‘Maighdin Dorlain kan toekijken,’ onderbrak ze hem, gedeeltelijk om die verschrikkelijke opsomming af te kappen. ‘Ze kan luisteren! Ze kan...!’ Haar stem verstierf in ergernis. Wat kón ze doen? Opeens besefte ze dat ze rechtop in haar dunne nachtgoed zat, en ze sloeg haastig de dekens om zich heen. De nacht leek trouwens inderdaad wat koel. Of kwam dat kippenvel op haar armen misschien doordat Tallanvors ogen op haar hadden gerust? De gedachte veroorzaakte rode vlekken op haar wangen en ze hoopte dat hij die niet zou zien. Gelukkig klonk haar stem er ook verhit door. Ze was geen meisje dat bloosde als een man naar haar keek! ik zal doen wat in mijn vermogen ligt, wat dat ook mag zijn. Er komt een kans om iets op te steken of iets te doen wat Elayne zal helpen, en die kans zal ik aangrijpen.’
‘Een gevaarlijke beslissing,’ maakte hij haar kalm duidelijk. Ze had in de duisternis graag zijn gezicht willen zien. Natuurlijk alleen om de uitdrukking erop te zien. ‘Je hebt hem horen dreigen dat hij iedereen zou ophangen die hem verkeerd aankijkt. Dat wil ik best aannemen bij een man met dat soort ogen. Net een beest. Het verbaasde me dat hij die kerel liet gaan. Ik dacht dat hij zijn keel zou openscheuren! Als hij ontdekt wie jij bent, wie je vroeger was... Misschien verraadt Balwer je. Hij heeft nooit echt uitgelegd waarom hij ons uit Amador hielp ontsnappen. Wellicht meende hij een nieuwe baan te krijgen bij koningin Morgase. Nu weet hij dat daarop geen enkele kans bestaat en wil hij misschien de gunst van een nieuwe meester en meesteres winnen.’
‘Ben jij bang voor héér Perijn Guldenoog?’ wilde ze verachtelijk weten. Licht, de man maakte haar doodsbang! Die ogen hoorden bij een wolf. ‘Balwer weet genoeg om zijn mond te houden. Alles wat hij zegt, slaat op hem terug. Hij is tenslotte met mij meegekomen. Als je bang bent, rij dan door!’
‘Dat slinger je me nu altijd in mijn gezicht,’ verzuchtte hij, en hij maakte het zich wat gemakkelijker in zijn gehurkte houding. Ze kon zijn ogen niet zien, maar ze voelde die wel. ‘Rij door als je dat wilt, zeg je dan. Er was eens een soldaat die op afstand van een koningin hield. Hij wist echter dat het hopeloos was en dat hij zich nooit zou durven uitspreken. Nu is de koningin verdwenen en blijft er slechts een vrouw over. En ik hoop. Mijn hoop verteert me! Als je wilt dat ik vertrek, Maighdin, zeg het dan. Eén woord. “Ga!” Eén eenvoudig woord.’
Ze deed haar mond open. Een eenvoudig woord, dacht ze. Licht, het is maar één woord. Waarom kan ik het niet zeggenï Licht, alsjeblieft! Voor de tweede maal die nacht stond het Licht haar niet bij. Ze zat als een zottin met open mond ineengezakt in haar dekens, en haar gezicht werd heter en heter.
Als hij weer had gegrinnikt, zou ze haar mes in hem hebben geplant. Of als hij had gelachen, of een teken van leedvermaak had getoond. In plaats daarvan boog hij voorover en kuste haar zacht op beide ogen. Diep in haar keel klonk een geluid; ze leek niet te kunnen bewegen. Met grote ogen zag ze hoe hij opstond. Hij rees groot en zwart in het maanlicht voor haar op. Ze was een koningin – ze was een koningin geweest – gewend te bevelen, gewend aan harde beslissingen in moeilijke tijden, maar op dat moment dreunde het bonzen van haar hart alle gedachten uit haar hoofd. ‘Als je “ga” had gezegd,’ zei hij haar, ‘zou ik alle hoop hebben begraven, maar ik zou je nooit in de steek kunnen laten.’ Pas toen hij weer onder zijn eigen dekens lag, kon ze zich ertoe brengen te gaan liggen en de dekens over zich heen te trekken. Ze hijgde alsof ze had gerend. De nacht was koel. Ze huiverde, het was geen beven. Tallanvor was te jong. Te jong! Nog erger, hij had gelijk. Bloedvuur voor die man! De kamenierster van een vrouw kon geen enkele invloed uitoefenen op gebeurtenissen en als die moordenaar van de Herrezen Draak met zijn wolvenogen hoorde dat hij Morgase van Andor in handen had gekregen, kon ze tegen Elayne worden gebruikt in plaats van haar te helpen. Hij had het recht niet gelijk te hebben wanneer zij wilde dat hij ongelijk had. De gedachte was zo ongerijmd dat die haar woest maakte. Er was wél een kans dat ze iets goeds kon doen! Dat moest.
