Alanna verstijfde. Opeens glansde het licht van saidar om haar heen. ‘Als je echt zo stom wilt zijn.’ Cadsuane glimlachte kil. Ze maakte geen aanstalten zelf de Ware Bron te omhelzen. Een van haar bungelende haarsieraden, door elkaar geweven gouden sikkels, voelde koel aan tegen haar slaap. ‘Voorlopig blijf je ongedeerd, maar mijn geduld is niet onuitputtelijk. Het hangt eigenlijk aan een dun draadje.’
Alanna had het er zichtbaar moeilijk mee en streek onbewust over haar blauwzijden gewaad. Opeens flitste de gloed van de Ene Kracht weg en wendde ze zo snel haar ogen van Cadsuane af dat haar lange zwarte haren rondzwierden, ik weet niet wat er nog meer te vertellen valt.’ De nukkige woorden ontvielen haar haast ademloos. ‘Hij was gewond en toen weer niet, maar ik denk niet dat hij door een zuster is geheeld. De wonden die niemand kan helen, heeft hij nog. Hij gaat van hot naar her door te Reizen, maar bevindt zich nog in het zuiden. Ergens in Illian denk ik, maar op die afstand kan ik het niet uitmaken, voor hetzelfde geld zit hij in Tyr. Hij is een en al woede, en pijn, en achterdocht. Meer is er niet, Cadsuane, écht niet!’ Cadsuane paste goed op voor de hitte van de zilveren schenkkan en schonk thee in, waarna ze aan het kopje van groen porselein voelde hoe heet het was. Zoals bij zilver verwacht kon worden was de thee snel afgekoeld. Ze geleidde even en maakte hem weer warm. Het donkere vocht smaakte te veel naar munt. Cairhienin waren, naar haar mening, veel te scheutig met munt. Ze bood Alanna geen kopje aan. Reizen! Hoe kón die jongen iets hebben ontdekt wat sinds het Breken voor de Toren verloren was geweest? ‘Maar je blijft me volledig op de hoogte houden, nietwaar, Alanna?’ Het was geen verzoek. ‘Kijk me aan, vrouw! Zelfs als je over hem dróómt, wil ik elke kleinigheid weten.’
In Alanna’s ogen glinsterden tranen. ‘Jij zou in mijn geval hetzelfde hebben gedaan!’
Cadsuane keek haar over het theekopje boos aan. Misschien wel. Er was geen verschil tussen Alanna’s daad en een man die zich aan een vrouw opdrong, maar het Licht mocht haar bijstaan, ze zou het waarschijnlijk gedaan hebben als ze had gemeend dat ze daarmee haar doel beter kon bereiken. Nu overwoog ze niet eens meer om Alanna te bevelen de binding aan haar over te dragen. Alanna had bewezen hoe nutteloos dat was als je hem wilde beheersen. ‘Hou me niet aan het lijntje, Alanna,’ zei ze ijzig. Ze had geen enkel medelijden met de vrouw. Alanna was de zoveelste in een rij zusters, van Moiraine tot Elaida, die het hadden verknoeid en erger gemaakt, terwijl ze eigenlijk dingen hadden moeten herstellen. En al die tijd was zijzelf op jacht geweest, eerst naar Logain Ablar en vervolgens naar Mazrim Taim. Het verbeterde haar stemming niet echt. ‘Ik zal je volledig op de hoogte houden,’ verzuchtte Alanna pruilend als een jong meisje. Cadsuanes handen jeukten om haar een draai om de oren te geven. Alanna droeg de stola al bijna veertig jaar; ze zou nu toch volwassen moeten zijn. Maar ze was natuurlijk wel een Arafellaanse. In Far Maddin pruilden meisjes van amper twintig nog minder dan een Arafellaanse op haar sterfbed. Opeens werden Alanna’s ogen wijd van schrik en zag Cadsuane een ander gezicht in het deksel van haar garendoosje. Terwijl ze het kopje op het blad terugzette en haar borduurring op tafel legde, stond ze op en wendde zich naar de deur. Ze maakte geen haast, maar treuzelde niet zoals bij Alanna. Ze speelde evenmin spelletjes. ‘Bent u klaar met haar, Aes Sedai?’ vroeg Sorilea, de kamer binnen stappend. De tanige Wijze met de witte haren sprak Cadsuane aan, maar haar ogen lieten Alanna niet los. Om haar polsen klikte zacht ivoor tegen goud toen ze haar handen in haar zij zette en haar donkere omslagdoek naar haar ellebogen gleed.
Toen Cadsuane dat beaamde, wenkte Sorilea kort naar Alanna die daarop de kamer uit beende. ‘Uitstormde’ was een betere omschrijving, met haar norse gezicht. Sorilea keek haar fronsend na. Cadsuane had deze vrouw eerder ontmoet en dat waren korte maar zeer belangwekkende ontmoetingen geweest. Ze was niet veel mensen tegengekomen die ze als indrukwekkend beschouwde, maar Sorilea was er een van. In veel opzichten kon ze weleens een gelijkwaardige tegenstander blijken. Ze vermoedde ook dat de vrouw even oud was als zij, wellicht ouder, en ze had niet verwacht dat ze ooit nog zo iemand tegen zou komen.
