Verbijsterd wierp Perijn een blik op baas Gil, die zijn schouders ophaalde en bleekjes grijnsde. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Perijn tegen de fronsende vrouw, ‘ik moet nog wat dingen afhandelen.’ Hij haastte zich weg en keek slechts eenmaal om. Lini stond met opgeheven vinger voor baas Gil en las hem ondanks zijn verweer de les. Het briesje kwam van de verkeerde kant, dus kon Perijn hun woorden niet horen. In feite wilde hij dat ook niet. Ze waren allemaal gek! Berelain mocht dan twee dienstmeiden en dievenvangers hebben, Faile had ook haar metgezellen. Zo’n twintig jonge Tyreners en Cairhienin zaten in kleermakerszit bij de tent. De vrouwen in jassen en kniebroeken en met zwaarden, net als de mannen. Niemand droeg het haar langer dan tot op de schouder, en zowel mannen als vrouwen hadden hun haar met een lint bijeengebonden, om de Aielse paardenstaarten na te bootsen. Perijn vroeg zich af waar de anderen waren. Ze zwierven zelden zo ver weg dat Faile hen niet meer kon roepen. Hij hoopte dat ze geen last veroorzaakten. Ze had hen onder haar hoede genomen om ze uit de problemen te houden, zei ze, en het Licht wist dat ze ermiddenin zouden zitten als ze in Cairhien waren achtergelaten, met nog meer jonge gekken als zij. Volgens Perijn had die hele bende een flinke schop onder hun kont nodig om ze wat hersens bij te brengen. Tweegevechten, met ji’e’toh spelen, en net doen of ze een soort Aiel waren! Malligheid! Lacile kwam overeind toen Perijn aan kwam lopen, een bleke kleine vrouw met rode linten voor op haar jas, kleine gouden ringen in de oren en een uitdagende blik, waardoor de mannen van Tweewater soms dachten dat ze ondanks haar zwaard graag een kus kreeg. Maar op dit ogenblik was de uitdaging steenhard. Vlak na haar stond ook Areila op, lang en donker, haar haren even kort als een Speervrouw en nog eenvoudiger gekleed dan de meeste mannen. In tegenstelling tot Lacile maakte Arella overduidelijk dat ze liever een hond zoende dan een man. De twee maakten aanstalten zich voor de tent op te stellen om Perijn tegen te houden, maar een vent met een vierkante kin in een jas met pofmouwen blafte een bevel waarop ze weer gingen zitten. Met tegenzin. Trouwens Parelean streek met een duim langs zijn vierkante kin, alsof hij het aan het heroverwegen was. Bij hun eerste ontmoeting had de man een baard gehad – verschillende Tyreners hadden ze – maar Aiel droegen geen baarden.
Perijn mompelde binnensmonds iets over dwaasheid. Ze waren Faile tot in hun merg toegewijd, en het feit dat hij haar man was, zei hun weinig. Aram mocht dan eenkennig zijn, maar Aram was tenminste aardig voor Faile. Hij voelde de brandende ogen van de dwazen op zich rusten, toen hij de tent instruinde. Faile zou hem villen als ze er ooit achter kwam dat hij hoopte dat zij haar uit de problemen hielden.
De tent was groot en ruim, met een bloementapijt op de grond en enkele meubelstukken die ingeklapt makkelijk vervoerd konden worden, de meeste althans. De zware staande spiegel in elk geval niet. Behalve de met koperen banden beslagen kisten met geborduurde kleedjes die als bijzettafels dienden, was alles versierd met rechte, smalle vergulde lijnen, tot de wastafel en de spiegel toe. Een tiental lampen met spiegels zorgde dat het binnen bijna even licht was als buiten, al was het er aanzienlijk koeler en hing er aan de dakpalen zelfs een stel zijden wandkleden dat naar Perijns smaak te weelderig was. Een veel te rechtlijnig ontwerp met vogels en bloemen in lijnen en hoeken. Dobraine had ervoor gezorgd dat ze konden reizen als Cairhiense edelen, al was het Perijn gelukt de allerergste voorwerpen te ‘verliezen’. Het enorme bed bijvoorbeeld was voor zo’n reis echt belachelijk. Het had bijna een hele kar in beslag genomen. Alleen Faile en Maighdin zaten er, allebei met een bewerkte zilveren beker in de hand. Ze zagen eruit als vrouwen die elkaar aan het aftasten waren. Aan de buitenkant een en al glimlach, maar er lag iets scherps in hun ogen. Ze luisterden naar dubbele betekenissen, zonder een enkele aanwijzing of ze elkaar het volgende ogenblik zouden omhelzen of een dolk zouden trekken. Ach, hij dacht niet dat de meeste vrouwen tot messentrekkerij zouden overgaan, maar Faile zeker wel. Maighdin leek veel minder uitgeput van het reizen nu ze daar zo zat: gewassen, met gekamde haren en afgestoft gewaad. Op een mozaïektafeltje tussen hen in stonden nog meer bekers en een grote beparelde zilveren kan waaruit de muntgeur van kruidenthee wasemde. Beide vrouwen keken bij zijn binnenkomst op en heel even keken ze precies hetzelfde, een koele verbazing dat iemand zo binnenviel en verstoord over de onderbreking. Failes blik verzachtte gelukkig meteen tot een glimlach.
