Maighdin stond met de vuisten in haar zij de rimpelende vlaggen te bekijken, terwijl haar paard met die van de anderen werd weggeleid. Verbaasd zag hij dat Breane onhandig zowel haar eigen dekenrol als die van de ander droeg. Ze toonde een wrokkige boosheid die voor de andere vrouw was bedoeld, ik heb van dergelijke banieren gehoord,’ zei Maighdin opeens. Boos. In haar stem was geen boosheid te horen en haar gezicht was even glad als ijs, maar Perijns neus ving haar woede op. ‘Ze werden gehesen door mannen in Andor, in Tweewater, die in opstand kwamen tegen hun rechtmatige vorstin. Aybara is, dacht ik, een naam uit Tweewater.’
‘We weten weinig van rechtmatige vorstinnen in Tweewater, vrouw Maighdin,’ gromde hij. Hij zou degene villen die ditmaal de vaandels had gehesen. Als de verhalen over een opstand al zo wijd verspreid waren... Hij had al te veel moeilijkheden, hij hoefde er niet nog meer. ik neem aan dat Morgase een goede koningin was, maar we waren op onszelf aangewezen en hebben onze eigen boontjes gedopt.’ Opeens wist hij aan wie ze hem deed denken. Aan Elayne. Niet dat dat iets te betekenen had. Hij had op duizenden spannen van Tweewater mannen gezien die bij een Emondsveldse familie leken te horen. Niettemin moest ze een reden hebben voor haar boosheid. Haar spraak deed Andoraans aan. ‘Het is in Andor niet zo erg als je wellicht hebt opgevangen,’ zei hij. ‘Caemlin was rustig, de laatste keer dat ik er was, en Rhand, de Herrezen Draak, is van plan de dochter van Morgase, Elayne, op de Leeuwen troon te zetten.’
Maighdin was absoluut niet gerustgesteld, maar plantte zich voor hem neer en haar blauwe ogen spogen vuur. ‘Hij is van plan haar op de troon te plaatsen? Niemand plaatst een koningin op de Leeuwentroon! Elayne heeft een récht om de troon van Andor op te eisen!’
Perijn krabde zijn hoofd en wenste dat Faile de vrouw niet zo kalm bleef aankijken, maar iets zou zeggen. Ze stak echter haar rijhandschoenen achter haar riem. Voor hij iets had kunnen bedenken, schoot Lini naar voren, greep Maighdin bij de arm en rammelde haar zo door elkaar dat haar tanden klapperden.
‘Bied je verontschuldigingen aan,’ blafte de oudere vrouw. ‘Deze man heeft je leven gered, Maighdin, en je vergeet jezelf. Jij bent maar van boerenafkomst en hij is een heer. Vergeet je plaats niet en zorg dat je tong je niet in heet water doet belanden! Als deze jonge heer al een geschil met Morgase had, nou, iedereen weet dat ze dood is en bovendien, wat gaat jou dat aan!? Vooruit, je verontschuldigingen voor hij boos wordt!’
Maighdin staarde Lini aan, haar lippen bewogen. Ze was nog verbaasder dan Perijn. Maar opnieuw verraste ze hem. Ze barstte niet uit tegen de vrouw met het witte haar, maar richtte zichzelf op, rechtte haar schouders en keek hem strak aan. ‘Lini heeft volkomen gelijk. Ik heb niet het recht zo tegen u te spreken, heer Aybara. Ik bied u nederig mijn verontschuldigingen aan. Ik vraag u vergiffenis.’ Nederig? Haar kaak stond koppig, haar stem klonk even trots als een Aes Sedai en haar geur zei hem dat ze bereid was ergens dwars doorheen te bijten.
‘Ik vergeef je,’ zei Perijn haastig, wat geen uitwerking op haar leek te hebben. Ze glimlachte en misschien was ze van plan dankbaar te zijn, maar hij kon haar tanden horen knarsen. Waren alle vrouwen gek?
‘Ze zijn verhit en dorstig, echtgenoot,’ zei Faile, eindelijk tussenbeide komend. ‘De laatste uren zijn volgens mij zeer zwaar voor hen geweest. Aram brengt de mannen naar een plek waar ze zich kunnen wassen en ik neem de vrouwen mee. Ik zal vochtige doeken laten brengen zodat u uw handen en gezicht kunt opfrissen,’ zei ze tegen Maighdin en Lini. Met een gebaar wenkte ze Breane mee te komen ze ging hen voor naar de tent. Na een knikje van Perijn gebaarde Aram de mannen om hem te volgen.
