Faile schonk hem een flitsende glimlach en schreed weg naar de karren, waarbij ze nu eens Basel Gil links van haar en Sebban Balwer rechts van haar toesprak. De mannen hielden beiden een lantaarn omhoog om haar bij te lichten. Uiteraard werd ze gevolgd door een heel stel van die dwazen, op een afstand waar ze haar konden horen als ze haar stem verhief. Ze liepen hanig rond, streelden hun gevesten en staarden de schemering in alsof ze een aanval verwachtten of erop hoopten. Perijn trok aan zijn korte baard. Ze vond altijd voldoende werk om haar uren te vullen en niemand nam haar dat uit handen. Niemand zou het wagen.
De eerste vingers van de dageraad vertoonden zich nog maar net aan de einder, maar de eerste Cairhienin liepen al rond de karren en deden dat sneller naarmate Faile naderde. Tegen de tijd dat ze bij hen was, leken ze alles op een holletje te doen, waarbij hun lantaarns op en neer wipten in het schemerlicht. De mannen van Tweewater, gewend aan vroege dagen op het land, zaten al druk aan het ontbijt. Sommigen lachten en maakten gekheid rond hun kookvuren, anderen mopperden, maar de meesten zorgden dat het werk werd gedaan. Enkelen probeerden onder de dekens te blijven liggen en werden er zonder pardon uitgegooid. Gradi en Neald waren eveneens op. Zoals altijd hielden ze zich afzijdig, schaduwen in zwarte jassen tussen de bomen. Perijn kon zich niet herinneren hen ooit zonder die tot boven dichtgeknoopte jassen te hebben gezien. De jassen waren met zonsopgang altijd schoon en zonder kreukels, al hadden ze er de avond ervoor nog zo smerig uitgezien. Als één man dansten ze de zwaardvormen, zoals ze iedere ochtend deden. Dat was beter dan hun avondoefeningen. Dan zaten ze in kleermakerszit met de handen op de knieën in een verre leegte te staren. Ze deden nooit iets wat iemand kon zien, maar elke man in het kamp wist waar ze mee bezig waren en bleef zo ver mogelijk uit de buurt. Zelfs de Speervrouwen maakten dat ze uit het zicht van de twee mannen kwamen. Er ontbrak iets, besefte Perijn opeens met een schok. Faile zorgde altijd dat iemand hem zo snel mogelijk een kom dikke ontbijtpap overhandigde, maar vanmorgen was ze blijkbaar te druk geweest. Hij monterde op en haastte zich naar de kookvuren in de hoop eindelijk eens zijn eigen pap te kunnen opscheppen. IJdele hoop. Vlan Barster, een magere kerel met een kuiltje in zijn kin, ving hem halverwege op en schoof een fraai bewerkte houten kom in zijn handen. Vlan kwam uit de buurt van Wachtheuvel en Perijn kende hem niet zo goed, al waren ze een paar keer samen op jacht geweest en had Perijn hem eens geholpen een koe van zijn vader uit een moerasgat in het Waterwold te halen. ‘Vrouwe Faile zei me dit te brengen, Perijn,’ zei Vlan bezorgd. ‘Wil je niet zeggen dat ik het vergeten was? Je zegt het niet? Ik heb wat honing gevonden en er een volle schep in gedaan.’ Perijn probeerde niet te zuchten. Vlan wist tenminste zijn naam nog.
Nou ja, het zou hem misschien niet lukken om de eenvoudigste klussen zelf te doen, maar hij bleef verantwoordelijk voor de mannen die onder de bomen zaten te eten. Als hij er niet was geweest zouden ze bij hun familie zijn en zich klaarmaken voor het werk op de boerderij, de koeien melken en brandhout hakken. Ze zouden zich niet hoeven af te vragen of ze voor zonsondergang zouden doden of gedood zouden worden. Hij goot snel de honingpap naar binnen en zei Aram op zijn gemak te ontbijten. De man keek zo verdrietig dat hij maar inbond, waarna Aram hem bij zijn rondgang door het kamp volgde. Perijn vond het geen prettige tocht.
Mannen zetten hun kom bij zijn nadering neer, stonden zelfs op tot hij voorbij was. Hij klemde zijn kaken op elkaar, wanneer iemand met wie hij was opgegroeid, of nog erger, een man die hem als jongen boodschappen had laten doen, hem heer Perijn noemde. Niet iedereen deed dat, maar te veel mannen wel. Veel te veel. Na een tijdje gaf hij het uit pure vermoeidheid op tegen hen te zeggen ermee op te houden. Het antwoord was al te vaak: ‘O! Wat u zegt, heer Perijn.’ Het was om te janken.