Ergens achter in haar hoofd lachte een klein stemmetje. Je kunt niet vergeten dat je Morgase Trakand bent, zei het honend. Zelfs nadat ze afstand van baar troon heeft gedaan, kan koningin Morgase zich niet beheersen en blijft ze proberen zich te bemoeien met de zaken der machtigen, ook al heeft ze tot dusver van alles een puinhoop gemaakt. En tegen een man zeggen dat hij weg moet gaan, kan ze ook al niet, omdat ze de hele tijd denkt aan zijn sterke handen en de beweging van zijn lippen als hij glimlacht en...
Woedend trok ze de deken over haar hoofd en probeerde het stemmetje buiten te sluiten. Dat ze niet buiten macht kon, was niét de reden dat ze bleef. En wat Tallanvor betrof... Die zou ze eens behoorlijk op zijn plaats zetten. Ditmaal zou ze het doen! Maar... wat was zijn plaats, bij een vrouw die geen koningin meer was? Ze probeerde hem uit haar gedachten te bannen en het spottende stemmetje te negeren dat maar niet wilde zwijgen. Toen de slaap kwam, kon ze nog steeds de druk van zijn lippen op haar oogleden voelen.
9
Haken en ogen
Zoals gewoonlijk werd Perijn voor het eerste ochtendgloren wakker, en net als altijd was Faile reeds druk in de weer. Als ze echt wilde, kon ze stiller zijn dan een muisje en hij vermoedde dat ze nog als eerste op zou zijn als hij al na een hazenslaapje ontwaakte. De tentflappen waren opzij gebonden, de zijkanten onderaan wat opgelicht en er steeg wat lucht op door het gat in de punt van het dak, voldoende om iets van koelte te verbeelden. Perijn huiverde feitelijk, terwijl hij zijn hemd en broek zocht. Nou ja, het werd geacht winter te zijn, zelfs al had het weer dat niet door.
Hij kleedde zich in het donker aan en borstelde zijn tanden met zout, waarvoor hij geen licht nodig had. Daarna verliet hij de tent, ondertussen zijn voeten goed in de laarzen stampend. Faile had in het diepe grijs van de vroege ochtend haar nieuwe bedienden om haar heen verzameld. Enkelen hielden aangestoken lantaarns omhoog. De dochter van een heer had bedienden nodig. Hij had er eerder aan moeten denken en iets moeten regelen. Er waren mensen uit Tweewater in Caemlin die Faile zelf had opgeleid, maar door de vereiste geheimhouding had hij niet geweten hoe hij hen kon meenemen. Baas Gil zou zo gauw mogelijk naar huis willen terugkeren, met Langwin en Breane, maar wellicht zouden Maighdin en Lini blijven. Aram zat in kleermakerszit naast de tent en ging staan, waarna hij zwijgend op Perijn wachtte. Als Perijn hem niet had tegengehouden, had Aram pal voor de tent geslapen. Die ochtend toonde zijn jas rode en witte banen, al was het wit een tikkeltje smoezelig, maar ook hier stak het gevest met de wolfskop boven zijn schouder uit. Perijn had zijn bijl in de tent achtergelaten en was dankbaar die even kwijt te zijn. Tallanvor had nog steeds een zwaard omgegord, maar baas Gil en de andere twee niet meer.
Faile moest goed hebben opgelet, want Perijn was nauwelijks buiten of ze maakte een gebaar naar de tent, waarbij ze duidelijk opdrachten gaf. Maighdin en Breane haastten zich met lantaarns langs Aram en hem heen, met strakke kaken. Om de een of andere reden roken ze vastberaden. Geen van beiden maakte een knix, een aangename verrassing. Lini wel, een snelle kniebuiging voor ze achter de andere twee aanschoot, mopperend over ‘je plaats kennen’. Perijn vermoedde dat Lini zo’n vrouw was die haar ‘plaats’ aan het roer zag. Maar als hij erover nadacht leken de meeste vrouwen dat zo te zien. Zo ging dat blijkbaar overal in de wereld, niet alleen in Tweewater. Tallanvor en Langwin volgden de vrouwen op de hielen en Langwin maakte een even welgemeende buiging als Tallanvor, die grimmig keek. Perijn zuchtte en boog terug, en beiden schrokken en keken hem met open mond aan. Een bitse roep van Lini deed hen naar de tent schieten.