‘Baas Gil heeft me uw verhaal verteld, vrouw Dorlain,’ zei hij. ‘U hebt een zware tijd achter de rug, maar u kunt er zeker van zijn dat u hier veilig bent tot u besluit te vertrekken.’ De vrouw mompelde haar dank over de rand van haar beker, maar ze rook behoedzaam en haar ogen probeerden hem te lezen als een boek. ‘Maighdin heeft mij ook hun verhaal gedaan, Perijn,’ zei Faile, ‘en ik wil haar een aanbod doen. Maighdin, jij en je vrienden hebben vermoeiende maanden achter de rug en, naar je me vertelt, in het geheel geen vooruitzichten. Kom allemaal in mijn dienst. Jullie zullen nog steeds moeten reizen, maar onder betere omstandigheden. Ik betaal goed en ben geen strenge meesteres.’ Perijn sprak onmiddellijk zijn goedkeuring uit. Als Faile zo graag zwervers wilde opnemen, dan graag dit stel. Hij wilde ze ook helpen. Misschien zouden ze inderdaad veiliger zijn bij hem dan wanneer ze alleen rond zwierven. Maighdin verslikte zich in haar thee en liet haar beker bijna vallen. Ze keek met knipperende ogen naar Faile en depte het vocht van haar kin met een linnen doekje met fijn kant. Haar stoel kraakte licht, toen ze zich omdraaide en vreemd genoeg Perijn opnam. ik... dank u,’ zei ze uiteindelijk langzaam, ik denk...’ Weer nam ze Perijn onderzoekend op en haar stem klonk wat harder. ‘Ja, ik dank u en ik neem uw aanbod graag aan. Ik moet dit mijn reisgezellen vertellen.’ Ze stond op en zette aarzelend haar beker op het blad, waarna ze zich oprichtte om haar rok te spreiden voor een knix die in elk paleis passend was geweest, ik zal proberen mijn best te doen in uw dienst, mijn vrouwe,’ zei ze effen. ‘Mag ik me terugtrekken?’ Na Failes toestemming maakte ze opnieuw een knix en deed twee achterwaartse stappen voor ze zich omdraaide om weg te gaan. Perijn krabde aan zijn baard. Nog iemand die elke keer als ze zich omdraaide, zou knikken en buigen.
Het tentdoek was amper achter Maighdin dichtgevallen of Faile zette haar beker neer en lachte terwijl haar hielen op het tapijt roffelden. ‘O, ik mag haar, Perijn. Ze heeft pit! Ik wed dat ze je baard zou hebben verschroeid vanwege die banieren, als ik je niet had gered. O jawel. Pit!’
Perijn gromde. Net wat hij nodig had, weer een vrouw die zijn baard wilde schroeien, ik heb baas Gil beloofd voor hen te zorgen, Faile, maar... Raad eens wat Lini me vroeg? Ze wil dat ik Maighdin met die Tallanvor-kerel trouw. Gewoon naast elkaar zetten en huwen, wat ze ook zouden zeggen! Lini beweerde dat ze dat wilden.’ Hij schonk thee in een zilveren beker en viel neer in Maighdins lege stoel, waarbij hij het dreigende gekraak om zijn plotselinge gewicht negeerde. ‘Nou, die onzin is nog mijn minste zorg. Baas Gil zegt dat de Seanchanen Amador hebben ingenomen, en ik geloof hem. Licht! De Seanchanen!’
Faile tikte haar vingertoppen tegen elkaar en staarde in het niets. ‘Dat zou best weleens kunnen werken,’ peinsde ze. ‘Getrouwde bedienden doen het meestal beter dan ongetrouwde. Misschien moet ik zoiets regelen. En voor Breane ook. Toen zij haar gezicht gewassen had, snelde ze zo vlug naar buiten om die grote kerel te zoeken dat ik dacht dat ze al getrouwd waren.’ Er vonkte iets in haar ogen. ‘Dat soort gedrag sta ik mijn bedienden niet toe, Perijn. Het leidt enkel tot tranen en verwijten en gezucht. En Breane zal nog erger zijn dan hij.’