Выбрать главу

‘Bloed en as!’ mopperde Perijn. ‘Hoe kan ik je na zoiets zelfs maar in de buurt van die vent laten komen? Je hebt trouw gezworen aan Rhand en je weet dat dit tegen zijn wil ingaat! Hoe staat het met dat er “duizenden zullen sterven als jij faalt”?’ Licht, als Masuri hetzelfde voelde, trok hij helemaal voor niets met de Aes Sedai en de Wijzen op! Nee, nog erger. Dan moest hij Masema tegen hen beschermen! ‘Masuri weet even goed als ik dat Masema een dolle hond is,’ antwoordde Seonid, toen hij haar de vraag voorlegde. Ze had haar waardigheid weer herwonnen en keek hem koel en nietszeggend aan. Haar geur was een en al oplettendheid. Doelgericht. Alsof hij zijn neus nog nodig had, nu haar ogen groot en donker en bodemloos strak op de zijne waren gericht, ik heb gezworen de Herrezen Draak te dienen en de beste dienst die ik hem nu kan bieden is dat beest uit zijn buurt te houden. Het is al erg genoeg dat vorsten weten dat Masema hem steunt. Nog erger wordt het als ze hem de man zien omarmen. En duizenden zullen sterven als jij faalt en niet dichtbij genoeg komt om hem te doden.’

Het duizelde Perijn. Opnieuw draaide een Aes Sedai woorden rond als een tol, waardoor het leek of ze zwart had gezegd terwijl ze wit bedoelde. Waarna ook de Wijzen hun bijdrage leverden. ‘Masuri Sokawa,’ zei Nevarin kalm, ‘neemt aan dat het hondsdolle beest aangelijnd en vastgebonden kan worden, zodat hij veilig kan worden gebruikt.’ Heel even keek Seonid net zo verbaasd als Perijn zich voelde, maar ze herstelde zich snel. Uiterlijk tenminste. Opeens was haar geur behoedzaam, alsof ze een val vermoedde waar er eerder geen was geweest.

‘Ze wil jou ook aanlijnen, Perijn Aybara,’ voegde Carelle er nog terloopser aan toe. ‘Zij vindt dat ook jij voor alle veiligheid moet worden gebonden.’ Van haar sproetige gezicht was niet af te lezen of ze ermee instemde.

Edarra hief een hand op naar Seonid. ‘Je mag gaan. Je blijft niet meer luisteren, maar je mag Gharadin opnieuw vragen om de wond op zijn gezicht te helen. Denk eraan: als hij blijft weigeren, moet je dat aanvaarden. Hij is een gai’shain, niet een van je natlanderbedienden.’

Het laatste woord was doordrenkt met diepe hoon. Seonid zond ijzige boren op Perijn af. Ze keek naar de Wijzen, haar lippen trilden van verlangen iets te zeggen. Uiteindelijk kon ze echter slechts vertrekken met zoveel waardigheid als ze kon opbrengen. Op het oog was dat aanzienlijk; een Aes Sedai kon meer waardigheid uitstralen dan een koningin. Maar de geur die ze achterliet rook zo scherp naar ergernis dat de lucht te snijden was. Zodra ze was vertrokken keken de zes Wijzen Perijn weer strak aan. ‘Nu,’ zei Edarra, ‘mag je ons uitleggen waarom je een hondsdol beest naar de Car’a’carn wilt voeren.’

‘Alleen een dwaas gehoorzaamt het bevel om van een hoge rots te worden geduwd,’ merkte Nevarin op.

‘Jij wilt niet naar ons luisteren,’ zei Janina, ‘dus luisteren wij naar jou. Spreek, Perijn Aybara.’

Perijn overwoog naar de tentopening te sprinten. Maar in dat geval zou hij een Aes Sedai die wellicht wat hulp kon bieden, en een tweede zuster achterlaten bij zes Wijzen die stuk voor stuk bereid waren alles te vernielen wat hij hier te doen had. Hij zette zijn roemer weer neer en legde zijn handen op de knieën. Hij had een helder hoofd nodig als hij deze vrouwen wilde tonen dat hij geen vastgebonden geit was.

