Выбрать главу

Cadsuane schonk hun een klein glimlachje. Hun het waarom en wat vertellen? Als zij besloten? Tot dusver waren ze erin geslaagd zichzelf aan handen en voeten geboeid in de zadeltas van die jonge Altor te proppen, zelfs Bera. Dat was geen aanbeveling om hen iets te laten besluiten. Niet eens wat ze ’s morgens aan zouden trekken! ‘Ik ben niet hier om jullie te spreken,’ zei ze. ‘Al neem ik aan dat Kumira en Daigian een bezoek op prijs stellen, aangezien jullie een vrije dag hebben. Willen jullie me verontschuldigen?’ Ze gebaarde Corgaide voor te gaan en volgde de vrouw door de voorhal. Ze keek maar eenmaal om. Bera en de anderen hadden Kumira en Daigian onder hun hoede genomen en leidden hen snel weg, maar nauwelijks als welkome gasten. Ze gedroegen zich meer als ganzenhoedsters. Cadsuane glimlachte. De meeste zusters vonden Daigian weinig meer dan een wilder en behandelden haar nauwelijks beter dan een dienares. En Kumira werd niet veel hoger aangeschreven. Zelfs de achterdochtigste zuster zou niet denken dat ze er waren om iemand ergens van te overtuigen. Dus zou Daigian thee inschenken en zich afzijdig houden, behalve wanneer ze werd aangesproken, en ze zou haar voortreffelijke verstand richten op alles wat ze hoorde. Kumira zou iedereen behalve Daigian het woord gunnen en alles ordenen en opslaan. Elk woord, elk gebaar en elke gezichtsuitdrukking. Bera en de anderen zouden ontegenzeggelijk hun eed aan de jongen gestand doen, maar hoe nauwgezet was een andere vraag. Zelfs Merana zou niet verder willen gaan dan pure gehoorzaamheid. Dat was al erg genoeg, maar het bood aardig wat ruimte om het te omzeilen. Of om eromheen gezeild te worden. Bedienden in donker livrei haastten zich voor hun taken door de brede, met wandtapijten behangen gangen en schoten opzij voor Cadsuane en Corgaide. Zij liepen door de gangen temidden van een wirwar van diepe buigingen en knixen van bedienden met manden, dienbladen of armen vol handdoeken. Uit de manier waarop Corgaide werd opgenomen, vermoedde Cadsuane dat de achting zowel de Hoedster der Sleutels als de Aes Sedai gold. Er waren ook wat Aiel in de gangen, grote mannen als leeuwen met kille ogen, en vrouwen als luipaarden die nog killer keken. Sommige ogen volgden haar zo ijzig dat de regen buiten in sneeuw had kunnen overgaan. Andere Aiel knikten ernstig en hier en daar gunde zo’n fel kijkende vrouw haar zelfs een glimlachje. Ze had nooit beweerd dat de redding van hun Car’a’carn aan haar te danken was, maar telkens opnieuw vertelde verhalen werden steeds kleurrijker. Het gerucht bezorgde haar meer aanzien dan de andere zusters en ze kreeg zeker meer bewegingsvrijheid in het paleis. Ze vroeg zich af hoe zij zich zouden voelen als ze wisten dat ze het joch zou villen als hij nu voor haar verscheen! Er was amper een week verstreken sinds hij zich bijna had laten doden! Het was hem gelukt haar volledig te mijden en hij had haar taak nog moeilijker gemaakt, als de helft van de geruchten waar was. Jammer dat hij niet in Far Maddin was opgegroeid. Nou ja, dat had wellicht tot andere rampen geleid.

Het vertrek waar Corgaide haar naartoe bracht, was behaaglijk warm. Vuur vlamde in marmeren haarden aan beide zijden van de kamer. De lampen waren aan en weerspiegelden de vlammetjes in de glazen buizen die de somberheid van de dag verjoegen. Blijkbaar had Corgaide orders gegeven om dit voor te bereiden terwijl ze in de aankomsthal stond te wachten. Bijna meteen verscheen een kamermeisje met zowel hete thee als gekruide wijn en kleine koekjes met honingglazuur op een dienblad.

