Выбрать главу

‘Licht,’ mompelde Perijn. Faile had hetzelfde gezegd – over dat ze zich verlegen voelden, tenminste – maar hij had aangenomen dat het slechts prietpraat was van de dochter van een heer. Faile was omringd door bedienden opgegroeid, maar hoe kon een vrouwe de gedachten kennen van een man die voor zijn brood moest werken? Fronsend keek hij naar de rijen paarden. Er stonden nu vijf hoefsmeden op een kluitje naar hem te kijken. In verlegenheid gebracht omdat hij zijn eigen paarden wilde verzorgen en van streek omdat hij niet wilde dat ze in het hele kamp wol raapten of het grind aanharkten. ‘Vind jij dat ik me behoor te gedragen als een zot in zijden ondergoed?’ vroeg hij. Aram knipperde met zijn ogen en staarde toen naar zijn laarzen. ‘Licht!’ gromde Perijn.

Opeens zag hij Basel Gil uit de richting van de karren hollen en hij liep erheen om hem aan te spreken. Hij geloofde niet dat hij Basel Gil gisteren echt op z’n gemak gesteld had. De gezette man liep in zichzelf te praten en veegde zijn voorhoofd met een zakdoek af, terwijl hij liep te zweten in een gekreukelde grijze jas. De hitte van overdag begon reeds alles in haar greep te krijgen. Hij zag Perijn pas toen die vlak bij hem stond, waarop hij bijna een sprongetje maakte, het doekje in een jaszak propte en een buiging maakte. Hij zag er piekfijn en schoongeborsteld uit, klaar voor een feestdag. ‘O, mijn heer Perijn. Uw vrouwe droeg me op met een kar naar Bethal te rijden. Ze zegt dat ik zo mogelijk wat Tweewaterse tobak moet halen, maar ik weet niet of dat zal lukken. Blad van Tweewater is altijd zeldzaam geweest en de handel is niet wat die geweest is.’

‘Stuurt ze jou erop uit voor tobak?’ zei Perijn fronsend. Hij nam aan dat de geheimhouding er wel af was, maar toch... ik heb twee dorpen terug drie vaten gekocht. Genoeg voor iedereen.’ Gil schudde ferm zijn hoofd. ‘Geen blad van Tweewater en uw vrouwe zegt dat u dat juist het lekkerst vindt. Het Geldaanse blad is goed genoeg voor uw mannen. Ik moet uw – hoe noemt ze het – uw sambajan zijn en zorgen dat u en zij alles hebben wat u nodig heeft. Eigenlijk niet zo anders dan mijn werk voor de Koninginnezegen.’ De overeenkomst leek hem te vermaken; zijn buik schudde door een stil gegrinnik, ik heb een vrij lange lijst, hoewel niet valt te zeggen hoeveel ik ervan zal vinden. Goede wijn, kruiden, fruit, kaarsen en lampolie, oliedoek en was, papier en inkt, naalden, spelden, van alles en nog wat. Tallanvor en Langwin gaan ook mee, met wat andere leden van het gevolg van uw vrouwe.’ Andere leden van het gevolg. Tallanvor en Langwin brachten de volgende kist al naar buiten, zodat de vrouwen die uit konden zoeken. Ze moesten daarbij door het hurkende groepje jonge dwazen heen, die geen enkele keer aanboden even te helpen. In feite negeerden de luiwammesen hen volledig.

‘Hou dat stel in de gaten,’ waarschuwde Perijn. ‘Als een ervan moeilijk gaat doen – als hij zelfs maar de schijn wekt – mag Langwin hem een klap op zijn kop geven.’ En als het nou eens een vrouw was? Die konden het net zo goed zijn, misschien wel eerder. Perijn gromde. Failes gevolg zou hem nog weleens jarenlang maagzweren kunnen bezorgen. Het was jammer dat ze zich niet tevreden kon stellen met mensen als baas Gil of Maighdin. ‘Je bent Balwer vergeten. Heeft hij besloten alleen verder te trekken?’ Net op dat ogenblik draaide de wind iets en snoof hij Balwers geur op. Een geur van oplettendheid die totaal niet paste bij het bijna verdorde uiterlijk van de kerel. Zelfs voor zo’n rietmagere man maakten Balwers voeten verrassend weinig lawaai op de droge bladeren. In een musbruine jas maakte hij een kleine buiging en zijn scheef gehouden hoofd maakte het beeld van een vogel nog eens sterker, ik blijf, mijn heer,’ zei hij behoedzaam. Misschien was dat zijn manier van doen. ‘Als schrijver van uw bekoorlijke vrouwe. En van uzelf, als dat u belieft.’ Hij stapte dichterbij, het was bijna een huppeltje. ik heb hier ruime ervaring mee, mijn heer. Ik heb een goed geheugen en een goed handschrift en mijn heer kan er zeker van zijn dat alles wat hij me toevertrouwt, nooit mijn lippen zal verlaten in het bijzijn van een ander. Het vermogen geheimen te bewaren is het belangrijkste voor een schrijver. Heb je geen dringende werkzaamheden voor onze nieuwe meesteres, baas Gil?’