‘Zodra u klaar bent met wassen, baas Gil, zou ik u graag spreken,’ zei Perijn.
Het was of hij zelf een tollend rad van vuur had opgegooid. Maighdin wendde zich met een ruk om en gaapte hem aan. De andere twee vrouwen bleven roerloos staan. Tallanvor greep opeens weer zijn gevest en Balwer veerde op tot hij op zijn tenen stond. Hij tuurde over zijn pak heen, zijn hoofd nu eens links, dan weer rechts, schuin houdend. Misschien geen wolf, meer een vogel die uitkeek voor katten. De gezette Basel Gil liet zijn bezittingen vallen en schoot overeind. ‘Nee maar, Perijn,’ stamelde hij, zijn strohoed afgrissend. Zweet trok sporen in het stof op zijn wangen. Hij bukte zich, wilde zijn bepakking oprapen, veranderde van gedachten en richtte zich weer haastig op. ‘Ik bedoel, heer Perijn. Ik eh... ik dacht al dat u het was, maar toen iedereen u heer noemde, wist ik zeker dat u een ouwe herbergier wel vergeten zou zijn.’ Hij veegde met een doek zijn bijna kale hoofd af en lachte zenuwachtig. ‘Natuurlijk kom ik met u praten. Dat wassen kan wel even wachten.’
‘Hallo, Perijn,’ zei de boomlange kerel. Door zijn half geloken oogleden maakte Langwin Dorn een lome indruk, ondanks al zijn spieren en de littekens op zijn gezicht en handen. ‘Baas Gil en ik hoorden al dat de jonge Rhand de Herrezen Draak is. We hadden kunnen bedenken dat u ook vooruit gekomen zou zijn. Perijn Aybara is een goeie man, vrouw Maighdin. Ik denk dat u hem alles kunt toevertrouwen wat u hem wenst te vertellen.’ Hij was niet loom en evenmin dom.
Aram maakte een ongeduldig gebaar met zijn hoofd en Langwin en de andere twee volgden, maar Tallanvor en Balwer gingen traag op weg terwijl ze verbaasde blikken op Perijn en baas Gil wierpen. Bezorgde blikken, ook op de vrouwen. Faile had hen weer in beweging gekregen, ook al bleven ze schichtig kijken naar Perijn en baas Gil en de mannen die Aram volgden. Ze waren opeens niet meer zo blij dat ze van elkaar gescheiden werden.
Baas Gil depte zijn voorhoofd en zijn glimlach was gedwongen. Licht, waarom rook hij bang? vroeg Perijn zich verbaasd af. Bang voor hem? Voor een man die iets met de Herrezen Draak te maken had, zich heer noemde en een krijgsmacht leidde, hoe klein ook, die de Profeet bedreigde? Dan kon hij de strop in de mond van een Aes Sedai er ook nog wel aan toevoegen. Daarvan zou hij de schuld wel op zich nemen. Nee, bedacht Perijn wrang. Nee, dat alles kan niemand bang maken. Het hele stel was waarschijnlijk bang dat hij ze allemaal zou vermoorden.
Hij probeerde baas Gil op zijn gemak te stellen en ging de man voor naar een grote eik, zo’n honderd pas van de rood-witte tent. De meeste bladeren van de grote boom waren verdwenen en die er nog aan hingen waren bruin. De dikke takken spreidden zich breed uit en boden wat schaduw, terwijl sommige wortels zo hoog uit de grond staken dat ze als bankje konden dienen. Perijn had er al op een gezeten, toen hij mocht duimen draaien bij het opzetten van het kamp. Telkens als hij iets nuttigs wilde doen, gristen tientallen handen het bij hem weg.
Basel Gil bleef onrustig, al sprak Perijn nog zoveel over zijn herinneringen aan De Koninginnezegen, Gils herberg in Caemlin, of over zijn eigen bezoek. Maar ja, misschien herinnerde Gil zich dat bezoek niet als iets geruststellends, met een ,\es Sedai in huis, gepraat over de Duistere en een haastig vertrek inde vroege ochtend. Hij beende bezorgd heen en weer, terwijl hij het pak tegen zijn borst klemde, het van de ene in de andere aim overnam. Met de kortst mogelijke antwoorden probeerde hij weg te komen, voortdurend zijn lippen natmakend.