Выбрать главу

Alliandre nam elk van de vrouwen voor haar op, maar gaf geen teken dat ze gespannen was. Ze pakte haar beker wijn en nam rustig enkele slokjes. Ze sprak met zuchtjes en berouwvolle glimlachjes, alsof haar woorden minder belang hadden dan ze klonken. ‘Natuurlijk ben ik van plan mijn eed gestand te doen, maar u dient te begrijpen dat ik op meer had gehoopt. Als uw echtgenoot vertrekt, blijf ik met lege handen achter. Nog erger wellicht, tot er tastbare hulp van mijn heer Draak komt, gezegend zij zijn naam in het Licht. De Profeet kan Bethal verwoesten, of zelfs Jehanna, zoals hij met Samara heeft gedaan, en ik kan hem niet tegenhouden. En als hij verneemt dat ik een eed... Hij zegt gekomen te zijn om ons te tonen hoe wij onze heer Draak in het Licht moeten dienen, maar hij is degene die beveelt hoe en ik kan me niet voorstellen dat hij het waardeert als iemand een andere manier vindt.’

‘Het is goed dat u zich aan uw eed houdt,’ zei Faile droogjes. ‘Als u meer van mijn echtgenoot verlangt, zou u misschien ook meer moeten doen. Wellicht kunt u hem begeleiden wanneer hij naar het zuiden trekt om de Profeet te ontmoeten. Natuurlijk zult u uw eigen soldaten mee willen nemen, maar ik stel voor dat het er niet meer zijn dan de Eerste vergezellen. Zullen we gaan zitten?’ Ze nam de stoel van Perijn, gebaarde Berelain en Annoura naast haar te komen en wees Alliandre toen pas een stoel tegenover haar. De koningin ging langzaam zitten, met grote ogen naar Faile starend.

Niet zenuwachtig maar verbijsterd. ‘Bij het Licht, waarom zou ik dat doen?’ riep ze uit. ‘Vrouwe Faile, de Kinderen van het Licht zullen elke uitvlucht aangrijpen om hun wandaden in Geldan op te voeren en koning Ailron zal wellicht eveneens besluiten een leger naar het noorden te sturen. Het is onmogelijk!’

‘De vrouw van uw leenheer vraagt het van u, Alliandre,’ zei Faile ferm.

Het leek onmogelijk dat Alliandres ogen nog groter konden worden, maar dat gebeurde wel. Ze keek naar Annoura en vond daar slechts de onverstoorbare kalmte van een Aes Sedai. ‘Natuurlijk,’ zei ze wat later. Haar stem klonk hol. Slikkend voegde ze eraan toe: ‘Natuurlijk zal ik doen wat u... verzoekt... mijn vrouwe.’ Faile verborg haar opluchting achter een beschaafd, aanvaardend knikje. Ze had verwacht dat Alliandre zich zou verzetten. Dat ze trouw kon zweren zonder te beseffen wat dat inhield – dat ze de noodzaak voelde om uit te spreken dat ze zich aan de eed wilde houden! – had Faile slechts gesterkt in de overtuiging dat de vrouw niet achtergelaten mocht worden. Volgens alle verslagen had Alliandre voortdurend aan Masema toegegeven. Traag, zeer zeker, en met weinig keus en alleen wanneer ze moest, maar onderwerping kon een gewoonte worden. Hoe lang zou het duren, als er in Bethal niets openlijk veranderde, voor ze besliste om zich in te dekken met een waarschuwing aan Masema? Ze had het gewicht van haar eed gevoeld en nu kon Faile haar last wat verlichten. ‘Ik ben blij dat u ons zult vergezellen,’ zei ze warm. En dat meende ze. ‘Mijn echtgenoot vergeet de mensen niet die hem een dienst bewijzen. Zo’n dienst zou bijvoorbeeld een brief aan uw edelen kunnen zijn dat een man in het zuiden de banier van Manetheren heeft gehesen.’ Verbaasd gleden Berelains ogen naar Faile en zelfs Annoura keek nietbegrijpend.

‘Mijn vrouwe,’ zei Alliandre fel, ‘de helft van hen zal een boodschap naar de Profeet sturen zodra ze mijn brief ontvangen. Ze zijn doodsbang voor hem en het Licht alleen weet wat hij zal doen.’ Precies het antwoord waar Faile op hoopte.

‘En daarom schrijft u hém eveneens een brief, waarin u zegt enkele soldaten te hebben verzameld om persoonlijk met deze man af te rekenen. De Profeet van de Draak is per slot van rekening te belangrijk om zijn aandacht op zoiets onbelangrijks te richten.’

‘Heel goed,’ mompelde Annoura. ‘Niemand zal nog weten wie wie is.’

Berelain lachte van opgetogen instemming, bloedvuur!

‘Mijn vrouwe,’ zuchtte Alliandre. ik heb gezegd dat mijn heer Perijn indrukwekkend is. Mag ik eraan toevoegen dat zijn vrouwe hem naar de kroon steekt?’

Faile probeerde niet al te opvallend te stralen. Nu moest ze nog een boodschap sturen naar haar mensen in Bethal. In zekere zin betreurde ze dat. Een uitleg aan Perijn zou zeer moeilijk zijn geweest, maar zelfs hij had zijn woede niet kunnen bedwingen als ze de koningin van Geldan had ontvoerd.

