Выбрать главу

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Daigian, ‘maar de logica is onontkoombaar.’ Ze trok verontschuldigend het hoofd tussen haar schouders, waardoor de maansteen aan het fijne zilveren kettinkje door haar lange zwarte haren zwaaide. Haar vingers plukten aan de witte plooien van haar donkere rok en ze sprak snel, alsof ze bang was onderbroken te worden. ‘Als je aanneemt dat die aanhoudende hitte het werk van de Duistere was, moet de weersomslag door iets anders veroorzaakt zijn. Hij zou die hitte nooit verzwakt hebben. Je zou kunnen zeggen dat hij heeft besloten ons te bevriezen of de wereld te verdrinken in plaats van hem te bakken, maar waarom? Als deze hitte tot in het voorjaar had standgehouden, zouden de doden het aantal levenden hebben overtroffen. Datzelfde zou ook gebeuren indien de sneeuw tot in de zomer blijft vallen. Daarom moet logisch gesproken hier een andere hand aan het werk zijn.’ De schroom van de gezette vrouw was vaak tergend, maar zoals altijd vond Cadsuane haar gedachtegang feilloos. Ze had alleen graag willen weten wie het gedaan had en waarom.

‘Vrede!’ mopperde Kumira. ik heb liever een onsje hard bewijs dan één macht aan rechtlijnig denken van een Witte zuster.’ Zelf was ze een Bruine, al toonde ze weinig van hun gebruikelijke tekortkomingen. Ze was een knappe vrouw met kortgeknipt haar, maar koppig en praktisch. Een kille waarneemster die nooit zo diep in gedachten verzonken was dat ze haar zicht op de wereld om haar heen verloor. Kumira was nauwelijks uitgesproken of ze gaf met haar slanke hand een klopje op Daigians knie en schonk haar een glimlach waardoor haar blauwe ogen hun scherpte verloren en warmte uitstraalden. Shienaranen waren over het algemeen een beleefd volk en Kumira waakte er terdege voor om anderen niet te beledigen. Tenminste niet per ongeluk. ‘Richt je gedachten liever op wat we kunnen doen aan de zusters die door de Aiel worden vastgehouden. Ik weet dat jij beter dan ieder ander iets kunt verzinnen.’

Cadsuane snoof. ‘Zij verdienen alles wat er met ze gebeurt.’ Zelf had ze niet in de buurt van de Aieltenten mogen komen, zij noch anderen uit haar gezelschap. Maar een paar van de dwazen die dat Altor-joch trouw hadden gezworen, hadden zich in het uitgestrekte tentenkamp gewaagd en waren met witte gezichten teruggekeerd, verscheurd tussen woede en misselijkheid. Gewoonlijk zou zij ook woedend zijn geweest over een belediging van de Aes Sedai-waardigheid, hoe de omstandigheden ook waren, maar niet nu. Om haar doel te bereiken zou ze de hele Witte Toren naakt door de straten hebben gejaagd. Hoe kon ze zich zorgen maken over het ongemak van vrouwen die alles hadden kunnen bederven? Kumira wilde al wat tegenwerpen, ook al kende ze Cadsuanes gevoelens, maar Cadsuane ging kalm en onverzettelijk verder, ik betwijfel of ze ooit genoeg kunnen janken om de beestenstal die ze veroorzaakt hebben, goed te maken. Zij zijn niet meer in onze handen en als dat wel zo was, had ik ze misschien zélf aan de Aiel gegeven. Vergeet ze, Daigian, en zet dat scherpe verstand van je op het spoor dat ik heb aangeduid.’

De bleke wangen van de Cairhiense bloosden om de loftuiting. Het Licht zij dank was ze alleen maar zo onder zusters. Kumira zat stil, met een effen gezicht en haar handen in de schoot. Wellicht had ze ingebonden, maar er was weinig dat Kumira lang kon beteugelen. Juist dit paar wilde Cadsuane vandaag bij zich hebben. De koets helde naar achteren toen de paarden de lange helling naar het Zonnepaleis opdraafden. ‘Denk aan wat ik jullie gezegd heb,’ zei ze ferm tegen de anderen. ‘En let goed op!’

Ze mompelden dat ze dat zo goed mogelijk zouden doen en Cadsuane knikte. Als het noodzakelijk was zou ze hen beiden als mest gebruiken, en alle anderen ook, maar ze was niet van zins een van hen door zorgeloosheid te verliezen.

