De Wijzen hadden vlak achter haar stilgehouden en praatten met elkaar aan de rand van het bos. Ze ving hun woorden op, waardoor haar goede bui verdween.
‘... hoeveel Aes Sedai voor deze Seanchanen vechten,’ zei Tion net. ‘Daar moeten we achter komen.’ Someryn en Modarra beaamden het mompelend.
‘Ik denk niet dat het er toe doet,’ bracht Rhiale naar voren. Gelukkig was ze ook tegendraads tegen de anderen, ik denk niet dat ze zullen dansen, tenzij we hen aanvallen. Denk eraan, ze deden niets tot we tegen hen optrokken, zelfs niet om zich te verdedigen.’
‘Maar toen ze dat wel deden,’ bedacht Meira zuur, ‘stierven er drieëntwintig van ons. En meer dan tienduizend algai’d’siswai keerden evenmin terug. Hier zijn we met weinig meer dan een derde van dat aantal, zelfs als we de Broederlozen meetellen.’ Ze doopte dat woord in verachting.
‘Dat was het werk van Rhand Altor!’ zei Sevanna scherp, in plaats van te denken aan wat hij tegenover ons heeft gedaan, kunnen jullie beter denken aan wat we zullen kunnen wanneer hij de onze is!’ Wanneer hij de mijne is, dacht ze. De Aes Sedai waren in staat geweest hem gevangen te nemen en hem lang gevangen te houden, en zij had iets wat de Aes Sedai niet hadden, anders zouden ze het wel gebruikt hebben. ‘Bedenk ook dat we de Aes Sedai verslagen hadden tot hij hun kant koos. Aes Sedai zijn niets!’
Wederom faalde haar poging hen moed in te spreken. Zij konden zich alleen herinneren dat de speren waren gebroken bij de poging om Rhand Altor gevangen te nemen, en zij met hen. Modarra leek in het graf van haar hele sibbe te staren en zelfs Tion fronste verontrust. Ze herinnerde zich ongetwijfeld dat ook zij als een bange geit was gevlucht.
‘Wijzen,’ zei een man achter Sevanna. ik ben hierheen gestuurd om uw uitspraak te vragen.’
Ogenblikkelijk stond elk vrouwengezicht weer onaangedaan. Wat zij niet kon doen, had hij met zijn vraag gedaan. Geen enkele Wijze zou toestaan dat iemand anders dan een Wijze haar onbeheerst zag. Alarys streek niet meer door haar haren, die ze over haar schouder had getrokken. Het was duidelijk dat niemand van hen de man herkende. Sevanna meende hem te kennen.
Hij nam hen ernstig op, met groene ogen die veel ouder waren dan zijn gladde gezicht. Hij had volle lippen maar er lag een trek om zijn mond alsof hij vergeten was hoe je kon glimlachen, ik ben Kinhuin, van de Mera’din, Wijzen. De Jumai zeggen dat wij geen volledig aandeel krijgen van deze plaats, omdat we geen Jumai zijn, maar ze zeggen het alleen omdat zij dan minder krijgen, aangezien er twee Broederlozen zijn tegen elke Jumai algai’d’siswai. De Broederlozen vragen uw uitspraak, Wijzen.’
Nu ze wisten wie hij was, konden ze hun afkeer niet verbergen: een man die stam en sibbe verlaten had om naar de Shaido te gaan in plaats van Rhand Altor te volgen, die zij een natlander vonden en niet de ware Car’a’carn. Tions gezicht vervlakte volkomen, maar Rhiales ogen vonkten en Meira verkeerde op het randje van een honende toorn. Alleen Modarra keek bezorgd, maar zij zou zelfs een geschil tussen boomdoders willen oplossen.
‘Deze zes Wijzen zullen een uitspraak doen na beide zijden te hebben gehoord,’ zei Sevanna tegen Kinhuin met een ernst die even groot was als de zijne.
De andere vrouwen keken haar aan en verborgen amper hun verbazing dat ze van zins was zich er niet mee te bemoeien. Juist zij had ervoor gezorgd dat tienmaal meer Mera’din de Jumai vergezelden dan enige andere sibbe. Ze had Caddar inderdaad verdacht, zij het niet van wat hij daadwerkelijk gedaan had, en ze wilde zoveel mogelijk speren om zich heen hebben. Bovendien konden er beter Mera’din sterven dan Jumai.