Nauwelijks was Alanna verdwenen of Kiruna verscheen in de deuropening. In haar haast schopte ze haar grijszijden rok opzij, maar ze keek ook in de richting waar Alanna verdwenen was. Ze droeg een fraai bewerkt, gouden dienblad waarop een nog fraaiere gouden kan stond met een hoge slanke hals en daarnaast twee wit geglazuurde aardewerken kommetjes die er slecht bij pasten. ‘Waarom gaat Alanna ervandoor?’ zei ze. ik had sneller kunnen zijn, Sorilea, maar...’ Op dat ogenblik zag ze Cadsuane en kreeg ze een vuur- en vuurrood gezicht. Verlegenheid paste niet echt bij deze statige vrouw. ‘Zet het blad op tafel, meisje,’ zei Sorilea, ‘en ga naar Chaelin. Ze wacht op je voor je les.’
Stijfjes zette Kiruna haar spullen neer; ze ontweek Cadsuanes blik. Toen ze zich omdraaide, greep Sorilea haar kin met haar broodmagere vingers vast. ‘Je bent eindelijk op weg om iets te bereiken, meisje,’ zei de Wijze haar ferm. ‘Ga zo door en je zult heel goed worden. Heel goed. Ga nu. Chaelin is niet zo geduldig als ik.’ Sorilea wuifde naar de gang, maar Kiruna stond haar nog met een vreemde uitdrukking op haar gezicht aan te staren. Als Cadsuane een gokje had moeten wagen, zou ze hebben gezegd dat Kiruna blij was met die lof en verbaasd over die blijdschap. De vrouw met de witte haren deed haar mond open en Kiruna schoot de kamer uit. Een opmerkelijk schouwspel.
‘Denk je echt dat zij jullie manieren om saidar te weven zal leren?’ vroeg Cadsuane, zonder haar ongeloof te tonen. Kiruna en de anderen hadden haar over die lessen verteld, maar veel wevingen van de Wijzen verschilden sterk van de wevingen die in de Witte Toren geleerd werden. De eerste manier waarop je een weving met een bepaald doel leerde, bleef je bij. Een tweede manier leren was zowat onmogelijk, en zelfs wanneer je je die eigen kon maken, werkte een andere manier bijna nooit zo goed. Dat was een reden waarom sommige zusters wilders buiten de Toren wilden houden. Er was mogelijk al te veel aangeleerd dat niet afgeleerd kon worden. Sorilea haalde haar schouders op. ‘Misschien. Een tweede manier leren is al moeilijk genoeg zonder alle handgebaren die jullie Aes Sedai gebruiken. De voornaamste les die Kiruna Nachiman moet leren, is dat zij trots bezit maar niet door trots bezeten mag worden. Ze zal een zeer sterke vrouw zijn als ze dat eenmaal onder de knie heeft.’ Ze trok een stoel bij, bekeek hem vol twijfel maar ging toen tegenover Cadsuanes stoel zitten. Ze leek bijna even stijf en ongemakkelijk als Kiruna, maar ze gebaarde Cadsuane gebiedend te gaan zitten. Een vrouw met een sterke wil die gewend was te bevelen. Cadsuane moest bijna grinniken terwijl ze weer plaatsnam op haar stoel. Ze kon maar beter voor ogen houden dat de Wijzen, wilders of niet, beslist geen onwetende wilden waren. Natuurlijk zouden zij de problemen kennen. Wat de handgebaren betrof... Er hadden slechts weinig Wijzen in haar buurt geleid, maar ze had gezien dat ze enkele wevingen vormden zonder de gebaren van de zusters. De handbewegingen maakten niet echt deel uit van het geleiden, maar in zekere zin ook weer wel, omdat ze deel hadden uitgemaakt van de lessen om de weving aan te leren. Misschien waren er ooit Aes Sedai geweest die een vuurbol zonder een werpgebaar konden wegslingeren, maar zij en hun kennis waren lang uitgestorven. Tegenwoordig konden sommige dingen gewoon niet gedaan worden zonder de gepaste gebaren. Er waren zusters die beweerden dat ze uit de gebaren die de zusters bij hun wevingen maakten, konden opmaken wie hun les had gegeven.
‘Het onderwijzen van onze nieuwe leerlingen is in alles op z’n minst moeizaam geweest,’ vervolgde Sorilea. ik zeg het niet om te beledigen, maar het lijkt wel of jullie Aes Sedai een eed afleggen en daarna meteen proberen eromheen te werken. Vooral Alanna Mosvani is moeilijk.’ Opeens richtte ze haar heldere groene ogen strak op Cadsuane. ‘Hoe kunnen we haar opzettelijke misstappen bestraffen als we daarmee de Car’a’carn kwaad doen?’