Dat leger was uiteengevallen nadat ze hadden vernomen dat de man die hen had opgeroepen dood was en dat Mattin Stepaneos was verdwenen, wellicht in een grafkuil, en dat er een nieuwe koning in Illian was. Velen waren teruggekeerd naar huis en haard maar even zovelen waren in groepen bijeengebleven. Gewoonlijk niet meer dan twintig man hier en een dertigtal daar, maar als die zich weer aaneensloten, was dat een groot leger en anders waren het ontelbare gewapende benden. Hoe dan ook, hen kon niet worden toegestaan dat ze het platteland afschuimden. De tijd drukte zo zwaar als lood op zijn schouders. Er was nooit voldoende tijd, maar misschien zou deze ene keer... Vuur en ijs, en dood.
Wat zou jij doen? dacht hij. Ben je er? En vervolgens vol twijfel en met afkeer voor die twijfeclass="underline" Ben je er ooit wel geweest? De stilte gaf antwoord, diep en doods in de Leegte die hem omhulde. Of klonk er ergens in de donkerste diepten van zijn geest waanzinnig gelach? Was het verbeelding, zoals het gevoel dat iemand over zijn schouder meekeek of dat hij bijna op zijn rug getikt werd? Of de kleuren die net buiten het zicht rondzwermden, meer dan kleuren, die dan opeens verdwenen? Iets van waanzinnigen. Zijn duim gleed langs de drakenstaf, en ondanks de handschoen voelde hij het kronkelende snijwerk. De lange groen-witte kwasten onder de blinkende speerpunt wapperden in de wind. Vuur en ijs en dood zouden komen, ik ga zelf met ze praten,’ kondigde hij aan. Het bracht enorme opwinding teweeg.
Heer Gregorin, de groene buikband van de Raad van Negen schuin over zijn fraai vergulde kuras, spoorde haastig zijn witte ruin aan om uit de groep Illianers naar voren te komen. Hij werd op de voet gevolgd door Demetre Marcolin, de eerstekapitein van de Gezellen, op zijn sterke vos. Marcolin was de enige in de groep die geen zijde of kant droeg, de enige in een eenvoudige maar glanzende wapenrusting. De kegelvormige helm op de hoge zadelknop vertoonde drie smalle gouden pluimen. Heer Marac pakte zijn teugels op, maar liet ze onzeker zakken toen geen van de andere leden van de Negen zich verroerde. Hij was een stevige man met een vastberaden uiterlijk en een nieuw lid van de Raad. Vaak leek hij meer een ambachtsman dan een heer, ondanks zijn rijke zijden kleding onder een weelderige wapenrusting en vele lagen kant. De Hoogheren Weiramon en Tolmeran reden uit de groep Tyreners naderbij, evenzeer met goud en zilver behangen als elk Illiaans Raadslid. Rosana sloot zich bij hen aan; ze was kortgeleden tot Hoogvrouwe verheven en droeg een borstkuras waarop het wapen van haar Huis stond, een havik met sterren. Ook daar maakten anderen aanstalten erbij te komen, voor ze zich bezorgd kijkend inhielden. De zwaardslanke Aracome, de blauwogige Maracon en de kale Gueyam waren levende doden. Ze beseften dat niet en ze wilden in het middelpunt van de macht verkeren, ondanks hun vrees dat Rhand hen zou doden. Van de Cairhienin kwam alleen heer Semaradrid, op een grijs paard dat betere dagen had gekend. Zijn wapenrusting was gedeukt, het verguldsel beschadigd. Zijn gezicht stond hard en somber. Hij had de voorkant van zijn hoofd als een gewone soldaat kaalgeschoren en gepoederd, en zijn donkere ogen glansden van minachting voor de langere Tyreners.
