Выбрать главу

Perijn wilde een boos antwoord geven, maar deed zijn mond weer dicht. Hij had niet beseft dat hij diep in zijn keel stond te grommen. Faile zou inderdaad glimlachen als ze een luipaard werd genoemd. ‘Maar dat zij wil dat ik tegen haar schreeuw, kun je niet menen Elyas.’

‘Jawel hoor. Zeer waarschijnlijk wel. Maar misschien is zij de zesde. Misschien. Laat me uitspreken. Als je je stem tegen hen verheft, rollen bij de meeste vrouwen de ogen zowat uit hun hoofd of ze worden ijskoud. En voor je het weet maken jullie ruzie over jouw boosheid, wat daar ook de reden voor was. Maar als je het bij een Saldeaanse opzout, zal zij dat opvatten als een teken dat jij haar niet sterk genoeg acht om jou lik op stuk te geven. Als je haar op die wijze beledigt, mag je van geluk spreken wanneer ze jou je eigen ingewanden niet als ontbijt voert. Ze is geen deerne uit Far Maddin die verwacht dat een man gaat zitten waar zij wijst en opspringt wanneer zij met haar vingers knipt! Ze is een luipaard en ze verwacht dat haar man ook een luipaard is. Licht! Hoor mij nu eens! Een man raad geven over zijn vrouw is de beste manier om je darmen te verliezen.’

Ditmaal was het Elyas’ beurt om te grommen. Hij trok zijn hoed recht, wat overbodig was en zocht fronsend de helling af, alsof hij overwoog weer in de bossen te verdwijnen, waarna hij met zijn vinger in Perijns borst porde. ‘Hoor eens. Ik heb altijd geweten dat je meer was dan een zwerver, en toen ik bij elkaar optelde wat de wolven me hebben verteld en dat je toevallig op weg bent naar die vent die zich de Profeet noemt, meende ik dat je wel een vriend kon gebruiken om je in de rug te dekken. Natuurlijk hebben de wolven niet verteld dat je die mooie Mayeense lansiers aanvoerde. En Gaul evenmin, tot we ze zagen. Als je wilt dat ik blijf, doe ik dat. Zo niet, dan zijn er meer dan genoeg plekjes op de wereld die ik nog niet heb gezien.’

‘Ik kan altijd een vriend gebruiken, Elyas.’ Zou Faile écht willen dat hij tegen haar schreeuwde? Hij had altijd geweten dat hij misschien iemand pijn zou doen als hij niet oppaste, en hij probeerde zijn boze buien zo goed mogelijk in toom te houden. Woorden konden evenveel pijn doen als vuisten, zeker verkeerde woorden, die je niet meende en toch uitte in je razernij. Het was onmogelijk, dat begreep toch iedereen. Geen enkele vrouw zou dat pikken, niet van haar echtgenoot, van geen enkele man.

De roep van een blauwvink deed Perijn opkijken met gespitste oren. Zelfs hij had het maar ternauwernood opgevangen, maar even later klonk het fluiten dichterbij en vervolgens nogmaals van heel nabij. Elyas trok vragend een wenkbrauw op. Hij zou het gefluit van een vogel uit de Grenslanden wel kennen. Perijn had het geleerd van enkele Shienaranen, onder wie Masema, en het de mannen van Tweewater bijgebracht.

‘We krijgen bezoek,’ zei hij tegen Elyas.

De vier ruiters waren er al voor hij en Elyas onder aan de heuvel kwamen. Berelain ging hen voor en reed de stroom door, gevolgd door Annoura en Gallenne, met naast haar een vrouw in een vale stofmantel met een kap. Ze draafden recht door het Mayeense kamp zonder op of om te kijken en hielden pas in toen ze voor de rood-wit gestreepte tent stonden. Enkele Cairhiense bedienden kwamen aansnellen om de teugels over te nemen en stijgbeugels vast te houden. Berelain en haar metgezellen waren de tent al in voor het stof was gezakt.

Alles bijeengenomen veroorzaakte de aankomst nogal wat opwinding. Onder de mannen uit Tweewater ging een zoemend gemompel op dat Perijn niet anders dan verwachtingsvol kon noemen. De onvermijdelijke bende van Failes jonge dwazen krabde zich het hoofd en staarde naar de tent waarbij ze opgewonden met elkaar babbelden. Gradi en Neald hielden van tussen de bomen de tent in het oog en bogen zich zo nu en dan naar elkaar toe om iets te fluisteren, al was er niemand in de buurt om hun woorden op te vangen. ‘Het ziet ernaar uit dat je bezoek op zijn hoede is,’ zei Elyas zacht. ‘Kijk uit voor Gallenne. Hij kan moeilijkheden veroorzaken.’

