Выбрать главу

Gil zat op z’n knieën naast Maighdin en sprak heel snel, ondanks Lini’s pogingen hem tot zwijgen te manen. Maighdin had zich omgedraaid en staarde Balwer na, die zich tussen de bomen naar de karren haastte, maar zo nu en dan richtten haar ogen zich op Perijn. De anderen groepten in haar buurt bijeen en keken nu eens naar Balwer en dan weer naar Perijn. Als hij ooit een groep had gezien die zich zorgen maakte over wat een ander gezegd had, dan zag hij er nu een. Maar waarover maakten ze zich zorgen? Steken in de rug, waarschijnlijk. Verhalen over gekwetste gevoelens en wandaden, echt of verbeeld. Mensen die tot elkaar waren veroordeeld, hadden de neiging elkaar te gaan pikken. Als dat het was, kon hij er misschien een eind aan maken voor er bloed ging vloeien. Tallanvor zat weer zijn zwaard te bevoelen! Wat wilde Faile met die kerel? ‘Aram, ik wil dat je met Tallanvor en dat stel gaat praten. Vertel hun wat Balwer mij zei. Vermeld het terloops, maar vertel wel alles.’ Dat zou de vrees van roddelpraatjes wel verminderen. Faile zei dat je moest zorgen dat bedienden zich thuisvoelden. ‘Sluit zo mogelijk vriendschap, Aram. Maar als je van plan bent lief te zijn voor een van de vrouwen, zorg dan dat het Lini is. De andere twee zijn al bezet.’

De man had een rappe tong voor elke knappe vrouw, maar het lukte hem zowel verbaasd als beledigd te lijken. ‘Zoals u wenst, heer Perijn,’ mompelde hij mokkend, ik kom zo snel mogelijk terug.’ ik zal bij de Aiel zijn.’

Aram knipperde met zijn ogen. ‘O. Ja. Nou, het zal wel wat tijd kosten, als ik bevriend met ze moet raken. Ze zien er in mijn ogen niet uit alsof ze vriendschap willen.’ En dat van een man die op Faile na iedereen achterdochtig aanstaarde, die in de buurt van Perijn kwam. Een man die voor iemand die geen rok droeg nooit een glimlach over had.

Niettemin liep hij erheen en hurkte neer, zodat hij met Gil en de anderen kon praten. Zelfs op die afstand was merkbaar dat ze zich afstandelijk opstelden. Ze gingen met hun werkzaamheden door en wisselden slechts nu en dan een woord met Aram, waarbij ze even vaak elkaar als hem aankeken. Zo schichtig als een groene kwartel in de zomer wanneer de vossen hun jongen leerden hoe ze moesten jagen. Nou ja, ze spraken in elk geval met elkaar. Perijn vroeg zich even af in wat voor onmin Aram met de Aiel was geraakt. Er was amper tijd voor geweest! Elke ernstige grief met de Aiel betekende meestal iemands dood en die iemand was geen Aiel. Feitelijk had hij er zelf ook weinig zin in met de Wijzen te spreken. Hij liep met de bocht van de heuvel mee, klom niet naar de top, maar zijn voeten voerden hem naar het kamp van de Mayeners. Bij hen was hij ook zoveel mogelijk uit de buurt gebleven en dat was niet enkel vanwege Berelain. Er waren nadelen aan een scherpe reuk verbonden.

Gelukkig voerde een verfrissende bries de meeste stank weg, al bleef de hitte er hangen. Het zweet rolde van de gezichten van de bereden schildwachten in hun rode wapenrusting. Toen ze hem zagen gingen ze nog strakker in het zadel zitten, een hele prestatie. Terwijl de mannen van Tweewater als boeren naar hun weiland reden, zaten de Mayeners gewoonlijk als standbeelden te paard. Maar ze konden vechten, dat wel. Het Licht mocht geven dat zoiets voorlopig niet nodig was.

Havien Nurelle kwam aanhollen, zijn jas dichtknopend, nog voor Perijn goed en wel voorbij de schildwachten was. Een tiental andere officieren volgde Nurelle op de voet. Allen droegen een jas en verscheidenen waren de riempjes van hun rode borstkuras aan het dichtgespen. Twee of drie hadden helmen met dunne rode pluimen onder de arm. De meesten waren jaren ouder dan Nurelle, soms wel tweemaal zo oud, grijzende mannen met harde gezichten vol littekens. Nurelles beloning voor zijn hulp bij de redding van Rhand had hem onderaanvoerder gemaakt onder Gallenne, zijn eerste gardeluitenant, zoals ze het noemden.