De lucht hing vol minachting. Tyreners en Cairhienin haatten elkaar. Illianers en Tyreners minachtten elkaar wederzijds. Alleen Cairhienin en Illianers konden enigszins met elkaar opschieten en zelfs tussen hen was er een zekere geprikkeldheid. Hun naties hadden wel geen geschiedenis van vijandschap, zoals Tyr en Illian, maar de Cairhienin waren vreemdelingen die zich geharnast en gewapend op Illiaanse bodem bevonden. Op z’n best waren ze halfhartig verwelkomd en dat alleen doordat ze Rhand hadden gevolgd. Maar ondanks alle gefrons en gebries en de pogingen om gelijktijdig het woord te nemen terwijl ze rond Rhand draaiden in een gewapper van opgeblazen mantels, hadden ze nu een gemeenschappelijk doel. Min of meer. ‘Majesteit,’ zei Gregorin haastig, met een buiging vanuit zijn met goud afgezette zadel, ik smeek u mij in uw plaats te laten gaan, of anders eerstekapitein Marcolin.’ De vierkant geknipte baard onder zijn blote bovenlip omringde een rond gezicht waarop zorgen stonden afgetekend. ‘Deze mannen moeten weten dat u de koning bent – de nieuwsboden en omroepers hebben het tot op de dag van vandaag in elk dorp en op elk kruispunt verkondigd – maar ze zullen misschien niet het juiste ontzag voor uw kroon tonen.’ Marcolin met zijn vierkante gladgeschoren kaak nam Rhand op met donkere, diepliggende ogen, zonder te laten merken wat er omging achter zijn onbewogen gezicht. De Gezellen waren trouw aan de kroon van Illian en Marcolin was oud genoeg om zich nog te herinneren dat ene Tham Altor als tweedekapitein boven hem had gestaan, maar alleen hijzelf wist wat hij van Rhand Altor als koning van Illian vond. ‘Mijn heer Draak,’ galmde Weiramon al buigend, amper wachtend tot Gregorin was uitgesproken. De man scheen altijd te moeten galmen en zelfs te paard leek hij net een opgedofte haan. Fijn bewerkt fluweel, gestreepte zijde en vele lagen kant verborgen zijn wapenrusting bijna geheel en zijn grijze spitsbaardje verspreidde de bloemige geur van reukolie. ‘Dit gepeupel is te onbenullig om mijn heer Draak persoonlijk aan te gaan. Ik zeg altijd dat je honden met honden moet opjagen. Laat de Illianers ze zelf uitroeien. Mijn ziel mag branden maar tot dusverre hebben ze u louter en alleen met woorden gediend.’ Het was hem wel toevertrouwd van instemming met Gregorin iets beledigends te maken. Tolmeran was zo mager dat Weiramon er vadsig naast leek en somber genoeg om de luister van zijn uitdossing te versoberen. Hij was geen dwaas en bovendien een rivaal van Weiramon maar hij beaamde de woorden met een traag knikje. Ook hij moest niets hebben van Illianers. Semaradrids gezicht vertrok van minachting voor de Tyreners, maar hij richtte zich tot Rhand, waarbij hij Weiramon zowat onderbrak. ‘Deze groep is tienmaal zo groot als de andere die we tot nog toe zijn tegengekomen, mijn heer Draak.’ De koning van Illian kon Semaradrid niets schelen en hij gaf weinig meer om de Herrezen Draak. Maar Rhand had wel de troon van Cairhien te vergeven en hij hoopte dat die geschonken zou worden aan iemand die hij zou kunnen volgen in plaats van iemand die hij zou moeten bevechten. ‘Ze moeten Brend wel trouw zijn geweest, anders zouden ze nooit met zovelen bij elkaar zijn gebleven. Ik vrees dat elk gesprek tijdverspilling is, maar als u wilt praten, laat mij ze dan openlijk met staal omsingelen zodat ze weten dat dwarsheid of ongehoorzaamheid hun duur te staan zal komen.’
Rosana wierp een woeste blik op Semaradrid. Ze was een magere vrouw, niet zo groot maar wel bijna even lang als hij, met ogen van blauw ijs. Ook zij wachtte amper tot hij was uitgesproken en ook zij sprak Rhand rechtstreeks aan. ik ben te ver gekomen en heb te veel op u gebouwd om u voor niets te zien sterven,’ zei ze ronduit. Rosana was evenmin een dwaas als Tolmeran en ze had een plek in de Raad van Hoogheren bemachtigd, iets wat Hoogvrouwen in Tyr zelden lukte. Botheid kenmerkte haar. Hoewel vele edelvrouwes een wapenrusting droegen, ging geen van hen haar wapenknechten voor in de strijd, maar Rosana droeg een geflenste goedendag aan haar zadel en soms meende Rhand dat ze een kans om die te gebruiken prachtig zou vinden, ik neem aan dat die Illianers over voldoende bogen beschikken, en zelfs de Herrezen Draak kan door één pijl gedood worden.’ Marcolin perste zijn lippen nadenkend op elkaar en knikte, voor hij zich herstelde, waarna hij geschrokken blikken met Rosana wisselde. De eensgezindheid van oeroude vijanden verbaasde de een nog meer dan de ander.