Aan de rand van het kamp leek het grootste deel van de Vleugelgarde rond tien bereden gardisten te staan. Er waren geen lansen te zien, dus het moesten de verkenners zijn. De mannen te voet drongen en duwden om dichterbij te komen. Opnieuw meende Perijn niet zo ver hier vandaan onweer te horen, maar het drong niet echt tot hem door.

Terwijl hij zich voorbereidde op een stevige duwpartij, brulde Gallenne: ‘Opzij, schurftige honden!’ Pijlsnel draaiden hoofden zich om en wrongen mannen zich opzij, waardoor een pad vrijkwam. Perijn vroeg zich af wat er zou gebeuren wanneer hij de mannen uit Tweewater schurftige honden noemde. Waarschijnlijk zou hij een dreun op zijn neus krijgen. Hij zou het eens moeten uitproberen. Nurelle en de andere officieren stonden bij de verkenners. Evenals zeven mannen. Hun handen waren op hun rug gebonden en ze hadden touwen om hun nek. Ze schuifelden met hun voeten, toonden moedeloze schouders en keken uitdagend of bevreesd of allebei rond. Hun kleren stonden stijf van oud vuil, hoewel sommige ooit heel mooi waren geweest. Vreemd genoeg roken ze sterk naar houtrook. Bovendien hadden enkele bereden gardisten roet op hun gezicht en leken een of twee van hen brandwonden te hebben opgelopen. Aram stond met een lichte frons de gevangenen op te nemen. Gallenne stelde zich wijdbeens met de vuisten in de zij voor hen op. Zijn ene oog fonkelde even woest als twee ogen bij andere mannen. ‘Wat is er gebeurd?’ wilde hij te weten. ‘Mijn verkenners worden geacht inlichtingen mee te nemen, geen voddenrapers!’ ik zal Ortis verslag laten doen, mijn heer,’ zei Nurelle. ‘Hij was erbij. Sariant Ortis!’

Een soldaat van middelbare leeftijd klauterde van zijn paard, boog en drukte een gehandschoende hand tegen het hart. Hij droeg een eenvoudige helm zonder de dunne pluimen en vleugels die de zijkanten van een officiershelm sierden. Onder de rand was een vuurrode brandplek op zijn gezicht te zien. De andere wang vertoonde een litteken dat zijn mondhoek optrok. ‘Mijn heer Gallenne, mijn heer Aybara,’ zei hij schor. ‘We kwamen deze knolleneters tegen, ongeveer twee roede naar het westen. Hadden een boerderij in brand gestoken met de mensen er nog in. Een vrouw probeerde uit het raam te klauteren en een van deze boeven sloeg haar hoofd in. Wetend wat heer Aybara ervan vindt, probeerden we er een einde aan te maken. We waren te laat om iemand te redden, maar we hebben dit zevental gevangengenomen. De anderen wisten te ontkomen.

‘Mensen zijn vaak geneigd weer tot de Schaduw te vervallen,’ zei een gevangene opeens. ‘Ze moeten herinnerd worden aan de prijs die daarvoor betaald wordt.’ Hij was een grote magere kerel met een waardig uiterlijk. Zijn stem klonk beschaafd en ontwikkeld, maar zijn jas was even vuil als die van de anderen en hij had zich al een dag of twee, drie niet geschoren. De Profeet leek het verspillen van tijd aan wassen en scheren niet goed te keuren. Met vastgebonden handen en een touw om de nek keek hij zonder de minste vrees woest naar zijn bewaarders. Hij was een en al laatdunkend verzet. ‘Je soldaten doen me niets,’ zei hij. ‘De Profeet van de Draak, gezegend zij zijn naam in het Licht, heeft veel grotere legers verslagen dan dit bijeengeraapte zootje. Jullie kunnen ons doden, maar we zullen gewroken worden wanneer de Profeet jullie bloed op de bodem vergiet. Niemand van jullie zal ons lang overleven. Hij zal overwinnen in vuur en in bloed.’ De laatste woorden schalden in het rond en zijn rug was zo recht als een ijzeren staaf. Er ging een gemompel door de luisterende gardisten. Ze wisten maar al te goed dat Masema veel grotere legers dan hun eigen strijdmacht had verslagen. ‘Hang ze op,’ zei Perijn. Wederom hoorde hij onweer. Na het bevel dwong hij zich zelf toe te kijken. Ondanks het gemompel was er geen gebrek aan bereidwillige handen. Enkele gevangenen begonnen te huilen toen hun touwen over drie takken werden geslingerd. Een ooit gezette man met flabberige hangkinnen schreeuwde dat hij berouw had en dat hij elke meester die de gardisten noemden, zou dienen. Een kale vent die er even taai uitzag als Langwin Dorn schopte en wrong tot het touw zijn gejank verstomde. Alleen de man met de vlotte praatjes schopte en vocht niet, zelfs niet toen de lus strak trok. Tot het eind toe bood hij woest zwijgend verzet. ‘Ten minste één man die weet hoe hij moet sterven,’ gromde Gallenne toen het laatste lichaam slap hing. Hij keek fronsend naar de mannen die de bomen tooiden, alsof hij het betreurde dat ze niet meer verzet hadden geboden.