‘Baas Gil,’ zei Perijn ten slotte, ‘hou nou eens op met me heer Perijn te noemen. Ik ben geen heer. Het is ingewikkeld maar ik ben het niet. Dat weet u.’
‘Natuurlijk,’ antwoordde de dikke man. terwijl hij eindelijk op een eikenwortel ging zitten. Hij leek weinig zin te hebben om zijn spullen neer te leggen en liet ze aarzelend los. ‘Wat u zegt, heer Perijn. Eh... Rhand... de Drakenheer... is hij echt van plan vrouwe Elayne de troon te geven? Niet dat ik aan uw woorden twijfel,’ voegde hij er snel aan toe. Hij trok zijn hoed weer af en depte wederom zijn voorhoofd. Zelfs voor zo’n dikke man leek hij tweemaal zo erg te zweten als de hitte kon veroorzaken. ‘Ik weet zeker dat de Drakenheer precies zal doen wat u zegt.’ Hij lachte wat bevend. ‘U wilde met me praten. En niet over mijn ouwe herberg, neem ik aan.’ Perijn zuchtte vermoeid. Hij had gedacht dat er niets ergers was dan buigende en pluimstrijkende oude vrienden en buren, maar zij vergaten het soms en zeiden dan ronduit waar het op stond. En zij waren niet bang voor hem. ‘U benteen heel eind van huis,’ zei hij zachtjes. Het had geen zin hem met van alles te overvallen nu de man elk ogenblik geschrokken uit zijn vel kon springen, ik vroeg me af hoe u hier beland bent. Ik hoop niet door moeilijkheden in Caemlin.’
‘Vertel alles eerlijk, Basel Gil,’ zei Lini, die op de eik afkwam stampen. ‘Maak het niet mooier, denk erom.’ Ze was maar even weg geweest, maar op de een of andere manier had ze de tijd gevonden haar gezicht en handen te wassen en haar witte haren in een net knotje te kammen. En om het meeste stof van haar eenvoudige wollen kleren te borstelen. Ze maakte een plichtmatige knix voor Perijn en stak een benige vinger op naar Gil. ‘“Drie dingen leiden af en zijn naar: kiespijn, een knellende schoen en een man die raaskalt.” Dus hou het kort en vertel de jonge heer niet meer dan hij wil horen.’ De herbergier keek met open mond toe en zij keek hem strak en vermanend aan, waarna ze opeens nogmaals een knix voor Perijn maakte. ‘Hij hoort zijn eigen stem graag – zoals de meeste mannen – maar hij zal nu alles vertellen zoals het hoort, mijn heer.’
Baas Gil keek haar woedend aan en mompelde iets binnensmonds toen ze hem fel wenkte te spreken. ‘Uitgedroogde ouwe...’ ving Perijn op. ‘Wat er is gebeurd... eenvoudig en ronduit...’ Opnieuw keek de gezette man naar Lini, maar ze leek het niet te merken. ‘... Ik had wat zaken in Lugard af te handelen. Een kans om wat wijn in te slaan. Maar dat zal u niet interesseren. Ik nam Langwin natuurlijk mee, en Breane, omdat die hem niet langer uit het oog wil verliezen dan nodig is. En onderweg hebben we vrouw Dorlain ontmoet, vrouw Maighdin, zoals we haar noemen, en Lini en Tallanvor. En Balwer natuurlijk. Onderweg. In de buurt van Lugard.’
‘Maighdin en ik hadden een dienstje in Morland,’ onderbrak Lini hem ongeduldig. ‘Tot de rellen begonnen. Tallanvor was wapenknecht van het huis en Balwer de schrijver. Rovers hebben het landhuis platgebrand en onze vrouwe kon zich geen bedienden meer veroorloven, dus besloten we voor de veiligheid samen verder te trekken.’ ik was aan het woord, Lini,’ mopperde baas Gil, die zich achter zijn oor krabde. ‘De wijnhandelaar was om de een of andere reden naar het platteland verhuisd en...’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Het voert te ver om alles te vertellen, Perijn. Heer Perijn, bedoel ik. Vergeef me. U weet dat er tegenwoordig overal moeilijkheden zijn, is het niet het een, dan is het wel iets anders. Het is net of we al vluchtend voor het ene gevaar op de volgende moeilijkheid stuitten, en telkens verder van Caemlin af raakten. Tot we hier kwamen, vermoeid en dankbaar ergens rust te vinden. Dat is het zo’n beetje.’ Perijn knikte langzaam. Dat kon de hele waarheid zijn, al had hij intussen geleerd dat mensen honderden redenen hadden om te liegen of de waarheid wat bij te stellen. Met een grimas harkte hij zijn vingers door zijn haren. Licht! Hij werd nog achterdochtiger dan een Cairhiener en hoe meer Rhand hem in alles verstrikte, hoe erger het werd. Lieve hemel, waarom zou Basel Gil, juist Basel Gil, tegen hem liegen? De meid van een vrouwe, gewend aan voorrechten maar afgegleden. Dat verklaarde Maighdins raadsel. Sommige dingen waren eenvoudig.
