‘Die boeren kunnen nooit zo vermetel zijn om onaangemoedigd onder de wapenen te blijven,’ vervolgde Weiramon gladjes, Rosana negerend. Hij was heel handig in het negeren van alles en iedereen waarvoor hij zich blind en doof wilde houden. Een échte dwaas. ‘Mag ik mijn heer Draak voorstellen dat hij voor die aanmoediging eens bij die zogenaamde Negen rondkijkt?’
‘Ik protesteer fel tegen de beledigingen van dit Tyreense zwijn, majesteit!’ snauwde Gregorin meteen, terwijl een hand naar zijn zwaard schoot, ik protesteer ten zeerste en uit de grond van mijn hart.’
‘Ditmaal zijn het er te veel,’ zei Semaradrid op hetzelfde moment. ‘De meesten zullen zich toch tegen u keren, zodra u ze de rug hebt toegekeerd.’ Aan zijn diepe frons te zien had hij het net zo goed over de Tyreners kunnen hebben als over de mannen in het bos op de heuvels. ‘We kunnen ze beter doden, dan is dat achter de rug.’
‘Heb ik om iemands mening gevraagd?’ snauwde Rhand grof. Een diepe stilte volgde op het geruzie, afgezien van het geklapper van mantels en banieren in de wind. Alle ogen richtten zich plotseling op hem, vanuit nietszeggende of grauw geworden gezichten. Ze wisten niet dat hij de Ene Kracht vasthield, maar ze kenden hem. Niet alles wat ze dachten was waar, maar het was goed dat ze het geloofden. ‘Jij komt met me mee, Gregorin,’ zei hij op gewonere toon. Niettemin nog hard. Zij begrepen alleen de taal van staal. Als hij verzwakte, zouden ze hem zeker verraden. ‘En jij, Marcolin. De rest blijft hier. Dashiva! Hopwil!’
Wie niet genoemd was, trok de teugels aan om snel het paard te wenden, terwijl de twee Asha’man zich bij Rhand voegden. De Illianers keken naar de mannen in het zwart alsof zij ook liever achter zouden blijven. Afgezien van zijn andere eigenaardigheden keek Corlan Dashiva nu, zoals hij zo vaak deed, woest en binnensmonds mompelend rond. Iedereen wist dat saidin een geleider vroeg of laat krankzinnig maakte en Dashiva leek dit te bevestigen. Zijn sluike, ongeknipte haren wapperden in de wind, hij likte zijn lippen af en schudde het hoofd. Overigens, ook Eben Hopwil, net zestien en met hier en daar puistjes op zijn wangen, had een starre frons die verder leek te kijken dan alles in de omgeving. Maar Rhand wist waarom dat zo was.
Terwijl de Asha’man naderden, hield Rhand onwillekeurig zijn hoofd wat schuin om te luisteren, hoewel hij iets in zijn hoofd probeerde op te vangen. Natuurlijk zat Alanna er. Noch de Leegte noch de Ene Kracht kon daar een sikkepit aan veranderen. De grote afstand onderdrukte Rhands besef van Alanna’s aanwezigheid. Het was nu slechts een besef dat ze bestond – ergens ver in het noorden – maar vandaag was het iets meer, iets wat hij de laatste dagen een paar keer had gevoeld, vaag en amper op het randje van herkenning. Een fluistering van geschoktheid wellicht, of verontwaardiging, een ademtocht van iets scherps wat hij niet helemaal kon vatten. Wat het ook maar was, het moest wel heel diep gevoeld worden dat hij zich er op deze grote afstand van bewust was. Misschien miste ze hem. Een wrange gedachte. Hij miste haar niet. Het negeren van Alanna was gemakkelijker dan vroeger. Zij was er, maar niet de stem die ooit moord en brand riep zodra er een Asha’man in zicht kwam. Lews Therin was verdwenen. Tenzij dat gevoel dat iemand naar zijn achterhoofd staarde en met een vinger over zijn schouderbladen streek, Lews Therin was. Klonk er echt schor gelach van een krankzinnige diep in zijn gedachten? Was hij het zelf? De man was er geweest! Echt!
Hij werd zich ervan bewust dat Marcolin hem zat aan te staren en dat Gregorin dat heel hard probeerde te vermijden. ‘Nog niet,’ gaf hij bitter te kennen, en hij moest bijna lachen toen ze hem meteen begrepen. De opluchting op hun gezichten was te groot om wat anders te kunnen betekenen. Hij was niet gek. Nog niet. ‘Kom mee,’ beval hij en zette Tai’daishar aan tot een draf, de helling af. Ondanks zijn gevolg voelde hij zich alleen. Ondanks de Ene Kracht voelde hij zich leeg.
