Выбрать главу

Ze schoof haar blote voeten in haar muiltjes en gleed toen in een zijden mantel, waarna ze aarzelend neerkeek op Perijn. Als hij wakker werd zou hij haar scherp kunnen zien, maar voor haar was hij slechts een schemerige hoop op de grond. Ze had nu graag haar moeder hier gehad voor advies. Met elk vezeltje van haar wezen hield ze van Perijn en hij maakte elk vezeltje in de war. Een man daadwerkelijk begrijpen was onmogelijk, maar hij was zo anders dan iedereen met wie ze was opgegroeid. Hij pochte nooit en in plaats van om zichzelf te lachen was hij... bescheiden. Ze had nooit geloofd dat een man bescheiden kón zijn! Hij bleef volhouden dat hij alleen door toeval een leider was geworden en beweerde dat hij niet wist hoe je moest leiden, terwijl mannen die hem ontmoetten binnen de kortste keren bereid waren hem te volgen. Hij deed zijn eigen gedachten af als traag, terwijl zijn hersens alles zo scherp zagen dat ze een wervelende hop moest dansen om nog een paar geheimen te kunnen bewaren. Hij was een heerlijke man, haar wolf met zijn volle krullen. Zo sterk. Zo zachtmoedig. Zuchtend liep ze op haar tenen de tent uit.

Zijn scherpe gehoor had al eerder problemen opgeleverd. Het kamp lag stil onder een halve maan die in de wolkeloze hemel zo helder was dat de sterren onzichtbaar bleven. Een nachtvogel krijste schril en viel weer stil na het lage gekras van een uil. Ze voelde een lichte bries die wonder boven wonder wat koel aanvoelde. Waarschijnlijk haar verbeelding. De nachten waren alleen in vergelijking met de dagen koel.

De meeste mannen lagen te slapen, donkere hopen in de schaduwen onder de bomen. Enkelen waren nog wakker en zaten rond een paar brandende kampvuren te praten. Ze deed geen poging zich te verbergen, maar niemand zag haar. Sommigen bij de vuren leken te knikkebollen. Als ze niet had geweten hoe goed de wachten opletten, zou ze gedacht hebben dat het kamp verrast had kunnen worden door een kudde wilde koeien. Natuurlijk zouden de Speervrouwen vannacht eveneens de wacht houden. Maar het maakte ook niet uit als die haar zagen.

De rij karren op hun hoge assen wierp lange schaduwen. Eronder hadden bedienden het zich gemakkelijk gemaakt en lagen te snurken. De meeste bedienden. Er brandde nog een kampvuur met Maighdin en haar gezellen eromheen. Tallanvor zat wild gebarend te praten, maar alleen de mannen leken naar hem te luisteren, hoewel hij Maighdin leek toe te spreken. Het was geen verrassing dat ze betere kleren in hun zakken en rollen hadden dan de vodden die ze hadden gedragen, maar hun vroegere vrouwe moest zeer gul zijn geweest want ze had zijden kleding aan haar mensen verstrekt. Maighdin droeg een prachtig gewaad van gedekt blauwe zijde. De anderen waren niet zo fraai gekleed, dus die Maighdin was misschien de gunstelinge van de vrouwe geweest.

Toen er een twijg onder Failes voet knapte, wendden de hoofden zich met een ruk om. Tallanvor was al bijna overeind, met half getrokken zwaard, toen hij zag hoe Faile in het maanlicht haar rok iets optrok. Ze letten beter op dan die mannen uit Tweewater achter haar. Heel even staarde het hele stel haar slechts aan. Daarna ging Maighdin sierlijk staan en maakte een diepe knix, waarna de anderen haastig meer of minder geoefend haar voorbeeld volgden. Alleen Maighdin en Balwer leken enigszins op hun gemak. Op Gils ronde gezicht lag een zenuwachtige glimlach.

‘Laat je door mij niet storen,’ zei Faile vriendelijk. ‘En blijf niet te lang op, want morgen zal het druk zijn.’ Ze liep verder, maar toen ze omkeek, stonden ze haar nog steeds na te kijken. Hun tocht moest hen even behoedzaam hebben gemaakt als konijnen, altijd op de uitkijk naar een vos. Ze vroeg zich af hoe goed ze zich zouden aanpassen. In de komende paar weken zou ze hun haar eigen gewoonten bijbrengen en hen oefenen in hun taken. Het ene was even belangrijk voor een goed lopend huishouden als het andere. Ze moest er tijd voor vrijmaken.

