‘Na de laatste berichten,’ zei Alliandre, ‘meende ik dat ik het beste naar u toe kon komen, heer Aybara.’ Haar stem klonk kalm, haar gezicht stond effen, haar ogen minzaam. En aandachtig, of hij was een Tarenveerder. Hij kon maar het beste op zijn passen letten tot hij wist hoe het pad liep. ‘Wellicht heeft u het nog niet gehoord,’ sprak ze verder, ‘maar vier dagen geleden is Illian gevallen voor de Herrezen Draak, gezegend zij zijn naam in het Licht. Hij heeft de Bladerkroon aanvaard, hoewel ik heb begrepen dat deze nu de Kroon der Zwaarden wordt genoemd.’
‘En zeven dagen geleden hebben de Seanchanen Ebo Dar ingenomen,’ fluisterde Faile binnensmonds, terwijl ze een beker van Maighdins blad pakte. Zelfs Maighdin merkte het niet.
Als Perijn zich al niet volkomen beheerste, had hij echt iedereen aangegaapt. Waarom vertelde Faile het hem op deze manier en wachtte ze niet tot de vrouw sprak die het haar verteld had? Op een toon die iedereen kon horen, herhaalde hij haar woorden. Een harde toon, maar alleen op die manier kon hij voorkomen dat zijn stem trilde. Ebo Dar ook? Licht! En zeven dagen geleden? Op de dag dat Gradi en de zusters de Ene Kracht aan de hemel hadden bespeurd. Toeval misschien. Maar had hij liever gewild dat het de Verzakers waren geweest?
Nog voor hij was uitgesproken, keek Annoura fronsend over de rand van haar beker en Berelain gaf hem een geschrokken blik die snel verdween. Ze wisten dat hij dat bij hun vertrek naar Bethal nog niet had geweten.
Alliandre knikte slechts, tot in haar vingertoppen even beheerst als de Grijze zuster. ‘U schijnt opvallend goed ingelicht te zijn,’ zei ze, en ze kwam wat dichterbij, ik betwijfel of de eerste geruchten Jehanna al hebben bereikt met de rivierhandel. Ikzelf heb het slechts een paar dagen geleden vernomen. Verschillende kooplieden houden me op de hoogte van de gebeurtenissen.’ Droogjes voegde ze eraan toe: ik neem aan dat ze hopen dat ik voor hen zal kunnen bemiddelen bij de Profeet van de Herrezen Draak, als dat nodig mocht blijken te zijn.’
Eindelijk kon hij haar geur opvangen en zijn mening over haar wijzigde zich, zij het niet ten kwade. Uiterlijk was de koningin volkomen koel en beheerst, maar onzekerheid en vrees vervulden haar geur. Hij dacht niet dat hij zijn gezicht zo kalm zou kunnen houden als hij zich zo voelde.
‘Het is altijd het beste zoveel mogelijk te weten,’ zei hij, half afgeleid. Bloedvuur, dacht hij, ik móét Rhand dit laten weten! ‘In Saldea vinden we kooplieden ook nuttig vanwege hun inlichtingen,’ zei Faile. Waarmee ze aanduidde hoe Perijn van Ebo Dar had kunnen weten. ‘Die schijnen weken voor de geruchten beginnen, te vernemen wat et duizenden spannen verder gebeurt.’ Ze keek niet naar Perijn, maar hij wist dat ze zowel hem als Alliandre toesprak. Rhand wist ervan, zei ze. Er was trouwens geen enkele manier om hem in het geheim een bericht te sturen. Zou Faile écht willen dathij...? Nee, dat is ondenkbaar. Terwijl hij met zijn ogen stond te knipperen besefte hij dat hij enkele woorden van Alliandre had gemist. ‘Neem me niet kwalijk, Alliandre,’ zei hij beleefd, ik stond te denken aan Rhand – de Herrezen Draak.’ Natuurlijk is het ondenkbaar!
Iedereen staarde hem aan, zelfs Lini en Maighdin en Breane. Annoura’s ogen waren wijd en Gallennes mond hing open. Opeens daagde het hem. Hij had zojuist de koningin bij haar voornaam aangesproken. Hij nam een beker op van Maighdins blad en ze kwam zo snel omhoog uit haar knix dat ze die bijna uit zijn hand sloeg. Hij gebaarde haar weg te gaan en veegde de vochtige hand aan zijn jas af. Hij moest zijn aandacht erbij houden, niet toestaan dat zijn geest negen kanten tegelijk opzwierf. Het doet er niet toe wat Elyas meent te weten, Faile zou nooit... Nee! Let op!
Alliandre herwon snel haar evenwicht. Eigenlijk had ze van het hele gezelschap het minst verbaasd gekeken en haar geur was niet veranderd. ‘Ik zei al dat een geheim bezoek mij de beste koers leek, heer Aybara,’ zei ze met haar koele stem. ‘Heer Telabin neemt aan dat ik me afzonder in zijn tuinen, waaruit ik door een zelden gebruikte poort ben vertrokken. Bij het verlaten van de stad was ik het kamermeisje van Annoura Sedai.’ Ze streek lichtjes over de zijkant van haar rijrok en lachte dunnetjes. Zelfs haar lach was koel, een scherp contrast met wat haar geur hem zei. ‘Verschillende soldaten hebben me gezien, maar door de mantelkap heeft niemand me herkend.’