Lini hield haar handen voor haar middel gevouwen, maar keek scherp toe. Ze leek zelf wel een valk, en baas Gil begon te frunniken zodra hij uitgesproken was. Hij leek Perijns grimas uit te leggen als een eis meer te horen. Hij lachte, meer uit spanning dan vermaak. ‘Het is voor het eerst sinds de Aiel-oorlog dat ik zoveel van de wereld heb gezien en toen was ik aanmerkelijk slanker. Ongelooflijk, we zijn zelfs in Amador beland. We zijn er natuurlijk vertrokken toen de Seanchanen de stad hadden ingenomen, maar eerlijk gezegd: ze waren niet erger dan de Witmantels, voor zover ik...’ Hij zweeg toen Perijn zich abrupt naar voren boog en hem bij de jas greep. ‘Seanchanen, baas Gil? Weet u dat zeker? Of is dat weer zo’n gerucht, net als over de Aiel of de Aes Sedai?’
‘Ik heb ze gezien,’ antwoordde Gil, onzekere blikken uitwisselend met Lini. ‘Zo noemen ze zichzelf. Het verbaast me dat u het niet weet. Dat nieuws is ons na ons vertrek uit Amador vooruitgesneld. Die Seanchanen willen dat de mensen weten waar ze op uit zijn. Vreemde mensen, met vreemde beesten.’ Zijn stem werd doordringender. ‘Net Schaduwgebroed. Grote vliegende, leren griezels die mensen dragen. En dan die wezens als hagedissen, zo groot als paarden en met drie ogen. Heus! Ik heb ze gezien!’ ik geloof je,’ zei Perijn, en hij liet de jas los. ik heb ze ook gezien.’ Bij Falme, waar duizend Witmantels in enkele ogenblikken stierven en de helden uit de legenden, opgeroepen door de Hoorn van Valere, nodig waren geweest om de Seanchanen te verdrijven. Rhand had gezegd dat ze zouden terugkeren, maar hoe had dat zo snel kunnen gebeuren? Licht! Als ze Amador hadden bezet, moesten ze ook Tarabon in handen hebben, of het merendeel ervan. Alleen een dwaas doodde een hert wanneer hij wist dat er een gewonde beer achter hem aanzat. Hoe groot was het bezette gebied? ik kan u niet meteen naar Caemlin sturen, baas Gil, maar als u nog een poosje bij me blijft, zal ik zorgen dat u veilig thuiskomt.’ Alsof een langdurig verblijf in zijn buurt veilig was. De Profeet, de Witmantels en nu misschien de Seanchanen er nog bij.
‘Ik denk dat u een goede man bent,’ zei Lini opeens, ik ben bang dat we u niet de gehele waarheid hebben verteld en dat we dat misschien wel moeten doen.’
‘Lini, wat zeg je nou?’ riep baas Gil uit. Hij sprong overeind, ik denk dat ze van de hitte bevangen is,’ zei hij tegen Perijn. ‘En al dat reizen. Ze heeft soms van die vreemde hersenspinsels. U weet hoe dat bij oude mensen gaat. Hou je mond, Lini!’
Lini sloeg de hand weg die hij op haar mond wilde leggen. ‘Gedraag je, Basel Gil! Ik zal je wat “ouds” laten zien! In zekere zin vluchtte Maighdin inderdaad voor Tallanvor en hij zat haar achterna. Wij zijn allemaal gevlucht, vier dagen lang, en dat kostte ons en de paarden bijna de kop. Nou, het is geen wonder dat ze de helft van de tijd niet weet wat ze doet; jullie mannen kunnen een vrouw zo het hoofd op hol brengen dat ze amper kan denken, waarna jullie doen alsof je onschuldig bent. Een draai om hun oren, dat behoren alle mannen regelmatig te krijgen. Dat meisje is bang voor haar eigen hart! Die twee moeten trouwen, hoe sneller, hoe beter.’ Baas Gil keek haar met open mond aan en Perijn wist niet zeker of hijzelf ook niet met open mond luisterde, ik ben er niet zeker van of ik begrijp wat u van me verlangt,’ zei hij langzaam, en de oude vrouw onderbrak hem al voor hij was uitgesproken. ‘Doe niet of je stom bent. Dat geloof ik geen tel. Ik zie zo wel dat je snuggerder bent dan de meesten. Dat is de ergerlijkste gewoonte van jullie mannen! Dat jullie net doen of je niet ziet wat er vlak onder je neus gebeurt.’ Wat was er met al dat geknix gebeurd? Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem streng aan. ‘Nou, als je zo graag een spelletje speelt, zal ik het voor je uitspellen. Die Drakenheer van jou, zo heb ik opgevangen, doet zijn eigen zin. Jullie Profeet zoekt mensen uit en huwt ze ter plekke. Welnu, zet Maighdin en Tallanvor naast elkaar en huw ze. Hij zal je er dankbaar voor zijn, en zij ook. Wanneer ze weer bij haar verstand is gekomen.’