Niemand stapte naar voren of hield de koets bij de paleispoorten aan. De schildwachten herkenden het wapen van Arilyn op de portieren en wisten wie erin zat. Deze koets was in de afgelopen week vaak genoeg naar het paleis gekomen. Zodra de paarden bleven staan, deed een bezorgd kijkende knecht in sober zwart het portier open en hield hij een breed plat zonnescherm van donker oliedoek op. Van de rand droop de regen op zijn kale hoofd, maar het scherm was er ook niet om hém tegen de druppels te beschutten. Cadsuane voelde snel aan de sieraden die aan haar knot bungelden om zeker te zijn dat ze die allemaal nog had. Ze verloor er nooit een, maar dat kwam omdat ze er goed op lette. Ze pakte het hengsel van haar brede rieten naaimand onder haar bankje vandaan en stapte op de grond. Een handvol knechten stond achter de eerste te wachten en hield regenschermen gereed. Zoveel inzittenden zouden nauwelijks in de koets hebben gepast, maar de knechten wilden niemand te kort doen en de overbodige mannen haastten zich pas weg toen duidelijk bleek dat er slechts drie zusters waren. Blijkbaar hadden ze de koets zien aankomen. Knechten en dienstboden in donkere kledij stonden netjes naast elkaar op de diepblauwe en gouden tegels van de grote voorhal onder het vierkante, vijf stap hoge gewelf. Ze schoten naar voren, namen mantels over, boden warme linnen doeken aan voor het geval iemand gezicht of handen wilde drogen en presenteerden bekers van Zeevolkporselein met warme wijn die een doordringende kruidengeur verspreidde. Een winterdrankje, maar de plotselinge temperatuurdaling maakte het gepast. En het was per slot van rekening winter. Eindelijk. Drie Aes Sedai stonden aan de kant te wachten tussen enorme vierkante zuilen van donker marmer. Achter hen waren de grote lichte friezen zichtbaar die veldslagen van ongetwijfeld groot belang voor Cairhien uitbeeldden. Voorlopig negeerde Cadsuane de zusters. Een van de jonge bedienden droeg op de linkerborst van zijn jas een klein rood met goud geborduurd figuurtje dat men een draak noemde. Corgaide, de ernstig kijkende, grijze vrouw die aan het hoofd van de paleisbedienden stond, droeg geen enkel sieraad, afgezien van de grote ring met zware sleutels aan haar zij. Niemand anders droeg trouwens enige opsmuk en ondanks de zichtbare geestdrift van de jongeman zette Corgaide, de Hoedster der Sleutels, de toon voor de bedienden. Niettemin had ze deze jonge vent dat borduurseltje toegestaan. Dat diende ze te onthouden. Cadsuane sprak haar kalm aan en vroeg naar een vertrek waar ze zich ongestoord met haar borduurwerk bezig kon houden. De vrouw keek niet op van haar verzoek. Ach, ze had ongetwijfeld wel vreemdere wensen gehoord tijdens haar dienst in dit paleis.

Terwijl de bedienden met de mantels en dienbladen zich met een buiging of een knix terugtrokken, wendde Cadsuane zich eindelijk tot de drie zusters die bij de zuilen stonden. Ze keken haar alle drie aan en negeerden Kumira en Daigian. Corgaide bleef, maar trok zich wat terug zodat de Aes Sedai onder elkaar konden zijn. ik had niet verwacht dat jullie hier ontspannen zouden rondslenteren,’ zei Cadsuane. ik meende dat de Aiel hun leerlingen afbeulden.’ Faeldrin reageerde nauwelijks. Ze hief slechts haar hoofd, waardoor de gekleurde kralen in haar vlechtjes tegen elkaar klikten, maar Merana werd rood van verlegenheid en greep met beide handen haar rok beet. De gebeurtenissen van de laatste tijd hadden Merana zo diep geschokt dat Cadsuane niet zeker wist of ze ooit nog zou herstellen. Bera was natuurlijk vrijwel onverstoorbaar. ‘De meesten van ons kregen vanwege de regen een dag vrijaf,’ antwoordde Bera kalm. Een stevige vrouw in eenvoudige wollen kleren – fijne stof, fraai van snit maar bewust eenvoudig – van wie je zou kunnen denken dat ze eerder op een boerderij thuishoorde dan in een paleis. Als je een dwaas was, dan. Bera had een goed verstand, was wilskrachtig en Cadsuane dacht niet dat ze ooit een fout tweemaal zou maken. Net als de meeste zusters was ze nog steeds niet over haar ontmoeting met Cadsuane heen. Dat die nog in leven was en hier rondliep! Ze liet zich echter niet door haar ontzag beheersen. Na onopvallend diep adem te hebben gehaald, ging ze door: ik begrijp niet waarom je hier telkens terugkomt, Cadsuane. Je wilt blijkbaar iets van ons, maar als je ons niet zegt wat dat is, kunnen we je niet helpen. We weten wat je voor mijn heer Draak hebt gedaan’ – ze haperde even bij de titel, ze wisten nog steeds niet goed hoe ze de jongen moesten noemen – ‘maar je bent overduidelijk vanwege hem naar Cairhien gekomen en tot je ons je redenen en bedoelingen uiteenzet, dien je te begrijpen dat je van ons geen hulp hoeft te verwachten.’ Faeldrin, ook een Groene zuster, schrok van Bera’s vermetelheid, maar knikte instemmend voor Bera was uitgesproken. ‘En dit dien je ook te begrijpen,’ voegde Merana, die haar waardigheid hervonden had, eraan toe. ‘Als wij besluiten dat we ons tegen jou moeten verzetten, zullen we dat doen.’ Bera’s gezicht veranderde niet, maar Faeldrins mond kneep zich kort samen. Misschien was ze het er niet mee eens en misschien wilde ze niet al te veel onthullen.