Выбрать главу

Sevanna bleef alleen achter aan de rand van de lichtkring. Van alle vrouwen die door de moord op Desaine met haar verbonden waren, vertrouwde ze deze het meest. Natuurlijk vertrouwde ze niemand ooit volledig. Maar van Someryns en Modarra’s trouw was ze even zeker geweest alsof zij een watereed hadden gezworen om haar te volgen waar zij leidde. En nu waagden ze het haar beschuldigend aan te staren. Zelfs Alarys keek op en speelde niet meer met haar haren. Sevanna keek hen aan met een koele glimlach die nog net geen honende spot toonde. Ze besloot dat dit ogenblik niet het meest geschikt was om hen te herinneren aan de misdaad die hun lot had verbonden. Deze keer maar niet de knuppel, ik vermoedde dat Caddar zou proberen ons te verraden,’ zei ze in plaats daarvan. Rhiales blauwe ogen sperden zich open bij die bekentenis en Tion wilde erop ingaan. Sevanna sprak verder voor ze een kans kregen om iets te zeggen. ‘Zouden jullie liever in Therins Dolk zijn gebleven om omgebracht te worden? Om als beesten te worden opgejaagd door vier stammen, waarvan de Wijzen weten hoe ze die gaten zonder reisschrijnen kunnen maken? In plaats daarvan zijn we hier midden in een rijk en zacht land. Zelfs rijker dan het land van de boomdoders. Kijk eens wat we in slechts tien dagen hebben genomen? Hoeveel meer zullen we kunnen nemen in een stad van de natlanders? Jullie vrezen de Seanchanen vanwege hun aantallen? Denk eraan dat ik elke Shaido Wijze die kan geleiden heb meegenomen.’ Dat ze zelf niet kon geleiden kwam tegenwoordig nog maar zelden in haar op. Dat gebrek zou gauw verholpen worden. ‘We zijn even sterk als elke strijdmacht die de natlanders tegen ons kunnen inzetten. Zelfs als ze vliegende hagedissen hebben.’ Ze snoof luid om aan te geven wat ze daarvan dacht! Niemand van hen, en geen enkele verkenner, had er een gezien, maar bijna elke gevangene was vol geweest van die belachelijke verhalen. ‘Als we de andere sibben hebben gevonden, zullen we dit land in bezit nemen. Het héle land! Van de Aes Sedai zullen we een tienvoudige schatting eisen. En als we Caddar hebben gevonden, laten we hem om genade janken tot hij sterft.’

Hiermee had ze hen weer achter zich moeten krijgen, het had hun weer wat moed moeten geven, zoals al eerder was gebeurd. Maar geen van de gezichten tegenover haar veranderde. Geen enkel. ‘En dan hebben we nog de Car’a’carn,’ zei Tion kalm ‘tenzij je je plannen om hem te huwen hebt opgegeven.’

‘Ik heb niets opgegeven,’ antwoordde Sevanna geërgerd. De man -en belangrijker nog de macht die bij hem hoorde – zou op een goede dag de hare zijn. Op de een of andere manier. Hoe dan ook. Op zachtere toon ging ze verder: ‘Rhand Altor is nu van weinig belang.’ Voor deze simpele zielen tenminste. Als zij hem in handen kreeg zou alles voor haar mogelijk zijn. ik ben niet van plan hier de hele dag over mijn bruidskrans te praten. Ik moet zaken afhandelen die wél belangrijk zijn.’

Terwijl ze in de schemering naar de deuren van het koetshuis schreed, viel haar opeens een onprettig idee in. Ze was alleen met deze vrouwen. In hoeverre kon ze hen nog vertrouwen? Desaines dood was een al te levendige herinnering. De Wijze was... geslacht met behulp van de Ene Kracht. Onder anderen door de vrouwen achter haar. De gedachte legde een knoop in haar maag. Ze spitste de oren om het lichte geritsel van stro op te vangen, dat voeten aankondigde die haar volgden. Ze hoorde niets. Stonden ze haar slechts na te staren? Ze weigerde om te kijken. Met dezelfde langzame pas verder lopen kostte moeite – zijzelf mocht zeker geen vrees tonen en schande vergaren! – maar toen ze een van de beide deuren openduwde op zijn ingevette scharnieren, en het heldere middaglicht in stapte, slaakte ze onwillekeurig een zucht van opluchting.

Efalin beende buiten heen en weer, de sjoefa om haar hals, de boog in een hoes op haar rug, speer en schild in haar hand. De grijze vrouw keerde zich met een ruk om en haar bezorgdheid verflauwde slechts kort bij het zien van Sevanna. De aanvoerster van alle Shaido Speervrouwen liet haar verontrusting blijken! Ze was niet van de Jumai-sibbe, maar was met Sevanna meegekomen met de uitvlucht dat Sevanna als stamhoofd sprak tot een nieuw hoofd van de Shaido kon worden gekozen. Sevanna wist best dat Efalin vermoedde dat zoiets nooit zou gebeuren. Efalin wist waar de macht lag. En wanneer ze haar mond dicht moest houden.

‘Begraaf hem diep en verberg het graf,’ droeg Sevanna haar op.