Tussen de rotshoogte en de heuvels lagen stukken dicht struikgewas, afgewisseld met lange stroken dood gras. Een glinsterende bruingele vloer, platgeslagen door de regen. Slechts enkele dagen geleden was de grond zo dor en droog geweest dat er volgens hem minstens een rivier nodig was om wat te veranderen. Toen waren de stortbuien gekomen, gestuurd door de Schepper die eindelijk genade toonde of misschien door de Duistere, als een smakeloze gril. Hij wist niet wie van de twee. Nu spatten de hoeven van de paarden bij iedere stap modder op. Hij hoopte dat dit niet lang zou duren. Hij had wel wat tijd, volgens Hopwils verslagen, maar geen eeuwigheid. Misschien enkele weken, met wat geluk. Hij had maanden nodig. Licht, hij zou jaren nodig hebben die hij nooit zou krijgen!
Zijn door de Ene Kracht versterkte gehoor kon iets opvangen van wat de mannen achter hem zeiden. Gregorin en Marcolin reden knie aan knie en probeerden hun mantels dicht te houden tegen de wind. Ze spraken zachtjes over de mannen voor hen, over hun angst dat die het gevecht aan wilden gaan. Beiden betwijfelden niet dat de opstandelingen onder de voet zouden worden gelopen als ze verzet boden, maar ze waren bang voor de gevolgen voor Rhand en voor wat hij Illian zou aandoen als Illianers hem na Brends dood bestreden. Ze konden het nog steeds niet opbrengen om Brend bij zijn ware naam te noemen: Sammael. De gedachte dat een Verzaker over Illian had geheerst, joeg hun meer angst aan dan het naakte feit dat de Herrezen Draak er nu heerste.
Dashiva zat ineengezakt in zijn zadel, als een man die nog nooit een paard had gezien. Hij mompelde kwaad en binnensmonds. In de Oude Spraak, die hij even vloeiend sprak en las als een geleerde. Rhand wist er wat van, maar niet voldoende om te begrijpen wat de man zei. Waarschijnlijk zat hij te schelden op het weer, al was hij van oorsprong een boer. Dashiva had een hekel aan de buitenlucht, tenzij er een strakblauwe hemel was.
Alleen Hopwil reed zwijgend door, fronsend naar iets ver achter de kim; zijn haren en mantel wapperden net als die van Dashiva wild rond. Nu en dan greep hij onbewust naar het gevest van zijn zwaard. Rhand moest hem wel driemaal aanspreken, de laatste keer scherp, voor Hopwil verrast opveerde en zijn magere grijsbruine paard aanzette om naast Tai’daishar te komen.
Aanvankelijk bekeek Rhand hem. De jonge man – geen jongen meer, hoe oud hij ook mocht zijn – was steviger geworden sinds hun eerste ontmoeting, hoewel zijn neus en oren nog steeds bij een grotere man leken te horen. Een draak van rood email en goud vormde nu een tegenwicht voor het zilveren zwaard op zijn hoge kraag, net als bij Dashiva. Hij had ooit gezegd dat hij een jaar lang van vreugde zou lachen als hij de draak opgespeld zou krijgen, maar nu staarde hij strak naar Rhand, alsof hij dwars door hem heen keek. ‘Wat je ons verteld hebt, was goed nieuws,’ zei Rhand hem. Alleen met de grootste inspanning wist hij zich te bedwingen om de drakenstaf niet fijn te knijpen. ‘Dat heb je goed gedaan.’ Hij had gerekend op de terugkeer van de Seanchanen, maar niet zo gauw. Hij had gehóópt dat het niet zo gauw zou zijn. En dat ze niet vanuit het niets zouden opduiken en als een vloedgolf steden zouden opslokken. Toen hij had vernomen dat de kooplui in Illian dit al enkele dagen wisten, voor een van hen eraan dacht de Negen op de hoogte te brengen – het Licht verhoede dat ze een kansje op winst zouden missen doordat te veel mensen te veel wisten! – had het geen haartje gescheeld of hij had de hele stad met de grond gelijk gemaakt. Maar het nieuws was goed, de omstandigheden in aanmerking genomen. Hopwil was door te Reizen naar de omgeving van Amador getrokken en de Seanchanen leken daar af te wachten. Misschien herkauwden ze wat ze hadden opgeslokt. Het Licht geve dat ze erin zouden stikken! Hij dwong zich de staf die onder de speerkop met draken besneden was, te laten zakken. ‘Als het nieuws van Mor maar half zo goed is, heb ik tijd om Illian tot rust te brengen voor ik hen aanpak.’ En ze hadden ook Ebo Dar ingenomen! Het Licht brande die Seanchanen! Ze leidden hem af en dat kon hij niet gebruiken, maar hij kon zich niet veroorloven hen te negeren. Hopwil zei niets maar keek slechts.