Выбрать главу

‘Nu je hier bent,’ zei Edarra zodra de tentdoek achter de gai’shain was dichtgevallen, ‘zullen we je nogmaals uitleggen waarom je de man moet doden die Masema Dagar wordt genoemd.’

‘We horen het geen tweede keer uit te leggen,’ bracht Delora naar voren. Haar haren en ogen hadden bijna dezelfde tint als die van Maighdin, maar niemand zou haar zuur samengeknepen gezicht knap noemen. Ze was een en al ijs. ‘Die Masema Dagar is een gevaar voor de Car’a’carn. Hij moet sterven.’

‘De droomloopsters hebben ons dat gezegd, Perijn Aybara.’ Carelle was een echt knappe vrouw en hoewel ze door haar vuurrode haren en felle ogen een opgewonden standje leek, was ze zachtmoedig van aard. Voor een Wijze. En zeker niet te zacht. ‘Zij hebben de droom gelezen. De man moet sterven.’

Perijn nam een slokje pruimenwijn om wat tijd te winnen. De wijn was zowaar koel. Het was bij deze vrouwen altijd hetzelfde. Rhand had hem niets gezegd over een waarschuwing van de droomloopsters. Perijn had dat de eerste keer al naar voren gebracht. Maar één keer, want ze dachten dat hij aan hun woorden twijfelde en zelfs Carelles ogen hadden vuur gespuwd. Niet dat Perijn had aangenomen dat ze logen. Dat was het niet zozeer. Hij had ze nooit op een leugen betrapt. Maar de toekomst die zij wensten en wat Rhand wilde – en wat hijzelf wilde – konden heel verschillende dingen zijn. Misschien was het Rhand die dingen geheimhield. ‘Als jullie me nu eens een idee van dat gevaar geven,’ zei hij ten slotte. ‘Het Licht weet dat Masema een gek is, maar hij steunt Rhand wel. Het zou wat zijn als ik degenen die aan onze kant staan ga ombrengen. Dat zal de mensen zeker overtuigen dat ze zich bij Rhand aan moeten sluiten.’ Spot had geen vat op hen. Ze keken hem strak aan. ‘De man moet sterven,’ zei Edarra ten slotte. ‘Het volstaat dat drie droomloopsters het gezegd hebben, het volstaat dat zes Wijzen het je opgedragen hebben.’ Net als de eerste keer. Misschien wisten ze wel niet meer dan dat. En misschien kon hij maar beter het doel van zijn bezoek aansnijden.

‘Ik wil over Seonid en Masuri praten,’ zei hij, en zes gezichten bevroren. Licht, deze vrouwen konden een steen plat kijken! ‘Van mij wordt verwacht dat ik het volk laat zien dat de Aes Sedai Rhand trouw hebben gezworen.’ Rhand verwachtte eigenlijk dat hij het Masema zou laten zien, maar dit leek niet het juiste ogenblik om dat te zeggen. ‘Ze zullen niet erg behulpzaam zijn als jullie hen slaan. Licht! Ze zijn Aes Sedai. In plaats van ze water te laten halen, kun je toch beter van ze leren? Ze moeten allerlei dingen weten die jullie niet kennen.’ Te laat wilde hij zijn tong afbijten. De Aielvrouwen waren niet beledigd; ze lieten het tenminste niet merken. ‘Zij weten wat dingen die wij niet kennen,’ zei Delora ferm, ‘en wij weten dingen die zij niet kennen.’ Even ferm als een speerpunt in zijn ribben.

‘Wij leren wat er te leren valt, Perijn Aybara,’ merkte Marline kalm op, terwijl ze haar vingers door haar haren haalde. Ze was een van de weinige Aiel die hij kende met zulk donker haar en ze speelde er vaak mee. ‘En wij leren hun wat er geleerd moet worden.’ in elk geval,’ zei Janina, ‘heb jij er niets mee te maken. Mannen bemoeien zich niet met Wijzen en leerlingen.’ Ze schudde haar hoofd over zijn dwaasheid.

‘Je mag ophouden met buiten te luisteren en kunt binnenkomen, Seonid Traighan,’ zei Edarra opeens. Perijn knipperde verbaasd met zijn ogen, maar geen enkele vrouw keek op.

Het bleef even stil, toen schoof het tentdoek opzij en dook Seonid naar binnen om snel op de kussens neer te knielen. Haar hoog gewaardeerde Aes Sedai-kalmte was volkomen verdwenen. Haar mond vormde een strakke streep, haar ogen waren half dichtgeknepen en haar gezicht was rood. Ze rook boos, een en al ergernis, en een tiental andere gevoelens die zo snel rondtolden dat Perijn er nauwelijks een kon herkennen. ‘Mag ik iets tegen hem zeggen?’ zei de zuster strak.

‘Als je oppast met wat je zegt,’ maande Edarra haar. Nippend van de wijn nam de Wijze haar over de rand van haar beker op. Een lerares die haar leerlinge bestudeerde? Een havik die een muis beloerde? Perijn kon het niet zeggen. Maar Edarra was wel heel zeker van haar plaats, wie ze ook tegenover zich had. Evenals Seonid. Maar dat werd niet op hem overgedragen.