‘Nu de tijden zijn zoals ze zijn, is dat waarschijnlijk het verstandigst,’ zei Perijn behoedzaam. ‘Maar vroeg of laat zult u zich openlijk moeten uitspreken. Op welke wijze dan ook.’ Beleefd en zakelijk, daar draaide het om. Een koningin zou geen tijd willen verknoeien aan een man die om de zaken heen draaide. En hij wilde Faile niet teleurstellen door zich weer eens als een lompe boer te gedragen. ‘Waarom bent u zelf gekomen? U hoefde slechts een brief te sturen of Berelain uw antwoord mee te delen. Zult u zich voor Rhand uitspreken? Wat u ook besluit, vrees niet voor uw veilige terugkeer naar Bethal.’ Dat was een goed punt. Waar ze verder ook bang voor mocht zijn, hier alleen zijn zou zeker vrees veroorzaken. Faile hield hem in de gaten en deed net of ze het niet deed. Ze nipte van haar wijn en stuurde vele glimlachjes naar Alliandre, maar hij ving de snelle blikken in zijn richting op. Berelain deed niet net alsof en keek openlijk toe, haar iets dichtgeknepen ogen lieten zijn gezicht geen ogenblik los. Annoura was even gespannen, even nadenkend. Geloofden ze dan allemaal dat hij weer over zijn eigen tong zou struikelen?
Alliandre gaf geen antwoord op de belangrijke vraag, maar zei: ‘De Eerste heeft me zeer veel over u verteld, heer Aybara, en over de heer Herrezen Draak, gezegend zij zijn naam in het Licht.’ Het laatste klonk uit het hoofd geleerd, een toevoeging waar ze niet meer over na hoefde te denken. ‘Ik kan hem niet opzoeken voor ik een besluit neem, dus wilde ik u graag zelf bezoeken om u in te schatten. Je kunt veel over een man opmaken door een ontmoeting met degene die hij heeft uitverkoren om voor hem te spreken.’ Ze keek omlaag naar de beker in haar handen en gluurde hem door haar oogwimpers aan. Bij Berelain zou het behaagziek zijn geweest, maar Alliandre nam hem even behoedzaam op als een wolf. Dat wist hij even zeker alsof hij vlak voor haar stond. ‘Mij zijn eveneens uw banieren opgevallen,’ zei ze zachtjes. ‘De Eerste had die niet genoemd.’ Perijn keek nors voor hij zich kon beheersen. Berelain had zeer veel over hem verteld? Wat had ze gezegd? ‘De banieren zijn er om gezien te worden.’ Zijn boosheid maakte dat zijn stem ruw klonk, wat slechts met moeite onderdrukt kon worden. Kijk, Berelain was echt een vrouw tegen wie je moest schreeuwen. ‘Geloof me, er zijn geen plannen om Manetheren te doen herleven.’ Daar, zijn toon was even koel als die van Alliandre. ‘Wat is uw beslissing? Rhand kan in een oogwenk tienduizend, honderdduizend soldaten hier hebben.’ En dat zou wellicht ook moeten. De Seanchanen waren in Amador én in Ebo Dar? Licht, met z’n hoevelen waren ze?
Alliandre nam beschaafde teugjes van haar vruchtenwijn voor ze iets zei, en wederom ontweek ze de vraag. ‘U beseft natuurlijk heel goed dat er duizenden geruchten gaan en zelfs het wildste gerucht is geloofwaardig, wanneer de Draak herboren is en vreemdelingen beweren dat zij de teruggekeerde legers van Artur Haviksvleugel zijn en zelfs de Toren door een opstand gebroken is.’
‘Een zaak voor Aes Sedai,’ verkondigde Annoura scherp. ‘Dat gaat niemand wat aan.’ Berelain wierp haar een geprikkelde blik toe, maar de zuster verwaardigde zich niet die op te merken. Alliandre kromp ineen en wendde zich van de zuster af. Koningin of niet, niemand wilde op zo’n toon door een Aes Sedai worden toegesproken. ‘De wereld staat op z’n kop, heer Aybara. Stel u voor, ik heb zelfs verslagen over Aiel die midden in Geldan een dorp hebben geplunderd.’ Opeens besefte Perijn dat er meer speelde dan de zorg over een beledigde Aes Sedai. Alliandre hield hem afwachtend in het oog. Maar waar wachtte ze op? Geruststellingen? ‘De enige Aiel in Geldan horen bij mij,’ zei hij. ‘De Seanchanen zijn wellicht afstammelingen van het leger van Artur Haviksvleugel, maar die is al zo’n duizend jaar dood. Rhand heeft ze al eens verslagen en dat zal hij opnieuw doen.’ Hij herinnerde zich Falme even scherp als Dumais Bron, hoewel hij had getracht om het te vergeten. Er waren daar toch zeker niet genoeg Seanchanen geweest om zowel Amador als Ebo Dar te veroveren? Zelfs niet met hun damane. Balwer beweerde dat ze ook soldaten uit Tarabon hadden. ‘En het zal u verheugen te vernemen dat de opstandige Aes Sedai Rhand steunen. Dat zullen ze tenminste weldra doen.’ Tenminste, dat had Rhand beweerd; een handvol Aes Sedai met geen andere uitweg dan hem. Perijn was er niet zo zeker van. In Geldan gingen geruchten dat er een leger bij die zusters was. Natuurlijk spraken diezelfde geruchten van meer Aes Sedai bij die handvol dan er in de hele wereld waren, maar toch... Licht, hij wou dat iemand hém eens een hart onder de riem wilde steken! ‘Waarom gaan we niet zitten,’ stelde hij voor. ‘Om u bij uw beslissing te helpen, zal ik alle vragen beantwoorden die u wilt stellen, maar dan kunnen we het ons net zo goed gemakkelijk maken.’ Hij trok een vouwstoel naar zich toe en bedacht net op tijd dat hij er niet in moest ploffen. Niettemin kraakte de stoel onder zijn gewicht.