Выбрать главу

Hij kon de woede op Masuri’s gezicht zien. Een Aes Sedai roerde niet in ketels en verrichtte evenmin de twintig andere taken die de Wijzen haar en Seonid opdroegen. Masuri gaf Rhand de schuld, maar hij was niet hier en Perijn wel. Bij de eerste de beste gelegenheid zou ze hem villen.

Edarra en Nevarin liepen die kant op en zelfs hun ruime rokken deden de laag dode bladeren die een tapijt op de grond vormde, amper opdwarrelen. Seonid volgde. Haar wangen stonden nog bol door de prop. Ze verschoof in het zadel en keek om naar Perijn. Als hij ooit zou geloven dat een Aes Sedai bezorgd keek, dan had hij het zo omschreven. Furen en Teryl die achter haar reden, trokken grimmige gezichten.

Masuri zag hen aankomen en boog zich haastig weer over de zwarte ketel alsof ze met hernieuwde ijver de indruk wilde wekken dat ze al die tijd had doorgewerkt. Zolang Masuri onder de hoede van de Wijzen bleef, hoefde hij zich over zijn huid geen zorgen te maken, bedacht hij. De Wijzen leken de lijn heel strak te houden.

Nevarin keek naar hem om, met net zo’n duistere blik als hij van haar en Edarra had opgevangen sinds hij die stoppelbaard zijn dreigende waarschuwing had meegegeven. Perijn blies vertwijfeld zijn adem uit. Hij hoefde zich over zijn huid geen zorgen te maken, tenzij de Wijzen op hun beurt besloten hem te villen. Te veel karakters. Te veel doelen.

Maighdin reed aan Failes zijde en scheen niet te letten op alles waar ze langsreden, maar hij zou er nog geen bijgevijld koperstuk om durven verwedden. Haar ogen sperden zich een haartje verder open bij het zien van de Mayeense schildwachten. Zij wist waar rode kurassen en gerande pothelmen op wezen, even goed als ze een Aes Sedai-gezicht herkende. De meeste mensen zouden noch het een noch het ander hebben herkend, zeker degenen die zo boers gekleed waren. Die Maighdin was een raadsel. Om de een of andere reden kwam ze hem vaag bekend voor.

Lini en Tallanvor – zo had Maighdin de man genoemd die haar achterna was gereden; ‘jonge’ Tallanvor, hoewel er niet meer dan vier of vijf jaar verschil tussen hen kon bestaan – bleven zo dicht mogelijk bij Maighdin. Aram hinderde Perijn doordat hij hem op de voet volgde. Hetzelfde deed het kleine opdondertje met de samengeknepen mond dat Balwer werd genoemd. Hij leek nog minder op de omgeving te letten dan Maighdin voorgaf. Desondanks dacht Perijn dat Balwer meer zag dan zij. Hij kon niet precies aangeven waarom, maar de paar keer dat hij de botdroge geur van het mannetje had opgevangen, moest hij denken aan een wolf die de lucht opsnoof. Vreemd genoeg was er bij Balwer niets van angst te bespeuren, slechts snel onderdrukte, oplaaiende ergernis doorschoten met een trillende vleug ongeduld. De andere reisgenoten van Maighdin bleven een behoorlijk eind achter. De derde vrouw, Breane, zat heftig te fluisteren tegen een in elkaar gedoken kerel die zijn ogen had neergeslagen. Soms knikte hij stil en soms schudde hij zijn hoofd. Hij had de brede schouders van een straatrabauw, daar zou hij zijn laarzen om verwedden, maar ook de kleine vrouw had een zekere taaiheid. De laatste man verschool zich achter die twee, een gezette man met een sliertige, diep omlaag getrokken strohoed die zijn gezicht verborg. Het zwaard dat alle mannen droegen, leek even weinig bij hem te passen als bij Balwer.

