‘Nee, alsjeblieft,’ kreunde Moghedien, in haar handen wringend. Ze begon te huilen! ‘Je zult ons hiermee allemaal doden! Alsjeblieft, je moet de Nae’blis dienen! Dat is waarvoor we hier gekomen zijn. Om je in Moridins dienst te nemen!’ Het gezicht van de andere vrouw was in het bleke licht een masker van doodsangst onder zilveren haren. Haar zware borsten bewogen wild, alsof ze naar adem hapte.
Graendal voelde zich opeens niet meer op haar gemak. Dit werd met elke tel onzinniger. Ze wilde wat zeggen en de Ware Bron verdween, de Ene Kracht verdween uit haar en opnieuw was de kamer in het donker gehuld. Plotseling begonnen de vogels in de kooi wild en woest te tjirpen. Hun vleugeltjes fladderden van paniek tegen de bamboespijlen.
Achter haar raspte een stem alsof rots tot stof werd vermalen. ‘De Grote Heer meende al dat je hen niet op hun woord zou geloven, Graendal. De tijd dat je je eigen weg kon gaan, is voorbij.’ Een bol van... iets verscheen in de lucht, een doodzwarte bol, maar een zilveren licht vulde de kamer. De spiegels glansden niet, ze leken dof in dit licht. De vogels vielen stil. Op de een of andere manier wist Graendal dat ze verstijfd waren van doodsangst. Ze keek met open mond naar de Myrddraal die daar stond, bleek en ogenloos, maar groter dan elke andere Myrddraal, en gekleed in een zwart dat nog donkerder was dan de bol. Hij moest de oorzaak zijn dat ze de Bron niet kon voelen, maar dat was onmogelijk! Behalve... Waar was die vreemde bol van zwart licht anders vandaan gekomen? Ze had nooit dezelfde vrees als anderen gekend voor de blik van een Myrddraal, niet in dezelfde mate althans, maar als vanzelf gingen haar handen omhoog. Ze moest ze omlaag dwingen om te voorkomen dat ze die voor haar gezicht sloeg. Ze wierp een blik op Moghedien en Cyndane en kromp ineen. Zij hadden dezelfde houding als de bedienden aangenomen, geknield voor de Myrddraal, ineengedoken met het hoofd op de vloer.
Ze had moeite haar droge mond te bevochtigen. ‘Ben jij een boodschapper van de Grote Heer?’ Haar stem klonk vast maar zwak. Zoiets had ze nog nooit gehoord! Een Myrddraal als boodschapper van de Grote Heer, en toch... Moghedien was door en door laf, maar ook een Uitverkorene, en ze vernederde zich even volledig als dat meisje. En er was dat licht. Graendal merkte dat ze vurig wenste dat haar gewaad niet zo laag was uitgesneden. Belachelijk natuurlijk. De lusten van een Myrddraal waren genoegzaam bekend, maar zij was een van de... Wederom werden haar ogen naar Moghedien getrokken.
De Myrddraal schreed soepel langs haar heen en leek niet eens op haar te letten. Ondanks zijn bewegingen verstoorde geen enkele rimpeling de lange zwarte mantel. Aginor had aangenomen dat deze schepsels niet geheel in de wereld verkeerden, zoals al het andere. ‘Een tikkeltje uit fase met tijd en werkelijkheid,’ had hij het genoemd, wat dat ook mocht betekenen.
‘Ik ben Shaidar Haran.’ De Myrddraal bleef bij haar bedienden staan, bukte zich en greep beiden stevig bij de nek. ‘Wanneer ik spreek, mag je dat opvatten als de stem van de Grote Heer van het Duister.’ Zijn handen knepen harder tot het verrassend luide geluid van brekende botten klonk. De jonge man kreeg een stuiptrekking bij zijn dood en zijn benen schopten wild. De jonge vrouw verslapte slechts. Het waren twee van haar mooisten geweest. De Myrddraal richtte zich van de lijken op. ik ben zijn hand in deze wereld, Graendal. Wanneer je voor mij staat, sta je voor hem.’
Graendal overwoog alles zorgvuldig, maar wel snel. Ze was bang, een gevoel dat ze veeleer gewoon was bij anderen op te roepen, maar ze wist hoe ze haar vrees kon beheersen. Al had ze niet als sommige andere Uitverkorenen een leger geleid, gevaren waren haar niet onbekend en ze was geen lafaard. Maar dit hier was meer dan slechts een eenvoudige dreiging. Moghedien en Cyndane knielden nog steeds met hun hoofden op de marmeren vloer en Moghedien beefde zichtbaar. Graendal geloofde deze Myrddraal. Of wat hij ook was. Zoals ze had gevreesd nam de Grote Heer de zaken veel meer in eigen hand. En als hij hoorde van haar samenzwering met Sammael... Als hij besloot erop te reageren – gokken dat hij van niets wist, was op dit moment een stomme zet.
