Perijn staarde haar aan. ‘Heb je me niet gehoord?’ zei hij langzaam. ‘De Seanchanen hebben Amador ingenomen! De Seanchanen, Faile!’ Ze schrok op – ze had echt aan het trouwen van die vrouwen zitten denken! – en schonk hem vervolgens een vermaakte glimlach. ‘Amador is hier nog heel ver vandaan, en als we die Seanchanen tegenkomen, zul jij ze zeker goed aanpakken. Jij hebt me tenslotte geleerd op je pols te rusten, nietwaar?’ Dat beweerde ze tenminste, hij had er nooit iets van gemerkt.
‘Zij kunnen weleens een tikkeltje lastiger zijn dan jij,’ merkte hij droog op en opnieuw glimlachte ze. Om de een of andere reden rook ze uiterst in haar sas. ik denk erover Gradi of Neald naar Rhand te sturen om hem te waarschuwen, wat hij ook gezegd heeft.’ Ze schudde wild haar hoofd, de glimlach verdween snel maar hij sprak door. ‘Als ik wist hoe ik hem kon vinden, zou ik het doen. Er moet een manier zijn om hem een bericht te sturen zonder dat iemand dat verneemt.’ Rhand had daar meer op aangedrongen dan op geheimhouding over Masema. Perijn was uit Rhands omgeving verbannen en niemand mocht weten dat er in plaats van vijandschap iets heel anders tussen hen bestond.
‘Hij weet het, Perijn, daar ben ik zeker van. Maighdin heeft overal in Amador duiventillen gezien en blijkbaar hebben de Seanchanen er niet naar omgekeken. Inmiddels moet elke koopman die met Amador handelt, ervan gehoord hebben, evenals de Witte Toren. Geloof me. Rhand moet het ook hebben opgevangen. Je moet erop vertrouwen dat hij het het beste weet. Wat dit betreft dan.’ Ze was er niet altijd zo zeker van.
‘Misschien,’ mopperde Perijn geërgerd. Hij probeerde zich geen zorgen te maken over Rhands geestelijke gezondheid, maar vergeleken met Rhand was Perijn op zijn achterdochtigst slechts een kind dat in een weiland huppelde. In hoeverre vertrouwde Rhand hem? Rhand hield dingen achter en had plannen waarover hij zich nooit uitliet. Perijn zuchtte luid en maakte het zich gemakkelijk in de stoel, waarbij hij een grote slok thee nam. Feitelijk had Rhand gelijk, krankzinnig of niet. Als de Verzakers enige achterdocht koesterden over zijn plannen, of als de Witte Toren iets wist, zouden ze ergens wel een manier vinden om het aambeeld op zijn tenen te laten neerkomen. ‘Nou ja, ik kan er in elk geval voor zorgen dat de ogen-en-oren van de Toren wat minder te vertellen hebben. Ditmaal ga ik die bloedvlag verbranden.’ Met de Wolfskop erbij. Misschien moest hij inderdaad voor heer spelen, maar dat kon hij ook best zonder die vervloekte banieren!
Failes volle lippen persten zich peinzend samen en ze schudde licht haar hoofd. Ze gleed uit de stoel, knielde naast hem neer en pakte zijn polsen. Perijn beantwoordde haar effen blik behoedzaam. Wanneer ze hem zo strak en ernstig aankeek, was ze van plan hem iets belangrijks te vertellen. Of hem een rad voor ogen te draaien, tot hij niet meer wist wat voor of achter was. Uit haar geur kon hij niets opmaken. Hij probeerde haar niet meer te ruiken; het was veel te gemakkelijk om je daarin te verliezen en dan zou haar rad nog veel sneller gaan tollen. Dat was één ding dat hij na zijn trouwen had geleerd: een man had zijn gezond verstand nodig als hij met een vrouw te maken kreeg. Al te vaak was zelfs dat onvoldoende. Net als een Aes Sedai deed een vrouw precies wat ze wilde.
‘Misschien dien je dat te heroverwegen, echtgenoot,’ mompelde ze. Een klein glimlachje trilde rond haar mondhoeken, alsof ze voor de zoveelste keer zijn gedachten las. ik betwijfel of iemand die ons sinds onze aankomst in Geldan heeft gezien, weet wat de Rode Adelaar is. Maar in de buurt van een stad zo groot als Bethal zullen sommigen het zeker weten. En hoe langer we jacht moeten maken op Masema, hoe groter die kans wordt.’
Hij nam niet de moeite te zeggen dat dit een reden temeer was om die banier kwijt te raken. Faile was niet gek en ze dacht veel sneller dan hij. ‘Waarom moeten we hem dan houden?’ vroeg hij langzaam. ‘Hij richt slechts ieders oog op de dwaas die volgens iedereen Manetheren uit het graf wil doen herrijzen.’ Mannen en ook vrouwen hadden dat in het verleden geprobeerd. De naam van Manetheren ging vergezeld van sterke herinneringen en dat was handig voor een opstandeling.