Het derde deel van het kampement, verspreid onder de bomen, om de kromming van de heuvel achter de Mayeners, nam evenveel plaats in als dat van de Vleugelgarde, maar er waren veel minder mensen. Hier stonden de aangelijnde paarden vrij ver van de vuren, zodat de kookluchtjes niet werden bedorven. Vandaag was er geroosterd geitenvlees met harde knollen die de boeren zelfs in deze zware tijd waarschijnlijk aan hun varkens hadden willen voeren. Een kleine driehonderd mannen uit Tweewater die Perijn waren gevolgd, draaiden het spit rond, verstelden kleren of keken pijlen en bogen na. Ze zaten verspreid rond de kampvuren, in willekeurige groepjes van vijf of zes vrienden. Bijna iedereen zwaaide en riep een groet, hoewel hij naar zijn zin veel te vaak ‘Heer Perijn’ en ‘Perijn Guldenoog’ hoorde. Alleen Faile had recht op de titels die ze haar gaven. Gradi en Neald zweetten niet in hun nachtzwarte jassen en ze juichten evenmin. Ze stonden slechts toe te kijken naast het kookvuur dat ze op enige afstand van de anderen hadden aangelegd. Vol verwachting, meende hij. Wat verwachtten ze? Dat was de vraag die hij zich altijd over hen stelde. Hij voelde zich niet op zijn gemak bij Asha’man, nog minder dan bij Aes Sedai of Wijzen. Een geleidster van de Ene Kracht was heel gewoon, al was ze niet iemand bij wie je je als man prettig voelde. Gradi leek, ondanks de jas en het zwaard, met zijn gewone gezicht op een boer en Neald door zijn krulsnor op een windbuil. Perijn kon echter niet vergeten wat zij waren en wat ze bij Dumais Bron hadden gedaan. Maar ja, hij was daar ook geweest. Het Licht mocht hem helpen, dat was hij. Hij rukte zijn hand van de bijl aan zijn riem en steeg af.

Bedienden, mannen en vrouwen van Dobraines landerijen in Cairhien, kwamen van de aangelijnde paarden aanhollen om hun rijdieren over te nemen. Niemand reikte tot Perijns schouder. Het waren mensen in eenvoudige boerenkleren die ijverig bogen en knixen maakten. Faile had hem gezegd dat hij ze van streek maakte, wanneer hij dat alles wilde tegengaan of op z’n minst probeerde hen wat minder hun hoofd of knie te laten buigen. En eigenlijk roken ze ook zo, wanneer hij dat deed. En binnen een paar uur waren die pluimstrijkerijen weer helemaal terug. Anderen, een bijna even grote groep als die uit Tweewater, waren bezig met de paarden of bij de lange rij karren die alle voorraden meevoerden. Enkelen schoten een grote rood-witte tent in en uit.

Zoals altijd zorgde die tent ervoor dat Perijn zich opgelaten voelde. Berelain had een nog grotere tent in het Mayeense deel van het kamp, plus een tweede voor haar twee dienstmeiden en nog eentje voor de twee dievenvangers die zij per se had willen meebrengen. Annoura had een eigen tent, evenals Gallenne, maar in dit deel van het kamp hadden alleen Faile en hij er een voor henzelf. Wat hem betrof, had hij net zo lief onder de blote hemel geslapen, net als de mannen van thuis. Die hadden slechts een deken over zich heen. Ze hoefden toch niet bang te zijn voor regen. De Cairhiense bedienden sliepen onder de wagens. Maar dat kon hij niet van Faile vragen, niet nu Berelain wel een tent had. Had hij Berelain maar in Cairhien kunnen laten. Maar dan had hij Faile naar Bethal moeten sturen. Twee banieren op hoge, pas gekapte palen midden in een open ruimte bij de tent bedierven zijn stemming nog meer. De wind was wat aangewakkerd, al was het nog steeds te warm. Opnieuw meende hij in het westen onweer te horen. De vlaggen rimpelden langzaam open, vielen door hun zwaarte weer omlaag, wapperden weer open. Zijn Rode Wolfskop met de vuurrode rand en de Rode Adelaar van het Manetheren van weleer waren ondanks zijn bevelen van heinde en ver te zien. Misschien hield hij zich niet meer zo volkomen schuil, maar het huidige Geldan was een deel van Manetheren geweest. Alliandre zou zich niet laten ompraten, als ze van dié banier hoorde. Hij slaagde erin een aardig gezicht en een glimlach te tonen aan een mager vrouwtje dat een diepe knix maakte en Stapper meevoerde, maar het lukte maar net. Heren werden gehoorzaamd, zei men, en als men aannam dat hij een heer was, vond hij eigenlijk dat het hem niet al te best afging.