Efalin knikte en gebaarde naar de Speervrouwen die het koetshuis omsingeld hadden. Ze kwamen overeind en verdwenen achter haar naar binnen. Sevanna nam het gebouw op, met zijn rode puntdak en blauwe muren, waarna ze zich naar het erf ervoor wendde. Een laag stenen muurtje met een enkele opening vlak voor het koetshuis omsloot een cirkel van hard aangestampt zand van misschien zo’n honderd pas breed. De natlanders hadden de plek gebruikt om paarden te oefenen. Waarom het zo ver van de andere gebouwen lag, en omringd door bomen die zo hoog waren dat Sevanna er soms lang naar staarde, had ze de vroegere eigenaars vergeten te vragen, maar dat het afgelegen was, diende haar doel. De Speervrouwen onder Efalin hadden de Seanchaan gevangengenomen. Niemand die hier niet aanwezig was, wist van zijn bestaan. En zou het ooit weten. Stonden de Wijzen daarbinnen te praten? Over haar? In het bijzijn van de Speervrouwen? Wat zeiden ze? Ze ging niet op hen of wie dan ook wachten!

Ze kwamen net het koetshuis uit toen ze zich naar het woud begaf. Someryn en de anderen volgden haar tussen de bomen door en bespraken onder elkaar de Seanchanen, Caddar en waar de rest van de Shaido naartoe was gestuurd. Niets over haar, maar ja, dat zouden ze ook niet doen waar zij het kon opvangen. Wat ze wel hoorde, deed haar gezicht vertrekken. Er waren ruim driehonderd Wijzen bij de Jumaisibbe en zodra er drie of vier bij elkaar waren, spraken ze altijd over hetzelfde. Waar waren de andere sibben? En was Caddar een speer geweest die door Rhand Altor was geworpen en hoeveel Seanchanen zouden er zijn? En zelfs: bereden ze echt hagedissen? Hagedissen! Deze vrouwen hadden zich vanaf het begin achter haar geschaard. Ze had hen stap voor stap aan de hand genomen, maar zij geloofden dat ze alle plannen zelf hadden bedacht en dat ze wisten wat het einddoel van die plannen was. Als ze hen nu kwijtraakte...

Het woud maakte plaats voor een enorm veld dat meer dan vijftig keer zo groot was als de cirkel bij het koetshuis. Sevanna voelde hoe haar kwade bui oploste toen ze bleef staan kijken. In het noorden rezen lage heuvels op met op enkele roede erachter bergen waarvan de toppen in de wolken staken, grote massa’s wit doorschoten met donkergrijs. Zoveel wolken had ze haar hele leven nog niet gezien. Dichterbij hielden duizenden Jumai zich bezig met alledaagse dingen. Bij de smeden galmden hamers op aambeelden en voor het avondeten werden schapen en geiten geslacht. Hun geblaat en gemekker mengde zich met het gelach van rondhollende en spelende kinderen. De Jumai hadden meer tijd gehad om zich voor te bereiden op de vlucht uit Therins Dolk dan de andere sibben, dus waren de kudden die ze in Cairhien hadden verzameld, meegenomen. Er waren dieren uit deze streek aan toegevoegd.

Velen hadden hun tenten opgezet, maar dat was niet nodig. Kleurrijke rode en blauwe bouwsels vulden het open veld als een groot natlanderdorp, grote schuren en stallen, een enorme smederij en de lage daken waar bedienden hadden gewoond, alles omringde het grote dak. Het werd een landhuis genoemd, twee verdiepingen onder een donkergroen pannendak. De stenen waren van lichter groen en geel. Het stond boven op een brede aangelegde steenheuvel van tien voet hoog. Jumai en gai’shain beklommen de lange helling die naar de deur van het grote gebouw leidde en liepen over de fraai bewerkte balkons die het gebouw omringden.

De stenen muren en paleizen in Cairhien hadden veel minder indruk op haar gemaakt. Dit gebouw was geschilderd als een wagen van de Verlorenen, maar desondanks was het prachtig. Ze had kunnen weten dat deze mensen zich met zoveel bomen konden veroorloven alles van hout te bouwen. Was zij de enige die zag hoe rijk dit land was? Er haastten zich meer witgeklede gai’shain rond dan de twintig sibben samen ooit hadden gehad, bijna half zoveel als er Jumai waren! Niemand zeurde meer over het feit dat natlanders gai’shain gemaakt waren. Ze waren zo gehoorzaam! Een jongeman haastte zich in slordig genaaid wit voorbij, een mand stevig in de arm en met open mond naar de mensen rond hem starend. Hij struikelde over de zoom van zijn kleed. Sevanna glimlachte. Zijn vader had zich de heer van dit alles genoemd en opgeschept dat zij en haar volk voor deze gruweldaad zouden worden opgejaagd – nog wel door kinderen! – maar nu droeg hij wit en werkte even hard als zijn zoon, net als zijn vrouw, zijn dochters en zijn andere zoons. De vrouwen hadden vele fraaie sieraden bezeten en prachtige zijden kleren, en Sevanna had zich de eerste keus gegund. Een rijk land, zo zacht dat er weldadige oliën druppelden.