‘Ken je hem, Elyas? Ik wil graag dat je blijft, maar als je denkt dat hij wellicht een zuster zal zeggen wie je bent...’ Perijn trok berustend zijn schouders op. ik ben misschien in staat Seonid en Masuri tegen te houden’ – hij dacht van wel – ‘maar ik denk dat Annoura doet wat zij zelf wil.’ En wat waren haar gedachten over Masema? ‘O, Bertin Gallenne weet niets van Elyas Machera en zijn soort,’ antwoordde Elyas met een wrange grijns. ’ “Meer gekken kennen gekke Jak dan gekke Jak gekken kent.” Ik ken hem echter wel. Hij zal niet tegen je ingaan of iets achter je rug doen, maar van hun tweeën heeft Berelain de beste hersens. Ze heeft Tyr vanaf haar zestiende uit Mayene weten te houden door de Tyreners uit te spelen tegen de IIlianers. Berelain weet hoe ze moet schipperen en schuiven, en Gallenne kent alleen de aanval. Hij is er goed in, maar hij ziet nooit iets anders en soms houdt hij niet in om na te denken.’

‘Dat had ik van hen allebei al bedacht,’ mompelde Perijn. Berelain had tenminste een boodschapper van Alliandre meegenomen. Ze zou niet zo binnenvallen met slechts een nieuwe kamermeid. De vraag was waarom Alliandres antwoord een boodschapper vereiste, ik kan maar beter gaan horen of er goed nieuws is, Elyas. Laten we later bespreken wat er in het zuiden ligt. En dan kun je kennismaken met Faile,’ voegde hij eraan toe terwijl hij zich omdraaide. ‘De Doemkrocht ligt in het zuiden,’ riep de ander hem achterna, ‘of het naaste dat ik ten zuiden van de Verwording verwachtte tegen te komen.’ Perijn verbeeldde zich weer dat hij in het westen zwakjes onweer hoorde. Nou, dat zou een prettige verandering zijn. In de tent ging Breane rond met een zilveren dienblad met een kom rozenwater en doekjes om gezichten en handen af te nemen, waarbij ze stijfjes een knix maakte. Met een nog stijvere knix bood Maighdin een blad aan met bekers vruchtenwijn – zo te ruiken gemaakt van de laatste gedroogde blauwbessen – terwijl Lini de stofmantel van de onbekende opvouwde. Er was iets vreemds aan de manier waarop Faile en Berelain aan weerszijden van de nieuwkomer stonden en Annoura vlak achter hen rondhing. Iedereen schonk haar alle aandacht. Ze was ongeveer van middelbare leeftijd en droeg een kapje van groen gaas dat de bijna tot haar middel reikende donkere haren bijeenhield. Zonder haar lange neus was ze wellicht knap genoemd, als ze niet zo verwaand had rondgekeken. Ze was kleiner dan Faile en Berelain, maar slaagde er desondanks in op Perijn neer te kijken, waarbij ze hem koeltjes van kruin tot laarspunten opnam. Ze knipperde niet eens bij het zien van zijn gele ogen, hoewel haast iedereen dat deed.

‘Majesteit,’ kondigde Berelain vormelijk aan, zodra Perijn was binnengekomen, ‘mag ik u voorstellen: heer Perijn Aybara van Tweewater in Andor, de persoonlijke vriend en gezant van de Herrezen Draak.’ De vrouw met de lange neus knikte afgemeten en Berelain sprak bijna zonder pauze verder: ‘Heer Aybara, begroet en verwelkom Alliandre Maritha Kigarin, Koningin van Geldan, Gezegende van het Licht, Verdedigster van Garens Muur, die de welwillendheid heeft u persoonlijk te ontvangen.’ Gallenne, die aan de zijkant stond, schoof zijn rode ooglapje goed en hief met een triomfantelijke glimlach zijn beker wijn op naar Perijn.

Om de een of andere reden wierp Faile Berelain een harde blik toe. Perijns mond viel bijna open. Alliandre in eigen persoon? Hij vroeg zich af of hij moest knielen, maar besloot na een veel te lange pauze tot een buiging. Licht, hij wist niet hoe je met een koningin moest omgaan. Laat staan met een die uit het niets binnenviel, zonder lijfwacht en zonder dat er een sieraad te zien was. Haar donkergroene rijkleding was van eenvoudige wol en vertoonde geen enkel steekje borduurwerk.