Выбрать главу

Cadsuane vouwde haar handen in haar schoot. Haar verrassing verbergen was niet gemakkelijk. De misdaad van Alanna was dus niet zo’n groot geheim. Maar waarom had die vrouw haar laten merken dat ze het wist? Misschien vroeg de ene onthulling om de andere. ‘De binding werkt niet op die manier/ zei ze. ‘Als jullie haar doden, zal hij sterven. Dan, of spoedig erna. Van alles wat minder erg is zal hij beseffen wat er met haar gebeurt, maar hij zal het niet echt voelen. Nu hij zo ver weg is, zal hij er enkel een vaag besef van hebben.’ Sorilea knikte langzaam. Haar vingers raakten het gouden dienblad op de tafel en trokken zich weer terug. Haar gezicht toonde evenveel als het gezicht van een beeldhouwwerk, maar Cadsuane vermoedde dat Alanna een onplezierige verrassing te wachten stond als ze binnenkort haar luimen botvierde of weer een van haar Arafellaanse pruilbuien had. Maar dat was onbelangrijk. Alleen de jongen was belangrijk.

‘De meeste mannen zullen alles aannemen als het aantrekkelijk en plezierig lijkt,’ merkte Sorilea op. ‘Ooit namen we aan dat Rhand Altor zo was. Jammer genoeg is het te laat om het pad dat wij bewandelen te verlaten. Nu koestert hij achterdocht bij alles wat vrijelijk wordt geboden. Als ik nu wil dat hij iets aanneemt, zal ik net doen of ik niet wil dat hij het krijgt. Als ik vlak bij hem zou willen blijven, zou ik onverschilligheid veinzen of ik hem ooit nog zie.’ Wederom richtten haar ogen zich op Cadsuane, scherp als groene boren. Niet om te ontdekken welke gedachten ze verborg. De vrouw wist het. Iets ervan tenminste. Genoeg, of te veel. Toch voelde Cadsuane een groeiende opwinding om de vele mogelijkheden. Als ze enige twijfel had gekoesterd of Sorilea haar aan het aftasten was, dan was die nu weg. En je tastte iemand alleen zo af wanneer je op een overeenkomst hoopte. ‘Geloof jij dat een man hard moet zijn?’ vroeg ze. Ze waagde het erop. ‘Of sterk?’ Aan haar stem te horen bestond er geen twijfel dat ze verschil zag tussen die twee zaken.

Opnieuw raakte Sorilea het dienblad aan. Het allerkleinste glimlachje trok heel kort aan haar mondhoeken. Of misschien ook niet. ‘De meeste mannen zien die twee als een en hetzelfde, Cadsuane Melaidhrin. Sterkte houdt vol, hardheid verbrijzelt.’ Cadsuane haalde diep adem. Ze zou ieder ander die dit durfde riskeren, langzaam villen. Maar zij was niet ieder ander, en soms moest je iets durven. ‘De jongen maakt hen in de war,’ zei ze. ‘Hij moet sterk zijn en maakt zich steeds harder. Te hard reeds en hij zal niet stoppen, tenzij hij wordt afgestopt. Hij is vergeten hoe je blij kunt zijn en kan slechts verbitterd lachen. Er resten hem geen tranen meer. Tenzij hij lach en tranen terugvindt, gaat de wereld een ramp tegemoet. Hij moet leren dat zelfs de Herrezen Draak van vlees en bloed is. Als hij Tarmon Gai’don ingaat zoals hij nu is, zal zijn overwinning even zwart zijn als zijn nederlaag.’

Sorilea luisterde gespannen en bleef zwijgen, zelfs na Cadsuanes laatste woorden. Haar groene ogen namen de zuster op. ‘Jullie Herrezen Draak en jullie Laatste Slag maken geen deel uit van onze Voorspellingen,’ zei ze ten slotte. ‘We hebben getracht Rhand Altor zijn bloed te laten kennen, maar ik vrees dat hij ons slechts ziet als een van zijn speren. Als een speer in je hand breekt, sta je niet stil om te treuren voor je de volgende oppakt. Misschien mikken jij en ik op doelen die niet zo ver van elkaar af liggen.’

‘Dat is misschien wel zo,’ zei Cadsuane behoedzaam. Doeleinden die maar een hand uiteen lagen, konden toch volkomen verschillend zijn. Opeens omringde de gloed van saidar de vrouw met het getaande gezicht. Ze was zo zwak dat bij haar zelfs Daigian redelijk sterk leek. Maar Sorilea’s kracht lag ook niet in de Ene Kracht. ‘Er is iets wat je wellicht nuttig zult vinden,’ zei ze. ik kan het niet toepassen maar ik kan wel de stromen weven om het je te tonen.’ Wat ze ter plekke deed door ijle draden aaneen te rijgen die pasten en vervaagden. Te zwak om te doen waarvoor ze bedoeld waren. ‘Het wordt Reizen genoemd,’ zei Sorilea.