Desondanks bleef hij regelmatig stilstaan om een paar woorden met elke man te wisselen. Hij hield echter voornamelijk zijn ogen wijd open. En zijn neus. Iedere man wist best dat ze hun bogen moesten bijhouden en de veren en punten van hun pijlen verzorgen, maar sommigen bleven doorsloffen met grote gaten in hun zolen of met gaten in hun broek, zonder er iets om te geven. Ze zouden zelfs hun blaren laten verzweren, omdat ze niet de moeite namen er bijtijds iets aan te doen. Verscheidenen hadden de gewoonte waar mogelijk brandewijn in te slaan en zo’n twee of drie man verloren daarbij al hun verstand. Ze waren op weg naar Bethal langs een klein dorp gereden, waar niet minder dan drie herbergen waren. Het was wel gek. Als hij van vrouw Lohan of zijn moeder te horen kreeg dat hij nieuwe laarzen nodig had of dat zijn broek genaaid moest worden, had hij altijd het gevoel gehad dat hij voor schut stond. Volgens hem zou ieder ander die zoiets zei, hem geïrriteerd hebben, maar van de oudste, de grijze Jondien Barran, tot de jongste, zeiden alle mannen uit Tweewater: ‘Tja, u hebt gelijk, heer Perijn. Ik ga er meteen voor zorgen,’ of iets dergelijks. Hij ving wel zo nu en dan een onderlinge grijns op wanneer hij doorliep. Maar ze roken voldaan! Wanneer hij een aardewerken kruik met perenbrandewijn uit de zadeltas van Jori Kongar trok – een slanke vent die tweemaal zoveel at als een ander, maar er altijd uitzag alsof hij een week lang niet gegeten had – keek de man hem met grote onschuldige ogen aan en spreidde zijn armen, alsof hij niet wist waar die kruik vandaan was gekomen. Jori was een goede boogschutter, maar als je hem de kans gaf dronk hij zich volkomen lam, en hij had bovendien grijpgrage vingers. Maar als Perijn dan verderliep en de brandewijn op de grond goot, lachte Jori: ‘Je kunt voor heer Perijn ook niets verborgen houden!’ En dan klonk hij trots! Soms meende Perijn de laatste man ter wereld met enig verstand te zijn. Hij merkte nog iets anders. Van de eerste tot de laatste man stelden ze veel belang in de dingen die hij niet zei. Allemaal keken ze snel naar de twee banieren die zo nu en dan door een korte rukwind aan hun vlaggenstokken wapperden, de Rode Wolfskop en de Rode Adelaar. Ze keken naar de banieren, keken naar hem en wachtten op het bevel dat ze telkens te horen hadden gekregen als die vlaggen sinds hun aankomst in Geldan waren uitgestoken. En vaak zelfs al daarvoor. Maar nu hij gisteren niets gezegd had en vandaag weer niet, zag hij de vermoedens opbloeien. Hij liet groepjes mannen achter die hem en de banieren bekeken en opgewonden met elkaar mompelden. Hij probeerde hen niet af te luisteren. Wat zouden ze zeggen als hij ongelijk had, als de Witmantels of koning Ailron besloten dat ze de Profeet en de Seanchanen best even konden vergeten om een vermoedelijke opstand neer te slaan? Deze mannen waren zijn verantwoordelijkheid en door hem waren er reeds te veel van hen gedood. De zon vertoonde al meer dan een randje boven de horizon en verspreidde een scherp ochtendlicht tegen de tijd dat hij klaar en terug bij de tent was. Tallanvor en Langwin sleepten op Lini’s aanwijzingen kisten naar buiten, terwijl Maighdin en Breane de inhoud leken uit te zoeken op een flink veld met dood gras. Het waren voornamelijk dekens en lakens en lange felgekleurde banen satijnzijde, die bedoeld waren voor het bed dat hij was ‘kwijtgeraakt’. Faile moest binnen zijn, want de troep dwazen koelde even verderop de voeten. Zij hoefden niet te slaven en te zwoegen. Even nuttig als ratten in een hooischuur.
Perijn dacht erover naar Draver en Stapper te gaan kijken, maar na een blik tussen de bomen op de daar vastgebonden paarden, werd hij gezien. Niet minder dan drie hoefsmeden stapten bezorgd naar voren en hielden hem in het oog. Het waren stevige mannen met leren voorschoten en ze leken op elkaar als eieren in een mand, al had Falton een witte rand haar, was Aemin grijs en Jerasid nog lang niet van middelbare leeftijd. Perijn gaf een grauw toen hij hen zag. Ze zouden blijven rondhangen, als hij een hand op een van de paarden legde en met open mond staan kijken, als hij een hoef optilde. Hij had eenmaal geprobeerd bij Draver een versleten ijzer te vervangen, en alle zes de hoefsmeden hadden rondgehold om hun gereedschap weg te graaien voor hij het had kunnen aanraken, waarna ze de vos bijna omduwden in hun haast het werk zelf op te knappen. ‘Ze vrezen dat je ze niet vertrouwt,’ zei Aram opeens. Perijn keek hem verbaasd aan en Aram haalde zijn schouders op. ‘Ik heb met ze gepraat. Met sommigen. Ze denken dat als een heer zijn eigen paarden verzorgt, hij hen niet vertrouwt. En dan stuur je ze misschien wel weg, terwijl ze niet weten hoe ze thuis moeten komen.’ Aan zijn stem was te horen dat hij het dwaze gedachten vond, maar hij nam Perijn steels op en haalde opnieuw ongemakkelijk zijn schouders op. ik denk dat ze er ook onbehaaglijk van worden. Als je je niet gedraagt zoals een heer zich volgens hen hoort te gedragen, slaat dat weer terug op henzelf.’