‘Nog iets anders van uw dienst, Aes Sedai?’ vroeg Corgaide terwijl Cadsuane haar naaimand naast het blad plaatste, op een tafel met een zwaar vergulde rand en poten. Alles was versierd met houtsnijwerk in strakke lijnen, net als de brede kroonlijst die eveneens dik onder het verguldsel zat. Cadsuane had in Cairhien altijd het gevoel of ze zich in een goudvissenkom bevond. Ondanks het licht en de warmte binnen, versterkten de neerdruipende regen op de smalle hoge ramen en de grijze hemel buiten dat gevoel. ‘De thee is meer dan genoeg,’ zei ze. ‘Zou je misschien Alanna Mosvani willen zeggen dat ik haar wil spreken? Zeg dat ze niet moet dralen.’

Corgaides sleutels rammelden bij haar knix, en ze mompelde heel beleefd dat ze Alanna Aes Sedai zelf zou halen. Haar ernstige gezicht vertrok geen spier bij haar vertrek. Heel waarschijnlijk overdacht ze alle kanten van dit verzoek. Cadsuane gaf er indien mogelijk de voorkeur aan recht door zee te zijn. Ze had vele slimme mensen laten struikelen omdat ze niet hadden willen geloven dat ze precies bedoelde wat ze zei.

Ze sloeg het deksel van haar naaimandje open en haalde haar borduurring eruit. Het eromheen gewikkelde werkje was amper half af. Het mandje had zijvakken van stof die voorwerpen bevatten die niets met naaien te maken hadden. Haar ivoren handspiegel en haarborstel en kam. Een pennendoosje en een inktflesje met een stevig aangedrukte stop. Een aantal dingen die in de loop der jaren nuttig waren gebleken om bij de hand te hebben, waaronder enkele zaken die iemand met het lef om haar mandje te doorzoeken, zeer zouden hebben verbaasd. Niet dat ze de mand ooit uit het oog verloor. Ze plaatste een glimmend zilveren garendoosje zorgvuldig op de tafel en koos het garen dat ze nodig had, waarna ze met haar rug naar de deur ging zitten. De belangrijkste afbeelding op haar borduurlap was af. Een mannenhand die het oeroude teken van de Aes Sedai vasthield. Over de zwart-witte schijf liepen barstjes, en het viel niet te zeggen of de hand hem bijeenhield of juist verbrijzelde. Zij wist wat ze ermee voorhad, maar de tijd zou zeggen wat de waarheid was.

Ze reeg een draad door de naald en begon te werken aan een motief ernaast: een felrode roos. Rozen, sterrenpracht en zonnewikke afgewisseld met madeliefjes, blooshartjes en sneeuwkapjes, alle gescheiden door slingers van felgekleurde netels en struikheide met lange doornen. Het zou een verontrustend werkstuk zijn, wanneer het klaar was.

Voor ze een half roosblaadje af had, viel haar een snelle beweging op in de weerkaatsing in het platte deksel van het garendoosje. Het was zo geplaatst dat het de deuropening toonde. Ze keek niet op van haar borduurring. Het was Alanna die boos naar haar rug staarde. Cadsuane bleef langzaam fijne steekjes maken, maar hield vanuit haar ooghoeken het spiegelbeeld in de gaten. Tweemaal draaide Alanna zich half om alsof ze weg wilde gaan, maar ten slotte rechtte ze haar rug en sprak zichzelf duidelijk moed in.

‘Kom binnen, Alanna.’ Cadsuane keek nog steeds niet op, maar knikte naar een plekje vlak voor haar. ‘Ga daar eens staan.’ Ze glimlachte wrang toen Alanna opschrok. Het had voordelen een legende te zijn. Mensen merkten zelden het voor de hand liggende op wanneer ze met een legende te maken hadden.

Alanna beende met veel geritsel van haar zijden rok verder naar binnen en ging op de aangewezen plek staan. Haar mond had een pruilerige trek. ‘Waarom blijf je me lastig vallen?’ wilde ze weten, ik kan je niet meer vertellen dan ik al gedaan heb. En als ik het zou kunnen, weet ik niet of ik het wel zou doen! Hij is van...’ Ze zweeg opeens en beet op haar onderlip, maar had de zin net zo goed kunnen afmaken. Dat Altor-joch was van haar; haar zwaardhand. Ze had de euvele moed dat te denken!

‘Ik heb je misdaad voor me gehouden,’ zei Cadsuane kalm, ‘maar alleen omdat ik geen reden zag om de zaken nog ingewikkelder te maken.’ Ze keek op naar de andere vrouw maar verhief haar stem niet. ‘Als jij meent dat ik je daarom niet als een kool in stukken zal snijden, heb je het goed mis.’