Выбрать главу

Opeens besefte ze dat de lucht donker werd. Vanuit het noorden kwamen grote wolken aanrollen, doorschoten met grijs en zwart, waardoor de zon verdween. Onder die wolken vielen sneeuwbuien, rondwervelend in de lucht. Geen enkele sneeuwvlok bereikte de grond -slechts een paar reikten tot de boomtoppen, maar Galina’s mond viel open. Sneeuw! Had de Grote Heer zijn greep op de wereld om de een of andere reden losser gemaakt?

De Wijzen staarden eveneens met open mond naar de lucht, alsof ze nog nooit wolken hadden gezien, laat staan sneeuwvlokken. ‘Wat is dat, Galina Casban?’ wilde Therava weten. ‘Spreek als je het weet!’ Ze wendde haar blik pas van de hemel af, toen Galina vertelde dat het sneeuw was. ik heb altijd gedacht dat de mannen die Laman Boomdoder opjoegen over die sneeuw hebben gelogen. Dit doet nog geen muis kwaad,’ lachte ze.

Galina klemde haar kaken op elkaar om niets over sneeuwbuien uit te leggen. Ze voelde afschuw dat ze zich bijna uit zichzelf in de gunst had willen praten. Afgrijzen ook voor het kleine steekje pret dat het achterhouden van die inlichtingen haar verschafte. Ik ben de overste van de Rode Ajah, herinnerde ze zichzelf. Ik zit in de Grote Raad van de Zwarte Ajah! Het klonk als een leugen. Dit was niet eerlijk! ‘Als we hier klaar zijn,’ zei Sevanna, ‘zal ik de gai’shain meenemen naar het grote dak en zorgen dat ze in wit wordt gekleed. Jullie mogen hier naar de sneeuw blijven staren, als je dat leuk vindt.’ Haar toon klonk zo glad, net boter in een kuip, dat niemand zou hebben gedacht dat er zojuist dolken over en weer waren gegaan. Ze schikte de omslagdoek over haar ellebogen en schoof enkele kettingen goed. Niets ter wereld leek haar zorgen te baren. ‘Wij zorgen wel voor de gai’shain,’ antwoordde Therava even gladjes. ‘Aangezien jij als het stamhoofd spreekt, zul je een lange dag en een groot deel van de avond veel te doen hebben, als we morgen moeten vertrekken.’ Heel even flitsten Sevanna’s ogen, maar Therava knipte eenmaal met haar vingers en wenkte Galina kortaf voor ze zich omdraaide. ‘Kom mee,’ zei ze, ‘en hou op met dat gepruil.’ Met gebogen hoofd werkte Galina zich overeind en haastte zich achter Therava en de andere geleidsters aan. Pruilen? Misschien keek ze nors, maar ze zou nooit pruilen! Haar gedachten krabbelden rond als ratten in een kooi, maar vonden geen hoop op ontsnapping. Er moest een mogelijkheid zijn. Dat móést. Een gedachte kwam temidden van alle onrust naar boven, zodat ze bijna weer moest huilen.

Waren gai’shain-gewaden zachter dan die prikkelige zwarte wol die ze tot dusver had moeten dragen? Er moest een uitweg zijn! Ze keek snel om naar de bomen, waar Sevanna hen nog steeds woest na staarde. Boven hen wervelden de wolken en de vallende sneeuw smolt even snel als Galina’s hoop.

12

Nieuwe bondgenoten

Graendal wenste dat er een gewone uitschrijver had gezeten bij de dingen die ze na Sammaels dood uit Illian had meegenomen. Deze Eeuw was vaak vreselijk, primitief en ongemakkelijk. Maar er waren dingen die wel van pas kwamen. In een grote bamboekooi aan het andere eind van het vertrek zongen tierige zangvogeltjes, met hun veelkleurige gefladder bijna even mooi als haar twee troeteldiertjes in de doorzichtige gewaden bij de deur. Met hun ogen strak op haar gericht stonden ze gretig en kaarsrecht klaar om haar plezier te dienen. Olielampen gaven wel niet zo goed licht als gloeibollen, maar geholpen door de grote spiegels aan de muren riepen ze een zekere barbaarse pracht op, net als het plafond van vergulde schubben. Het zou fijn zijn geweest om de woorden slechts te hoeven uitspreken, maar ze letterlijk eigenhandig op papier te zetten, verschafte een genoegen dat leek op haar plezier bij het schetsen. Het schrift in deze Eeuw was heel eenvoudig, en het nabootsen van andermans stijl was niet veel moeilijker.