Ze gleed soepel voor de Myrddraal op haar knieën. ‘Wat wilt u dat ik doe?’ Haar stem had weer aan kracht gewonnen. Een noodzakelijke buiging was geen lafheid. Zij die niet voor de Grote Heer bogen, werden gebogen. Of in tweeën gebroken. ‘Behoor ik u Grote Meester te noemen of verkiest u een andere titel? Het bezwaart mij om de hand van de Grote Heer net als hemzelf aan te spreken.’ Geschokt hoorde ze de Myrddraal lachen. Het klonk als krakend ijs. Een Myrddraal lachte nooit. ‘Je bent moediger dan de meesten. En verstandiger. Je mag de naam Shaidar Haran gebruiken. Zolang je je maar herinnert wie ik ben. Zolang je maar zorgt dat moed je vrees niet te zeer overvleugelt.’
Terwijl hij haar zijn bevelen gaf – een bezoek aan die Moridin stond blijkbaar bovenaan; ze zou op haar hoede moeten zijn voor Moghedien, en evenzeer voor Cyndane, als ze wraak wilden nemen voor haar Wilsdwang; ze betwijfelde of het meisje vergevingsgezinder van aard was dan de Spin – besloot ze haar brief naar Rodel Ituralde te verzwijgen. Niets van wat haar gezegd werd wees erop dat haar daden de Grote Heer zouden mishagen, en ze moest aan haar eigen plaats denken. Die Moridin – wie hij ook was – mocht vandaag nog Nae’blis zijn, maar morgen was er weer een dag.
Cadsuane Melaidhrin zette zich schrap tegen het schokken van Arilyns koets en schoof het leren gordijntje voor een raam zo ver opzij dat ze naar buiten kon kijken. Een lichte motregen viel op Cairhien neer vanuit een grijze hemel vol bollende wolken en woeste wervelwinden. Niet alleen de lucht was in beweging. Gierende windstoten lieten de koets veel meer schokken dan de rit zelf. Kleine druppeltjes , beten ijskoud in haar hand. Als de lucht nog iets kouder werd, zou het gaan sneeuwen. Ze trok haar wollen mantel dichter om zich heen. Gelukkig had ze hem nog kunnen vinden, weggestopt onder in haar zadeltas. De lucht zou kouder worden.
De steile leidaken van de stad en de bestrate wegen glinsterden nat en hoewel het niet zo hard regende, waren slechts weinigen bereid om de rukwinden te trotseren. Een vrouw die een ossenkar voortdreef door met haar lange zweep te klappen, stapte even geduldig als haar os verder, maar de meeste mensen hielden hun mantel dicht, hadden de kap diep omlaag getrokken en liepen even vlug verder als de voorbij snellende dragers van een draagstoel waarop een stijve koin wapperde. Naast de vrouw met de os waren er meer die geen reden zagen om zich te haasten. Midden op straat stond een boomlange Aielman ongelovig naar de hemel te staren, terwijl de motregen hem doornat maakte. Hij ging er zo volledig in op dat een brutale beurzensnijder zijn buidel lossneed en wegschoot zonder dat het slachtoffer het merkte. Een edelvrouwe, aan haar ingewikkeld gekrulde, hoog oprijzende kapsel te zien, wandelde langzaam terwijl haar mantel en de ver naar voren getrokken kap wild fladderden. Dit kon weleens de eerste keer zijn dat ze te voet door deze straten kwam, maar ze lachte terwijl de regen haar wangen natmaakte. In de deuropening van een geurenwinkel staarde de winkelier ontroostbaar naar buiten, want vandaag zouden er weinig klanten komen. Om dezelfde reden waren de meeste venters verdwenen, maar een handjevol riep onder een zelfgemaakt afdakje nog hoopvol dat ze hete thee hadden en vleespasteitjes uit vaten. Hoewel iedereen die dezer dagen op straat een vleespasteitje kocht, de daarop volgende maagpijn verdiende.
Een troep broodmagere honden rende een steeg uit. Met stijve poten en haren als borstels blaften en beten ze naar de koets. Cadsuane liet het gordijn vallen. Honden leken geleidsters even goed te herkennen als katten, maar honden leken te denken dat de vrouwen katten waren, zij het onnatuurlijk groot. De twee vrouwen tegenover haar waren nog steeds in gesprek.