Ditmaal viel Cadsuanes mond daadwerkelijk open. Alanna, Kiruna en de anderen ontkenden dat ze de Wijzen leerden koppelen, of een aantal andere vaardigheden die ze opeens leken te bezitten. Cadsuane had aangenomen dat de Aiel het aan de gevangen zusters in de tenten ontfutseld hadden. Maar dit was...

Ze zou ‘onmogelijk’ hebben gezegd, maar nam niet aan dat Sorilea loog. Ze kon nauwelijks wachten om deze weving zelf te proberen. Niet dat die meteen veel nut zou hebben. Zelfs als ze precies had geweten waar dat ellendige joch zich bevond, moest ze zorgen dat hij naar haar toe kwam, daar had Sorilea gelijk in. ‘Een zeer groot geschenk,’ zei ze langzaam, ik kan je niets bieden dat zo goed is.’ Ditmaal was er geen enkele twijfel aan dat er een glimlachje over Sorilea’s gezicht flitste. Ze wist heel goed dat Cadsuane nu bij haar in het krijt stond. Ze pakte met beide handen de zware gouden kan op en vulde zorgvuldig de witte kommetjes. Met gewoon water. Er werd geen druppeltje verspild.

‘Ik bied je de watereed aan,’ zei ze plechtig en nam een kom op. ‘Hierdoor zijn we gebonden, als een, om Rhand Altor lachen en tranen bij te brengen.’ Ze nam een teugje en Cadsuane deed hetzelfde. ‘Wij zijn als één gebonden.’ En als hun doelen uiteindelijk niet dezelfde bleken te zijn? Ze onderschatte Sorilea zeker niet, als bondgenote noch als tegenstandster, maar Cadsuane kende haar doel en wist tot welke prijs dat bereikt moest worden.

13

Dwarrelen als sneeuw

De noordelijke kim zag lichtpaars door de hevige slagregens die de hele nacht op Oost-Illian hadden neergebeukt. Boven hen stonden donker rollende wolken aan een dreigende ochtendhemel. Sterke rukwinden deden mantels opwapperen, en vlaggen klapten en fladderden als zwepen op de rotshoogte; de witte Drakenbanier en de scharlaken Banier van het Licht en de felgekleurde standaards van de edelen uit Illian, Cairhien en Tyr. De heren bleven onder elkaar – drie groepjes behangen met verguldsel, zilverbeslag, zijde, fluweel en kant – maar de meesten van hen keken verontrust rond. Zelfs de best geoefende paarden wierpen het hoofd omhoog en stampten met hun hoeven op de modderige grond. De wind was koud. Des te kouder na de plotseling verdwenen hitte, zoals ook de regen na zo’n lange droogte een grote schok was geweest. Uit welk land ze ook stamden, ze hadden het Licht gesmeekt om een einde aan die zinderende hitte, maar niemand wist wat ze moesten vinden van onophoudelijke stormen als antwoord op hun smeekbeden. Sommigen wierpen een blik op Rhand wanneer ze meenden dat hij het niet zou merken. Ze vroegen zich misschien af of hij dit antwoord had gegeven. De gedachte liet hem zacht en bitter lachen.

Hij beklopte de nek van zijn zwarte ruin met een in leer gevatte hand, blij dat Tai’daishar geen zenuwen toonde. Het indrukwekkend grote dier had een standbeeld kunnen zijn en wachtte op een rukje aan de teugels of een kniebeweging om verder te gaan. Het was maar goed dat het paard van de Herrezen Draak even koel leek als hijzelf, alsof ze samen in de Leegte zweefden. Zelfs met de Ene Kracht die als vuur, ijs en dood door hem heen raasde voelde hij de wind amper, hoewel die aan zijn met goudborduursel afgezette mantel trok en door zijn met veel goud afgezette, groenzijden jas sneed die niet bedoeld was voor dit soort weer. De wonden in zijn zij klopten en deden pijn. De oude wond en de nieuwe snee er dwars overheen, de wonden die nooit zouden helen, maar ook die pijn was veraf, een dolksteek in andermans vlees. De Kroon der Zwaarden leek de slapen van een ander te prikken met de scherpe punten van de kleine klingen tussen zijn gouden lauwerbladen. Zelfs de smerigheid die met saidin was verweven, leek wat minder opdringerig dan vroeger. Nog steeds smerig, nog steeds afschuwelijk, maar niet meer de moeite van zijn aandacht waard. De op zijn rug gevestigde ogen van de edelen waren echter voelbaar.

Hij verschoof zijn gevest en boog naar voren. Hij zag de lage beboste heuvelgroep een halve span verder naar het oosten even goed als wanneer hij een kijkglas zou gebruiken. Op deze heidevlakte waren de heuvels met bossen en deze langgerekte rotshoogte de enige uitsteeksels. Het volgende bosje dat dicht genoeg was om die naam te verdienen, lag een krappe tien span verder. Op de heuvels waren slechts door de storm geteisterde half bladerloze bomen en warrige struiken zichtbaar, maar hij wist wat ze verborgen. Twee-, misschien drieduizend van de mannen die Sammael had verzameld om te voorkomen dat hij Illian veroverde.