanwege hem was.

Een andere reisgezel van Maighdin, een ongeschoren kerel, eveneens op een haveloos grijs paard met knobbelknieën, kwam onder het gepraat van de oudere vrouw naderbij, maar hield zich achteraf. Hij was groot, even groot als Perijn maar lang niet zo breed. Hij droeg een door het reizen versleten donkere jas met een riem waaraan een zwaard hing. Net als de vrouwen had hij een opgerolde bundel achter zijn zadel. Het windvlaagje wervelde zijn geur naar Perijn toe. Hij was niet bang, maar behoedzaam. En als de manier waarop hij naar Maighdin keek een aanwijzing was, werd die behoedzaamheid vooral door haar veroorzaakt. Misschien was dit toch minder simpel dan reizigers uit handen van een bende bandieten redden. ‘Misschien kunnen jullie beter meekomen naar mijn kamp,’ zei Perijn die eindelijk de halster losliet. ‘Daar... zullen jullie veilig zijn voor rovers.’ Hij rekende er min of meer op dat Maighdin als een haas naar de boszoom zou schieten, maar ze wendde haar paard naar hem toe, zodat ze met haar rug naar de geitenwei zat. Ze rook... berustend.

Toch zei ze: ik dank u voor uw aanbod, maar ik... wij... moeten onze reis voortzetten. Wij gaan verder, Lini,’ voegde ze er vastberaden aan toe en de oudere vrouw keek haar zo streng aan, dat Perijn zich afvroeg of ze moeder en dochter waren, ook al noemde Maighdin Lini bij haar voornaam. Ze leken in het geheel niet op elkaar. Lini had een smal gezicht en een huid als perkament, ze was een en al pezen en spieren, terwijl Maighdin onder al dat stof weleens een knappe vrouw kon zijn. Als een man van blond haar hield. Perijn wierp een blik over zijn schouder naar de man die op de achtergrond bleef. Hij zag er hard uit en moest zich nodig scheren. Misschien hield hij van blond haar. Misschien hield hij er te veel van. Mannen maakten om die reden wel vaker moeilijkheden, voor zichzelf en voor anderen.

Faile zat verderop op Zwaluw en keek over de muur naar de mensen in de geitenwei. Misschien was er iemand gewond. Seonid en de Wijzen waren nergens te zien. Aram had het blijkbaar begrepen; hij was dicht bij Faile, hoewel hij vol ongeduld naar Perijn keek. Het gevaar was echter duidelijk geweken.

Voordat Perijn halverwege de geitenwei was, verscheen Teryl met een man met opeenstaande ogen en een stoppelbaard. Hij sprong mee naast Teryls vos, doordat de vuist van de zwaardhand zijn kraag stevig vasthield, ik dacht dat we er maar eentje moesten grijpen,’ zei Teryl met een harde grijns. ‘Volgens mijn ouwe va is het altijd het beste om beide zijden te horen, wat je ook meent te zien.’ Perijn was verbaasd. Hij had gemeend dat Teryl nooit verder dacht dan de punt van zijn zwaard.

Zelfs nu de rafelige jas zo opgetrokken werd, was het kledingstuk veel te ruim voor de man met de stoppelbaard. Perijn betwijfelde of iemand anders hem op die afstand goed had kunnen opnemen, maar hij herkende ook de haviksneus. Deze man was als laatste weggevlucht en ook nu was hij niet onder de indruk. Zijn honende grijns was op allen gericht. ‘Hierdoor zitten jullie diep in de stront,’ kraste hij. ‘Wij waren wel mooi bezig het bevel van de Profeet uit te voeren. De Profeet zegt dat een man die een vrouw lastig valt terwijl ze hem niet moet, sterft. Dit stel joeg achter haar aan’ – een gebaar met zijn kin naar Maighdin – ‘en ze vluchtte heel hard weg. De Profeet laat je oren eraf snijden.’ Om dat te benadrukken, spoog hij op de grond.

‘Dat is belachelijk,’ verkondigde Maighdin met een heldere stem. ‘Die mensen zijn mijn vrienden. Deze man heeft alles wat hij zag, volkomen verkeerd begrepen.’

Perijn knikte en als zij meende dat hij het met haar eens was, vond hij dat best. Maar als hij de woorden van deze kerel naast die van Lini legde... Veel minder eenvoudig.

Faile en de rest sloten zich weer aan, gevolgd door de andere reisgezellen van Maighdin. Nog drie mannen en een derde vrouw, allemaal met uitgeputte paarden aan de hand, die nog maar weinig spannen mee hadden gekund. Mogelijk waren het ooit mooie paarden geweest, maar dan was dat wel vele jaren geleden. Zo’n fraaie verzameling knobbels, krakende gewrichten, kreupele benen en doorgezakte ruggen had Perijn nog nooit gezien. Als altijd ging zijn eerste blik naar Faile – zijn neusvleugels trilden om haar geur op te vangen – maar Seonid trok zijn aandacht. Ineengezakt in haar zadel, met vuurrode wangen staarde ze verongelijkt voor zich uit. Er was wat vreemds met haar gezicht: haar wangen stonden bol, haar mond was niet helemaal dicht. Er zat iets, iets van rood en blauw... Perijn knipperde met zijn ogen. Tenzij hij het zich verbeeldde was er een opgerolde doek in haar mond gepropt! Als Wijzen een leerlinge zeiden haar mond te houden, zelfs een Aes Sedai-leerlinge, meenden ze het blijkbaar. Hij was niet de enige met scherpe ogen. Maighdins mond viel open toen ze Seonid zag, en ze keek hem lang en nadenkend aan, alsof hij voor die doek verantwoordelijk was. Zozo, dus zij herkende een Aes Sedai ook op het eerste oog... Ongewoon voor de boerenvrouw die ze leek. Ze praatte ook niet als zo’n vrouw.