‘De Eerste is nog niet terug, heer Perijn,’ zei Nurelle terwijl hij een buiging maakte die nauwkeurig nagebootst werd door de anderen. Hij was een lange slanke jongeman, maar zag er niet meer zo jong uit als voor Dumais Bron. Er zat iets scherps in zijn ogen, die meer bloed hadden gezien dan de meeste veteranen van twintig veldslagen. Zijn gezicht was misschien harder, maar in zijn geur viel nog steeds een zekere gretigheid te bespeuren om in de smaak te vallen. Voor Havien Nurelle was Perijn Aybara een man die naar verkiezing kon vliegen of over water lopen. ‘De ochtendverkenners hebben niets gezien, de groepen die terug zijn in elk geval niet. Anders zou ik het hebben doorgegeven.’

‘Uiteraard,’ zei Perijn. ik wilde slechts... een beetje rondkijken.’ Hij bedoelde dat hij gewoon wat rond wilde wandelen, tot hij genoeg moed had verzameld om de strijd met de Wijzen aan te gaan, maar de jonge Mayener volgde hem met alle andere officieren. Ze leken bezorgd dat heer Perijn een vuiltje zou vinden bij de Vleugelgarde en ze krompen telkens in elkaar, wanneer ze stuitten op mannen met ontblote bovenlijven die op een deken de dobbelstenen lieten rollen of op een kerel die luid in de opgaande zon lag te snurken. Ze hadden zich niet druk hoeven maken. Op Perijn maakte het kamp de indruk alsof de tenten met schietlood en waterpas waren opgericht. Elke man had zijn eigen dekens en een zadel als kussen, en lag op niet meer dan twee stap afstand van de plek waar zijn paard stond, vastgebonden aan een van de lange touwen aan de borsthoge palen die in de grond waren geslagen. Om de twintig pas brandde een kookvuur waartussen lansen tegen elkaar waren geplaatst in met staal gepunte kegels. Het geheel vormde een vierkant rond vijf puntige tenten, waarvan de ene met de goud-blauwe strepen groter was dan de andere vier bij elkaar. Volkomen verschillend van het ongeregelde kamp van de mannen uit Tweewater.

Perijn stapte stevig door en probeerde er niet al te dwaas uit te zien, maar hij wist niet zeker of dat echt lukte. Hij had een grote aandrang om enkele paarden wat nader te bekijken – alleen om hier en daar een hoef op te pakken, zonder dat iemand zowat flauwviel – maar hij dacht aan wat Aram had gezegd en hield zijn handen thuis. Iedereen leek even geschokt van zijn snelheid als Nurelle. Vaandeliers met harde ogen joegen manschappen overeind, maar zagen Perijn met slechts een knikje voorbijschrijden voordat iedereen was opgekrabbeld. Verbazing dreef mompelend achter hem aan en zijn oren vingen enkele opmerkingen op over officieren, heren in het bijzonder, waarvan hij maar blij was dat Nurelle en de anderen ze hadden gemist. Ten slotte bereikte hij de rand van het kamp en keek omhoog naar de heuvel met struikgewas, naar de tenten van de Wijzen. Slechts enkele Speervrouwen en wat gai’shain waren zichtbaar onder de verspreide bomen.

‘Heer Perijn,’ zei Nurelle aarzelend. ‘De Aes Sedai...’ Hij kwam wat dichterbij staan en sprak schor fluisterend verder, ik weet dat zij de Drakenheer trouw gezworen hebben... Ik heb dingen gezien, heer Perijn. Ze doen klussen in het kamp! Aes Sedai! Vanmorgen kwamen Masuri en Seonid water halen! En gisteren, na uw terugkomst... Gisteren meende ik daarboven iemand te horen... gillen. Het kan natuurlijk geen zuster zijn geweest,’ voegde hij er haastig aan toe. Hij lachte om te tonen hoe belachelijk het idee was, maar de lach trilde. ‘U... Kunt u kijken of alles... in orde... met ze is?’ Hij was aan het hoofd van tweehonderd lansiers op veertigduizend Shaido-krijgers afgestormd, maar bij deze woorden hingen zijn schouders slap en schuifelde hij met zijn voeten. Natuurlijk was hij op die veertigduizend Shaido afgestormd; een Aes Sedai had dat van hem verlangd.