‘Omdat het écht ieders oog zal trekken.’ Ze boog zich gespannen naar hem toe. ‘Naar een man die probeert Manetheren te doen herleven. Het gewone volk zal je openlijk toelachen, hopen dat je zo snel mogelijk doorrijdt en je vervolgens zo snel mogelijk proberen te vergeten. Wat de machtiger mensen aangaat: die hebben op dit ogenblik te veel aan hun hoofd om echt goed te kijken, tenzij je in hun neus knijpt. Vergeleken met de Seanchanen of de Profeet of de Witmantels stelt een man die probeert Manetheren te doen herleven niets voor. En ik meen veilig te kunnen stellen dat de Toren ook geen tweede keer zal kijken, zeker nu niet.’ Haar glimlach werd breder en het vonkje in haar ogen maakte duidelijk dat ze nu haar troefkaart ging uitspelen. ‘Het allerbelangrijkste is echter dat niemand zal bedenken dat die man iets anders doet.’ Opeens verdween haar glimlach en zette ze haar vinger hard op zijn neus. ‘En noem jezelf geen dwaas, Perijn t’Bashere Aybara. Zelfs niet zo terloops. Je bent het niet en het staat me niet aan.’ Ze rook naar kleine scherpe naalden, geen echte boosheid maar zeker niet vermaakt.
Temperamentvol. Een alkion die sneller dan een gedachte voorbijflitste. Zeker sneller dan zijn gedachten. Het zou nooit bij hem opgekomen zijn zich zo... opzichtig te verbergen. Maar hij zag in dat het verstandig was. Het was net of je verborg dat je een moordenaar was door te doen of je kwam stelen. Het zou kunnen werken. Grinnikend kuste hij haar vingertop. ‘De banier blijft,’ zei hij. Hij nam aan dat de Wolfskop dan ook bleef. Bloed en bloedas! ‘Maar Alliandre behoort de waarheid te weten. Als zij denkt dat Rhand van plan is mij naar voren te schuiven als koning van Manetheren en haar land af te pakken...’
Faile stond heel plotseling op en wendde zich af. Perijn was bang dat hij een fout had gemaakt door de koningin te noemen. Van Alliandre was de stap naar Berelain al te gemakkelijk en Faile rook... prikkelig. Behoedzaam. Maar toen ze omkeek, zei ze alleen: ‘Alliandre zal geen moeilijkheden opleveren voor Perijn Guldenoog. Dat vogeltje zit zo goed als in de kooi, echtgenoot, dus wordt het tijd dat we onze gedachten op de speurtocht naar Masema richten.’ Ze knielde sierlijk naast een kleine kist aan de zijkant van de tent, de enige die niet schuilging onder doeken, tilde het deksel op en haalde er opgerolde kaarten uit.
Perijn hoopte dat ze gelijk had over Alliandre. Hij wist niet wat hij moest doen als ze het verkeerd had. Was hij maar de helft van de man die Faile in hem zag. Alliandre was een vogeltje in een kooi, de Seanchanen zouden als poppen omtuimelen voor Perijn Guldenoog, en hij ging de Profeet oppakken en naar Rhand brengen, al zou Masema tienduizend mannen om zich heen hebben. Niet voor het eerst besefte hij dat, hoezeer haar boosheid hem ook pijn deed en in de war bracht, hij vooral bang was om haar teleur te stellen. Als hij ooit teleurstelling in haar ogen zag, zou dat zijn hart uit zijn borst rijten. Hij knielde naast haar neer en hielp haar de grootste kaart uit te rollen, die het zuiden van Geldan en het noorden van Amadicia toonde. Hij bestudeerde hem nauwgezet, alsof Masema’s naam van het perkament zou springen. Hij had meer reden dan Rhand om te willen slagen. Wat er ook gebeurde, hij wilde Faile niet teleurstellen.
Faile lag in de duisternis te luisteren tot ze zeker wist dat Perijns adem de diepe regelmaat van de slaap vertoonde, waarna ze onder de dekens uitglipte die ze samen deelden. Ze was een beetje bedroefd, maar ook vermaakt, terwijl ze haar linnen nachtgewaad over haar hoofd uittrok. Had hij echt gedacht dat ze er niet achter zou komen dat hij op een ochtend terwijl de karren werden geladen, het bed diep in het struikgewas had verborgen? Niet dat ze er veel om gaf, niet zo heel veel tenminste. Ze was er zeker van dat ze even vaak op de grond had geslapen als hij. Ze had natuurlijk net gedaan of ze verbaasd was en het luchtig opgenomen. Anders zou hij zich hebben verontschuldigd en wellicht zelfs het bed weer hebben opgehaald. Omgaan met een echtgenoot was een kunst, had haar moeder gezegd. Had Deira ni Galine het ooit zo moeilijk gehad?