Vannacht bleef ze er echter niet al te lang bij stilstaan. Weldra was ze de karren voorbij, maar nog niet geheel tussen de bomen vandaan, waar de mannen van Tweewater vanaf een hoge tak scherp de wacht zouden houden. Alles wat groter was dan een muis zou door hen worden gezien – zelfs Speervrouwen waren zo nu en dan opgemerkt – maar zij keken alleen of iemand het kamp binnen wilde sluipen. Ze letten niet op degenen die het recht hadden er rond te lopen. Op een klein veld stonden haar mensen in het maanlicht te wachten. Sommige mannen maakten een buiging en Parelean knielde bijna, maar beheerste zich. Verschillende vrouwen maakten uit gewoonte een knix, wat er in mannenkleren heel gek uitzag. Ze sloegen hun ogen neer en schuifelden verlegen toen ze beseften wat ze hadden gedaan. De manieren van het hof waren hun aangeboren, hoe hard ze ook probeerden Aielgewoonten over te nemen. Hun beeld daarvan, tenminste. Bij de Speervrouwen veroorzaakten die denkbeelden soms een geweldig afgrijzen. Perijn noemde hen dwazen en in zekere zin waren ze dat ook, maar deze Cairhienin en Tyreners hadden haar trouw gezworen – de watereed, noemden ze het, wederom een poging tot navolging van de Aiel – en waren nu haar volgelingen. Onder elkaar noemden ze hun ‘krijgsgenootschap’ Cha Faile, de Valkenklauw, al hadden ze ingezien dat ze dat geheim moesten houden. Ze waren niet altijd en overal dwazen. Als je hun manieren negeerde, hadden ze eigenlijk veel weg van de jonge mannen en vrouwen met wie zij was opgegroeid.

De groep die zij die ochtend vroeg had weggestuurd, was net terug, want de vrouwen waren nog bezig de vrouwenkleren die ze hadden moeten dragen, te verwisselen voor mannenkleren. Eén als man geklede vrouw zou in Bethal al zeer zijn opgevallen, laat staan vijf. Het veld was bezaaid met rokken en onderkleding, jassen, hemden en kniebroeken. De vrouwen deden net of ze er niet om gaven dat ze in het zicht van de anderen, van andere mannen, ongekleed waren – dat kon de Aiel immers ook niet schelen – maar hun haast en gezwoeg toonden hun leugen aan. De mannen stonden te schuifelen en wendden hun hoofd af, aarzelend tussen beschaafd wegkijken of toezien, zoals de Aiel volgens hen deden, terwijl ze net deden of ze geen half geklede vrouwen bekeken. Faile hield haar mantel goed dicht over haar ondergoed. Ze had zich niet verder kunnen omkleden, aangezien ze Perijn dan zeker zou hebben gewekt, maar ze wist dat ze zich hierin niet op haar gemak voelde. Ze was geen Domani die haar gevolg ontving terwijl ze in bad zat.

‘Vergeef ons dat we zo Iaat zijn, mijn vrouwe Faile,’ hijgde Selande, haar jas aansjorrend. De Cairhiense tongval was goed hoorbaar in de stem van de kleine vrouw. Zelfs voor een Cairhiense was ze niet groot. Ze wist echter overtuigend zwierig over te komen, en haar geheven hoofd en de stand van haar schouders toonden een gepaste vermetelheid. ‘We hadden eerder willen terugkomen, maar de poortwachters deden moeilijk over het naar buiten laten.’

‘Hoe moeilijk?’ vroeg Faile scherp. Had ze het maar met eigen ogen kunnen zien. Had Perijn haar maar laten gaan in plaats van die sloerie. Nee, ze wilde niet aan Berelain denken. Het was niet Perijns schuld. Ze herhaalde dat zo’n twintig keer per dag alsof ze het Licht aanriep. Maar waarom was die man zo blind? ‘Wat voor moeilijkheden?’ Ze zuchtte van ergernis. Moeilijkheden met een echtgenoot hoorden nooit je toon in een gesprek met onderdanen te bepalen. ‘Niets om drukte over te maken, mijn vrouwe.’ Selande gespte haar zwaardgordel om en schoof die op zijn plaats rond haar heupen. ‘Ze lieten zonder goed te kijken vlak voor ons wat kerels in hun kar de stad uit rijden, maar maakten zich zorgen over het ’s nachts naar buiten laten van vrouwen.’ Enkele andere vrouwen lachten. De vijf mannen die Bethal waren ingegaan, keken kwaad. Ongetwijfeld omdat men hun bescherming onvoldoende had gevonden. De andere leden van Cha Faile vormden een dichte halve kring achter het tiental, keken aandachtig naar Faile en luisterden stil. Maanlicht tekende schaduwen op de gezichten.

‘Vertel me wat jullie hebben gezien,’ beval Faile op kalme toon. ‘Heel wat beter.’