De Groene zuster schoof rond op haar knieën om hem aan te kijken, de rug recht en met brandende ogen. In haar geur ziedde boosheid. ‘Wat je ook weet,’ zei ze kwaad, ‘wat je ook meent te weten, kun je vergeten.’ Nee, ze bezat geen draadje waardige rust meer. ‘Wat er ook is tussen de Wijzen en ons gaat alleen ons aan! Jij houdt je erbuiten, kijkt de andere kant op en houdt je mond dicht!’ Verbaasd harkte Perijn met zijn vingers door zijn haar. ‘Licht, ben je van streek omdat ik weet dat je slaag hebt gekregen?’ vroeg hij ongelovig. Nou ja, dat zou hij ook geweest zijn, maar niet na al dat andere. ‘Weet je dan niet dat deze vrouwen je even gemakkelijk de keel afsnijden als je aankijken? Je de keel opensnijden en je aan de kant van de weg laten liggen! Nou, ik heb me voorgenomen dat ik zoiets niet zal laten gebeuren! Ik mag je niet, maar ik heb beloofd je te beschermen tegen de Wijzen, tegen de Asha’man en tegen Rhand zelf, dus ga maar niet zo hoog te paard zitten!’ Hij besefte dat hij schreeuwde, haalde diep en verlegen adem en maakte het zich gemakkelijk op zijn kussen. Hij griste zijn beker op en nam een lange teug.

Met elk woord verstrakte Seonid meer van verontwaardiging en haar sneer vormde zich al voor hij goed en wel uitgesproken was. ‘Een belofte?’ spotte ze. ‘Jij denkt dat een Aes Sedai jóuw bescherming nodig heeft? Jij...’

‘Genoeg,’ zei Edarra kalm en Seonids kaken klapten op elkaar, hoewel haar vuisten zich met witte knokkels aan haar rok vastklemden. ‘Waarom denk je dat wij haar zouden doden, Perijn Aybara?’ vroeg Janina nieuwsgierig. Van Aielgezichten was zelden wat af te lezen maar de anderen staarden hem fronsend of openlijk ongelovig aan. ik weet hoe jullie je voelen,’ antwoordde hij langzaam, ik weet het al sinds ik jullie na Dumais Bron met de zusters zag.’ Hij was niet van plan uit te leggen dat hij de haat, de verachting had geroken bij elke blik van een Wijze op een Aes Sedai. Hij rook het nu niet, maar niemand kon lange tijd zo woedend blijven zonder een keer los te barsten. Het betekende niet dat het voorbij was, alleen dat het diep in het merg zat.

Delora snoof, een geluid van scheurend linnen. ‘Eerst zeg je dat ze moeten worden vertroeteld omdat je ze nodig hebt, en nu omdat ze Aes Sedai zijn en jij hebt beloofd hen te beschermen. Wat is nu waar, Perijn Aybara?’

‘Allebei.’ Perijn keek Delora heel lang hard aan en vervolgens stuk voor stuk de vijf anderen. ‘Het is allebei waar en ik meen het allebei.’

De Wijzen wisselden een blik uit van het soort, waarbij een trillend ooglid honderden woorden bevatte en waarvan geen man iets begreep. Na veel geschuif met kettingen en geschik van omslagdoeken leken ze ten slotte tot overeenstemming te komen. ‘Wij doden geen leerlingen, Perijn Aybara,’ zei Nevarin. Ze klonk geschokt. ‘Toen Rhand Altor ons vroeg hen als leerling te nemen, was dat misschien omdat hij wilde dat ze ons gehoorzamen, maar we spreken geen lege woorden. Ze zijn nu onze leerlingen.’

‘En dat blijven ze, tot vijf Wijzen het erover eens zijn dat ze gereed zijn om meer te worden,’ voegde Marline eraan toe terwijl ze haar lange haren over haar schouder zwiepte. ‘En ze worden niet anders dan de anderen behandeld.’

Edarra knikte instemmend boven haar beker wijn. ‘Geef hem de raad die jij hem over Masema Dagar zou geven, Seonid Traighan,’ zei ze. De knielende vrouw had zowat zitten kronkelen tijdens de korte toespraken van Nevarin en Marline. Ze hield haar rok zo stevig beet dat Perijn dacht dat de zijde zou scheuren, maar ze voerde Edarra’s opdracht ogenblikkelijk uit. ‘De Wijzen hebben gelijk, wat hun redenen ook zijn. Ik zeg dit niet omdat zij dit van mij verlangen.’ Ze richtte zich weer op en wist na een zichtbare inspanning een uitdrukkingsloos gezicht te tonen. Wel vlamde er nog steeds wat boosheid door haar stem. ik heb de daden van die zogenaamde Draakgezworenen gezien, nog voor ik Rhand Altor ontmoette. Dood en verwoesting, zinloos geweld. Zelfs een trouwe hond moet worden neergelegd als er schuim rond zijn bek staat.’