Ze ondertekende zwierig – niet met haar eigen naam natuurlijk -strooide zand op het dikke papier, vouwde het op en verzegelde het met een van de zegelringen van verschillende grootte, die een sierlijke rij op de schrijftafel vormden. De Hand en het Zwaard van Arad Doman, in diepdruk op een onregelmatige cirkel van blauwgroene lak.

‘Breng dit zo snel mogelijk naar heer Ituralde,’ zei ze, ‘en zeg alleen wat ik je heb opgedragen.’

‘Zo snel als paarden mij kunnen dragen, mijn vrouwe.’ Nazran nam buigend de brief aan, terwijl boven zijn innemende glimlach een vinger langs een smal zwart snorretje streek. Hij was vierkant en diep gebruind en droeg een mooi vallende, blauwe jas. Hij was knap, zij het niet knap genoeg, ik kreeg deze brief van vrouwe Tuva die aan haar verwondingen overleed, nadat ze mij had gezegd een koerierster van Alsalam te zijn en aangevallen was door een grijzel.’

‘Zorg dat er menselijk bloed aan zit,’ drukte ze hem op het hart. Ze betwijfelde of iemand in deze tijd menselijk van ander bloed kon onderscheiden, maar ze was te vaak op verrassingen gestuit om onnodig gevaar te lopen. ‘Net genoeg om echt te lijken, niet zoveel dat mijn boodschap wordt bedorven.’

Zijn zwarte ogen straalden teder toen hij opnieuw boog, maar zodra hij zich oprichtte, haastte hij zich met veel geklak van laarzen over de lichtgele marmeren vloer naar de deuren. Hij schonk geen aandacht aan de bedienden met hun vurig op haar gerichte ogen, of deed of hij ze niet zag, hoewel hij vroeger bevriend was geweest met de jonge man. Er was slechts een tikkeltje Wilsdwang nodig geweest om te maken dat Nazran bijna net zo gretig gehoorzaamde als zij deden. Bovendien speelde ze met hem alsof hij ooit nog eens van haar zou genieten. Ze lachte zachtjes. Nou ja, hij nam aan dat hij er al van genoten had. Als hij iets knapper was geweest, was hij wellicht in aanmerking gekomen, maar daarna zou hij natuurlijk nergens meer bruikbaar voor zijn geweest. Hij zou zijn paarden doodrijden om Ituralde het nieuws te bezorgen. Nu dat bericht werd afgeleverd door een volle neef van Alsalam, een bericht dat zogenaamd van de koning zelf afkomstig was en dat grijzels probeerden tegen te houden, zou de chaos nog groter worden. Afgezien van lotsvuur viel er geen betere manier te bedenken om aan de opdracht van de Grote Heer te voldoen. Bovendien hielp het om haar eigen doelen te verwezenlijken. Haar eigen doelen.

Graendals hand ging naar de enige ring op de schrijftafel die geen zegel was, een eenvoudige gouden ring die alleen aan haar pink paste. De vondst van een angreaal voor geleidsters tussen Sammaels bezittingen was een aangename verrassing geweest. Zoals ze ook aangenaam verrast was geweest dat ze de tijd had gekregen om uit te zoeken of er iets nuttigs te vinden was, terwijl Altor en die welpjes die zich asha’man noemden, voortdurend in en uit Sammaels vertrekken bij de Grote Zaal van de Raad liepen. Ze hadden alles meegenomen wat zij had achtergelaten. Het waren wel gevaarlijke welpjes, zeker Altor. Bovendien wilde ze niet riskeren dat iemand anders in staat was enig verband te leggen tussen Sammael en haarzelf. Jazeker, ze diende de snelheid van haar eigen plannen wat op te voeren om afstand te scheppen tussen haar en die ramp met Sammael.

Opeens verscheen er een loodrechte zilveren spleet aan de andere kant van het vertrek, fel afstekend tegen de wandtapijten die tussen de zwaar vergulde spiegels hingen. Een kristallen gong weerklonk. Haar wenkbrauwen rezen verbaasd omhoog. Iemand herinnerde zich blijkbaar de hoffelijkheden van een beschaafder Eeuw. Ze stond op, duwde de eenvoudige gouden ring tegen de robijnring aan haar pink en omhelsde saidar voor ze het web weefde. Een antwoordgong galmde voor de onbekende die een poort wilde openen. De angreaal leverde niet veel op, maar iedereen die meende haar kracht te kennen, zou schrikken.

