Furen, die achter Seonid reed, had een gezicht als een donderwolk, maar het was Teryl die alles nog minder eenvoudig maakte door iets op de grond te gooien, ik vond dit in zijn spoor,’ zei hij, ‘hij heeft het misschien bij het rennen laten vallen.’
Het drong eerst niet tot Perijn door waar hij naar keek. Een streng ongelooide huid, zo te zien vol lapjes verschrompeld leer. Toen ontblootten zijn tanden zich tot een grauw. ‘De Profeet zou onze oren krijgen, zei je.’
De stoppelbaard gaapte Seonid niet langer aan en likte zijn lippen af. ‘Dat... dat heeft Hari gedaan,’ stribbelde hij tegen. ‘Hari is een vuilak. Hij wilde ze tellen, zegetekens, en hij... eh...’ Hij schokschouderde in de buitgemaakte jas en dook als een in de hoek gedreven hond in elkaar. ‘Daar kun je me niks voor maken! De Profeet zal jullie hangen als je me aanraakt. Hij heeft al eerder edelen opgehangen, mooie heren en vrouwes. Ik wandel in het Licht van de gezegende Drakenheer.’
Perijn leidde Stapper naar de man toe en zorgde er terdege voor dat de hoeven die... dingen op de grond niet raakten. Hij wilde die kerel zeker niet ruiken, maar hij boog zich voorover en hield zijn gezicht vlak bij de man. Zuur zweet vermengde zich met vrees, paniek en een tikkeltje kwaadheid. Jammer dat hij geen schuld kon opsnuiven. ‘Misschien laten vallen’ was nog niet ‘weggegooid’. De dicht opeenstaande ogen werden groter en de man drukte zich tegen Teryls ruin. Af en toe hadden gele ogen hun nut.
‘Als ik kon bewijzen dat dit van jou is, zou ik je aan de dichtstbijzijnde boom opknopen,’ grauwde hij. De kerel knipperde met z’n ogen en begon wat blijer kijken toen de woorden tot hem doordrongen, maar Perijn gaf hem niet de tijd om weer te gaan snoeven, ik ben Perijn Aybara en jouw geliefde heer Draak heeft me hierheen gestuurd. Vertel dat maar rond. Hij heeft mij gestuurd en wie ik met dat soort zegetekens vind... krijgt van mij de strop! Wie ik een boerderij in brand zie steken: de strop! En wie het waagt mij vuil aan te kijken: de strop. En vertel maar tegen Masema dat ik dat gezegd heb!’ Vol afkeer richtte Perijn zich op. ‘Laat hem los, Teryl. Als hij in twee zuchtjes niet uit mijn ogen is...’
Teryls hand ging open en de kerel schoot met een noodgang op de bosrand af, zonder ook maar eenmaal om te kijken. Een deel van Perijns afkeer gold hemzelf. Dreigementen! Als een van hen hem vuil aankeek? Maar als die naamloze kerel niet zelf oren had afgesneden, dan had hij wel staan toekijken zonder iets te doen. Faile glimlachte en haar trots glom door het zweet op haar gezicht heen. Haar blik spoelde iets van Perijns walging weg. Voor die blik zou hij door het vuur gaan.
Niet iedereen keek natuurlijk goedkeurend. Seonid had haar ogen dichtgeknepen en haar in handschoenen gehulde vuisten trilden aan haar teugels, alsof ze wanhopig graag die doek uit haar mond wilde trekken om hem haar gedachten duidelijk te maken. Hij kon die trouwens zo wel raden. Edarra en Nevarin hadden hun omslagdoek omgeslagen en keken hem duister aan. O ja, hij kon het gemakkelijk raden.
‘Ik dacht dat alles om geheimhouding draaide,’ zei Teryl terloops terwijl hij de hollende stoppelbaard nakeek, ik meende dat die Masema niet mocht weten dat jij er was, tot je in zijn oorschelpjes kon fluisteren.’
Dat was het plan geweest. Rhand had het als voorzorg geopperd en Seonid en Masuri hadden elke kans aangegrepen dit te onderstrepen. Per slot van rekening, Profeet van de Draak of niet, zou Masema misschien niet echt met een man van Rhand willen praten, gezien de dingen die hij naar men zei aan zijn volgelingen had toegestaan. Die oren waren niet het ergste, als je zelfs maar een tiende van de geruchten geloofde. Edarra en de andere Wijzen zagen Masema als een mogelijke vijand, die je in de val moest lokken voor hij zijn eigen strikken kon uitzetten.
‘Van mij wordt verwacht dat ik... daar een einde aan maak,’ zei Perijn, boos naar de leren streng op de grond gebarend. Hij had de geruchten gehoord en niets gedaan. Nu had hij het zelf gezien, ik kan net zo goed nu beginnen.’ En als Masema eens besloot dat hij de vijand was? Hoeveel duizenden volgden de Profeet, uit geloof of uit vrees? Het deed er niet toe. ‘Het moet ophouden, Teryl! Het houdt op!’
De Morlander knikte langzaam en nam Perijn op alsof hij hem voor het eerst goed zag.