10

Veranderingen

Bij het verlaten van de tent van de Wijzen overwoog Perijn zijn jas uit te trekken om te zien of zijn huid nog onbeschadigd om hem heen zat. Geen vastgebonden geit misschien, maar wel een hert met zes wolvinnen op zijn hielen en hij wist niet zeker of hij snel genoeg op de poten was geweest. In elk geval was geen enkele Wijze van gedachten veranderd en hun belofte om uit zichzelf geen stappen te ondernemen was op z’n minst heel vaag geweest. Over de Aes Sedai was helemaal geen belofte gedaan, zelfs geen vage toezegging. Hij keek of een van de twee zusters in de buurt was en zag Masuri. Er was een strakke lijn tussen twee bomen gebonden waarover een roodgroen tapijt met kwasten hing. De slanke Bruine zuster sloeg erop los met een kromme houten mattenklopper, waardoor kleine wolkjes stof opstoven, wolkjes die glinsterend in de ochtendzon wegzweefden. Haar zwaardhand, een stevige man met donker haar en een hoog voorhoofd, zat vlakbij op de stam van een ongevallen boom. Hij keek zwaarmoedig toe. Rovair Kirklin toonde gewoonlijk snel een grijns, maar die lag vandaag heel diep begraven. Masuri zag Perijn verschijnen en zonder ook maar een tel het kloppen te staken, wierp ze hem zo’n ijzig boze blik toe dat hij zuchtte. En zij was nog wel degene die er net zo over dacht als hij. Nou ja, dichterbij zou hij vermoedelijk nergens aantreffen. Een roodstaarthavik vloog over hem heen. Hij zweefde op de opstijgende hete luchtstromen van heuvel naar heuvel zonder zijn gestrekte vleugels te bewegen. Het zou fijn zijn uit dit alles weg te scheren. Nee, ijzer voor hem, geen dromen van zilver.

Hij knikte naar Sulin en de Speervrouwen die wortelgeschoten leken te hebben onder de lederbladboom, draaide zich om en bleef opeens staan. Twee mannen beklommen de heuvel. De ene was een Aiel in het grijs, bruin en groen van de cadin’sor, een boog in een hoes op zijn rug, een barstensvolle pijlkoker aan zijn riem en de speren en het ronde leren schild in zijn handen. Gaul was een vriend en de enige man onder de Aiel die geen wit droeg. Zijn metgezel, een hoofd kleiner onder een hoed met een brede rand, in een dofgroene jas en kniebroek, was geen Aiel. Ook hij had een volle pijlkoker aan zijn riem en een mes dat zelfs nog langer en zwaarder was dan dat van de Aielman. In zijn hand had hij een boog, veel kleiner dan een voetboog uit Tweewater, maar groter dan de ronde bogen van de Aiel. Ondanks zijn kleren leek hij niet op een boer of op iemand uit een stad. Misschien lag dat aan het grijzende haar dat onder aan zijn nek bijeengebonden was en afhing tot aan zijn middel en aan de baard die een groot deel van zijn borst bedekte. Misschien kwam het wel door zijn manier van bewegen die veel leek op die van de man naast hem. Hij glipte zo langs de struiken op de heuvel dat geen enkel twijgje knapte en dat het onkruid onder zijn voeten niet kraakte. Perijn had hem heel lang niet meer gezien.

Elyas Machera bereikte de heuveltop en nam Perijn op. Goudgele ogen glansden zwak in de schaduw van zijn hoed. Zijn ogen waren lang voor die van Perijn zo geworden. Door Elyas had Perijn de wolven leren kennen. In die tijd was hij echter in huiden gekleed. ‘Fijn je weer te zien, jongen,’ zei hij kalm. Het zweet glinsterde op zijn gezicht maar het was niet erger dan bij Gaul. ‘Eindelijk die bijl opgegeven? Ik had niet gedacht dat er ooit een eind zou komen aan je haat voor dat ding.’

‘Ik haat hem nog steeds,’ zei Perijn even kalm. Heel lang geleden had de vroegere zwaardhand hem gezegd de strijdbijl te houden tot hij het gebruik ervan niet meer haatte. Licht, hij haatte het nog steeds! En om meer redenen dan toen. ‘Wat doe jij in dit deel van de wereld, Elyas? Waar heeft Gaul jou gevonden?’

‘Hij heeft mij gevonden,’ zei Gaul. ik wist pas dat hij achter me stond toen hij kuchte.’ Hij sprak luid genoeg om door de Speervrouwen gehoord te worden en de plotselinge stilte was haast tastbaar.

Perijn rekende minstens op enkele snijdende opmerkingen – Aiel-grappen konden het bloed onder je nagels vandaan halen en de Speervrouwen grepen elke kans aan om hun nagels te scherpen aan de man met de groene ogen – maar in plaats daarvan namen enkele vrouwen hun speren en schilden op voor een goedkeurende roffel. Gaul knikte instemmend.