De poort opende zich en twee vrouwen in bijna hetzelfde roodzwarte zijden gewaad stapten er voorzichtig doorheen. Moghedien bewoog zich in elk geval behoedzaam terwijl haar donkere ogen heen en weer schoten, op zoek naar valstrikken, en haar handen de ruim vallende rok gladstreken. De poort doofde even later uit, maar de Spin bleef saidar omhelzen. Een verstandige voorzorgsmaatregel, hoewel Moghedien op dat gebied altijd geweldig was geweest. Ook Graendal liet haar band met de Ware Bron niet los. De gezellin van Moghedien, een kleine jonge vrouw met lang zilverig haar en fonkelende blauwe ogen, nam haar omgeving kil op en keurde Graendal nauwelijks een blik waardig. Aan haar optreden te zien had ze een Eerste Raadsvrouwe kunnen zijn, die gedwongen was het gezelschap van gewone arbeiders te verduren en stijfjes hun aanwezigheid negeerde. Een dwaas meisje dat ze zo de Spin nadeed. Rood en zwart pasten niet bij haar huid en van zo’n indrukwekkende boezem had ze veel beter gebruik kunnen maken. ‘Dit is Cyndane, Graendal,’ zei Moghedien. ‘Wij... werken samen.’ Ze glimlachte niet toen ze de naam van de hooghartige jonge vrouw noemde, maar Graendal wel. Een mooie naam voor een meer dan mooi meisje, maar welke speling van het lot had een moeder in deze tijd ertoe gebracht haar dochter een naam te geven die ‘laatste kans’ betekende? Cyndanes gezicht bleef koud en nietszeggend, maar haar ogen vlamden. Een prachtige pop, bewerkt ijs rond smeulend vuur. Blijkbaar kende ze de betekenis en hield ze er niet van. ‘Wat brengt jou en je vriendin hier, Moghedien?’ vroeg Graendal. De Spin was wel de laatste die volgens haar uit de schaduwen zou komen. ‘Wees niet bevreesd om in aanwezigheid van mijn bedienden te spreken.’ Ze wenkte en de twee bij de deur zakten op hun knieën en drukten hun gezicht tegen de vloer. Ze zouden niet zomaar dood neervallen als ze een eenvoudig bevel gaf, maar het scheelde niet veel. ‘Wat voor belang hebben die twee nog, wanneer je alles hebt vernietigd wat hen belangwekkend maakt?’ wilde Cyndane weten, hooghartig rondschrijdend. Ze bleef kaarsrecht en probeerde elk haartje aan lengte te winnen. ‘Weet je dat Sammael dood is?’ Graendal hield met enige moeite haar gezicht in bedwang. Ze had aangenomen dat dit meisje een Vriend van het Duister was die Moghedien voor wat boodschapjes had opgepikt, misschien een edelvrouwe die meende dat haar titel van belang was, maar nu ze zo dichtbij stond... Het kind was sterker in de Ene Kracht dan zijzelf! In haar eigen Eeuw was dat bij geleiders ongewoon geweest en bij vrouwen was het uiterst zeldzaam. Ogenblikkelijk veranderde ze instinctief haar besluit elke band met Sammael te ontkennen, ik vermoedde het,’ antwoordde ze, en ze schonk Moghedien over het hoofd van de jonge vrouw een valse glimlach. Hoeveel wist ze? Waar had de Spin een meisje gevonden dat zoveel sterker was dan zij, en waarom trokken ze met elkaar op? Moghedien was altijd jaloers geweest op iedereen die een groter vermogen bezat. Meer van wat dan ook bezat. ‘Hij placht me te bezoeken, viel me lastig om mijn hulp te krijgen voor dwaze plannen. Ik heb hem nooit openlijk afgewezen; je weet hoe gevaarlijk Sammael bij afwijzingen is... was. Hij verscheen onveranderlijk om de paar dagen en toen dat stopte, nam ik aan dat er iets rampzaligs met hem was gebeurd. Wie is dit meisje, Moghedien? Een opmerkelijke vondst.’ De jonge vrouw kwam nog dichterbij en staarde met ogen als blauw vuur naar haar op. ‘Ze heeft je mijn naam gezegd. Dat is het enige dat je hoeft te weten.’ Het meisje wist dat ze met een Uitverkorene sprak, maar haar toon bleef ijzig kil. Met dat vermogen was zij niet zomaar een Vriend van het Duister. Tenzij ze gek was. ‘Heb je op het weer gelet, Graendal?’