Ze deed alsof hun verbazing haar verraste. ‘Het zou niet eerlijk zijn als ik hierin meebeslis, aangezien mijn eigen sibbe erbij betrokken is,’ gaf ze te kennen, waarna ze zich tot de man met de groene ogen wendde. ‘Zij zullen een eerlijke uitspraak doen, Kinhuin. En ik weet zeker dat ze ten gunste van de Mera’din zullen spreken.’ Het leverde haar harde blikken van de andere vrouwen op. Toen gebaarde Tion Kinhuin abrupt om hen voor te gaan. Hij moest zijn ogen van Sevanna losrukken om er gehoor aan te geven. Met een zwakke glimlach – hij had haar aangestaard, niet Someryn – zag ze hen tussen de mensenmenigte op het landgoed verdwijnen. Ondanks hun afkeer van de Broederlozen – en haar voorspelling over hun beslissing – was de kans het grootst dat ze inderdaad hun kant zouden kiezen. Hoe dan ook, Kinhuin zou het zich herinneren en het de andere leden van zijn zogenaamde krijgsgenootschap vertellen. De Jumai zaten reeds in haar beurs, maar alles wat de Mera’din persoonlijk aan haar bond, was welkom.
Sevanna draaide zich om en beende terug naar de bomen, maar niet naar het koetshuis. Nu ze alleen was, kon ze iets gaan doen wat veel belangrijker was dan de Broederlozen. Ze keek naar wat ze op haar rug in de band van haar rok had gestoken, waar het door haar omslagdoek onzichtbaar was. Ze zou het hebben gevoeld als het een haartje was verschoven, maar ze wilde de gladde steen met haar eigen vingers voelen. Elke Wijze zou haar gelijke zijn als ze dit eenmaal gebruikte, misschien vandaag al. En op een dag zou het haar Rhand Altor geven. Tenslotte had Caddar al eenmaal gelogen en wellicht had hij dat ook bij andere dingen gedaan.
Door een waas van tranen keek Galina Casban woest naar de Wijze die haar afschermde. Alsof dat schild van de magere vrouw nog nodig was. Op dat ogenblik kon ze niet eens de Ware Bron omhelzen. Belinde zat in kleermakerszit tussen twee gehurkte Speervrouwen, schoof haar omslagdoek goed en glimlachte lichtjes alsof ze Galina’s gedachten kende. Ze had een smal vossengezicht en haar haren en wenkbrauwen waren bijna witgebleekt door de zon. Galina wenste dat ze haar schedel had ingeslagen in plaats van haar in het gezicht te slaan.
Het was geen ontsnappingspoging geweest, maar louter een uiting van ergernis, zo groot dat ze die niet meer kon verdragen. Haar dagen begonnen en eindigden met uitputting en elke dag was zwaarder dan de vorige. Ze kon zich niet meer herinneren hoe lang het geleden was dat ze haar in die ruwe zwarte kleren hadden gestoken. De dagen gingen in elkaar over als een eeuwige waterstroom. Een week? Een maand? Misschien niet zo lang. Zeker niet langer. Ze wou dat ze Belinde nooit had aangeraakt. Als de vrouw geen vodden in haar mond had gestopt om haar gesnik te smoren, had ze gesmeekt of ze weer rotsen mocht verslepen of een hoop kiezels steentje voor steentje verplaatsen of elke andere marteling waar ze Galina’s tijd mee vulden. Alles liever dan dit.
Alleen Galina’s hoofd stak uit de leren zak die aan de dikke tak van een eik was gehangen. Vlak onder de zak gloeiden kooltjes in een bronzen vuurpot, zwak brandend om de lucht in de zak te verwarmen. Ze zat in die smoorhete hitte in elkaar gezakt, haar duimen waren aan haar tenen gebonden, terwijl het zweet haar naaktheid gladmaakte. Haar haren kleefden vochtig aan haar gezicht en ze zat te hijgen met wijd open neusgaten om nog lucht naar binnen te snuiven wanneer ze niet snikte. Desondanks zou dit beter zijn geweest dan de eindeloze, zinloze, de rug brekende arbeid waaraan ze haar onderwierpen, maar Belinde had nog iets meer gedaan. Voor ze de bovenkant van de zak onder haar kin dichtsnoerde, had de Wijze uit een zakje een fijn poeder over haar heen gestrooid. Zodra het zweet haar uitbrak, was dat op haar huid gaan branden als in de ogen gestrooide peper. Het leek haar helemaal te bedekken en, o Licht, wat brandde dat.