‘Mijn heer Perijn?’ vroeg Maighdin. Hij was haar en haar vrienden helemaal vergeten. De anderen hielden zich wat achteraf, de meesten nog steeds te voet. Afgezien van de man die Maighdin had gevolgd, waren er nog drie mannen en twee ervan schuilden achter hun paarden. Lini leek het meest behoedzaam. Haar ogen waren bezorgd op hem gericht. Ze had haar paard vlak naast dat van Maighdin gereden en leek gereed om de halster te grijpen. Niet om te voorkomen dat de jongere vrouw ervandoor zou gaan, maar om zelf te ontkomen en Maighdin mee te voeren. Maighdin zelf leek volkomen op haar gemak, maar nam Perijn eveneens grondig op. Amper verwonderlijk met al die opmerkingen over de Profeet en de Herrezen Draak, naast zijn gele ogen. En een Aes Sedai met een prop in haar mond. Hij rekende erop dat ze onmiddellijk wilde vertrekken, maar in plaats daarvan zei ze: ‘We zullen uw vriendelijke aanbod aannemen. Enkele dagen rust in uw kamp zouden weleens het beste kunnen zijn.’
‘Wat u zegt, vrouw Maighdin,’ zei hij langzaam. Zijn verbazing verbergen was lastig. Vooral nu hij de twee mannen had herkend die hun paarden tussen hem en henzelf probeerden te houden. Was het ta’veren dat ze elkaar ontmoetten? In elk geval een vreemd voorval. ‘Dat kon weleens het beste zijn.’
8
Een eenvoudige boerin
Het kamp lag ongeveer een roede verder, een behoorlijk eind van de weg, tussen lage beboste heuvels, vlak achter een stroompje dat uit tien pas rotsige keien en vijf pas water bestond en nergens meer dan kniediep was. Kleine, groen met zilveren visjes dartelden voor de paardenhoeven opzij. Een toevallige voorbijganger zou waarschijnlijk niet op hun krijgsmacht stuiten. De dichtstbijzijnde bewoonde boerenhoeve lag een span verder, en Perijn had persoonlijk gekeken of die boerenmensen hun dieren naar een andere drinkplaats brachten.
Hij had echt getracht zo weinig mogelijk aandacht te trekken door achterafweggetjes en smalle paden te gebruiken wanneer er geen bos was. Eigenlijk een vergeefse poging. De paarden konden op elk grasveld geweid worden maar hadden op z’n minst een beetje graan nodig, en zelfs een klein leger moest voedsel kopen, heel veel voedsel. Elke man had per dag zo’n vier pond meel, bonen en vlees nodig. Geldan zou wel gonzen van de geruchten over hun strijdmacht, maar als ze geluk hadden vermoedde niemand wie zij waren. Perijns gezicht vertrok. Dat was waarschijnlijk het geval geweest tot hij zelf zo nodig zijn mond moest opentrekken. Niettemin zou hij het niet anders hebben opgelost.
Feitelijk waren er drie kampen, dicht bij elkaar en niet al te ver van het water. Ze trokken gezamenlijk verder, allen werden geacht hem te volgen en te gehoorzamen. Maar er waren te veel persoonlijkheden bij betrokken en niemand wist volkomen zeker of een ander wel hetzelfde doel nastreefde. Zo’n negenhonderd Vleugelgardisten hadden hun kookvuren tussen de rijen aangelijnde paarden op een groot weiland van vertrapt bruin gras. Hij probeerde zijn neus dicht te houden voor de geuren van paarden, zweet, mest en gebraden geitenvlees, wat zeker op een hete dag een onprettig mengsel opleverde. Een tiental wachten te paard reed langzaam rond in paren. Hun lange lansen met rode wimpels wezen allemaal in precies dezelfde hoek omhoog, maar de andere Mayeners hadden hun borstkurassen en helmen afgedaan. In de zon, zonder jas en vaak zonder hemd, wachtten ze, languit op hun dekens en dobbelend, op het eten. Sommigen keken op toen Perijn langsreed, een aantal richtte zich op van hun bezigheden om te zien wie zich bij zijn groep had aangesloten, maar niemand kwam aanhollen, dus waren de verkenners nog niet terug. Kleinere verkenningsgroepen zonder lansen, die onopgemerkt konden rondkijken. Nou ja, dat hoopte hij. Had hij gehoopt. Een handvol gai’shain verrichtte verschillende werkjes tussen de lage grijsbruine tenten van de Wijzen op de spaarzaam begroeide heuvelrand boven de Mayeners. Op deze afstand leken de witgeklede gestalten onschuldig, met hun neergeslagen ogen en gedweeë houding. Van dichtbij zouden ze er hetzelfde uitzien, maar de meeste gai’shain waren Shaido. De Wijzen beweerden dat gai’shain gai’shain waren, maar Perijn vertrouwde geen enkele Shaido buiten zijn gezichtsveld. Aan een kant van de helling zat onder een armetierige bittergom-boom een tiental Speervrouwen in cadin’sor neergeknield rond Sulin, die ondanks haar witte haren de taaiste van hen was. Ook zij had verkenners uitgestuurd; vrouwen die te voet even snel waren als de Mayeners te paard, en die waarschijnlijk wel aan ongewenste aandacht zouden ontsnappen. Geen van de Wijzen daarboven was buiten, maar een slanke vrouw stond in een grote ketel te roeren. Ze richtte zich op en bewerkte haar rug met haar knokkels, terwijl ze Perijn en de voorbijgangers opnam. Een vrouw in groenzijden rijkleding.