Gil keek Balwer fronsend aan, wilde wat zeggen maar sloot vastberaden zijn mond. Hij draaide zich op zijn hielen rond en draafde naar de tent.

Balwer keek hem even na, zijn hoofd iets schuin, de lippen nadenkend samengeknepen, ik kan u ook andere diensten bieden, mijn heer,’ zei hij ten slotte. ‘Kennis. Ik hoorde enkele mannen van mijn heer praten en ik begreep dat mijn heer wellicht enige... moeilijkheden... heeft gehad met de Kinderen van het Licht. Een schrijver verneemt vele zaken. Ik weet verbazingwekkend veel van de Kinderen.’

‘Met wat geluk kan ik de Witmantels ontlopen,’ zei Perijn hem. ik zou liever van je horen waar de Profeet uithangt. Of de Seanchanen.’ Hij verwachtte uiteraard geen antwoord maar Balwer verraste hem. ik ben er natuurlijk niet zeker van, maar ik denk dat de Seanchanen nog niet zo ver buiten Amador zijn uitgezwermd. Feiten zijn moeilijk van geruchten te schiften, mijn heer, maar ik houd mijn oren open. Natuurlijk lijken ze zich onverwacht snel te kunnen verplaatsen. Een gevaarlijk volk, met grote aantallen soldaten uit Tarabon. Ik neem na baas Gils verhaal aan dat mijn heer ze kent, maar ik heb ze in Amador van nabij gadegeslagen en wat ik gezien heb staat ter beschikking van mijn heer. Wat de Profeet betreft, over hem gaan evenveel geruchten als over de Seanchanen, maar ik meen met redelijke betrouwbaarheid te kunnen zeggen dat hij tot voor kort in Abila was, een vrij grote stad, zo’n veertig roede ten zuiden van hier.’ Balwer glimlachte dunnetjes, een kort zelfingenomen lachje. ‘Hoe weet je dat zo zeker?’ vroeg Perijn langzaam. ‘Zoals ik zeg, mijn heer, ik houd beide oren open. Volgens alle verhalen heeft de Profeet een aantal herbergen en taveernes gesloten en ook een paar met een volgens hem kwalijke roep laten afbreken. Er werden er verschillende genoemd en toevallig weet ik dat er zich in Abila enkele herbergen van die naam bevinden. Ik denk dat de kans klein is dat er nog een andere stad bestaat met herbergen die hetzelfde heten.’ Een zuinige glimlach flitste op en verdween. Hij rook beslist zeer met zichzelf ingenomen.

Nadenkend krabde Perijn aan zijn baard. Dus de man herinnerde zich stom toevallig in welke stad enkele herbergen stonden die Masema vermoedelijk had laten afbreken. En als Masema daar uiteindelijk niet bleek te zijn, nou ja, tegenwoordig bloeiden de geruchten op als paddestoelen na een herfstregen. Balwer praatte als een man die trachtte zijn eigen belangrijkheid te benadrukken. ‘Dank u, baas Balwer. Ik zal dat in gedachten houden. Als u nog meer mocht vernemen, wil ik het graag horen.’ Hij wilde zich omdraaien maar de man greep hem bij de mouw.

Balwers magere vingers schoten meteen weer weg, alsof ze zich gebrand hadden, en hij maakte een van die vogelachtige buiginkjes, waarbij hij zijn handen over elkaar wreef. ‘Vergeef me, mijn heer. Ik aarzel om zo aan te houden, maar wees niet al te luchtig over de Witmantels. Hen vermijden is verstandig maar wellicht onmogelijk. Ze zijn veel dichterbij dan de Seanchanen. Emon Valda, de nieuwe kapiteinheer-gebieder, heeft voor Amadors val het grootste deel van hun strijdmacht naar het noorden van Amadicia geleid. Hij was ook op jacht naar de Profeet, mijn heer. Emon Valda is een gevaarlijk man, maar hij is een aangenaam mens vergeleken met Rhadam Asunawa, de Groot-Inquisiteur. En ik vrees dat beiden niets moeten hebben van uw heer. Vergeef me.’ Hij boog weer, aarzelde en ging vervolgens gladjes verder: ‘Staat u me toe op te merken dat het vertoon van de banier van Manetheren een goede vondst van mijn heer is. Mijn heer zal Valda en Asunawa makkelijk aankunnen, als hij voorzichtig is.’ Perijn zag hem zich al buigend terugtrekken en meende nu een deel van Balwers verhaal te kennen. De man had duidelijk moeilijkheden gehad met de Witmantels. Daarvoor was niet meer nodig dan je met hen in dezelfde straat bevinden, een boze frons op het verkeerde tijdstip, maar blijkbaar had Balwer een grief. Hij was ook scherp van geest dat hij meteen inzag wat de Rode Adelaar inhield. En hij had een scherpe tong voor baas Gil.