Выбрать главу

‘Ben je van streek, omdat je vrouwen moest doden?’ Desora van de Musara Reyn... Lamelle van de Rookwater Miagoma, en... Rhand onderdrukte de rij namen die als vanzelf in hem opkwam en door de Leegte begon te zweven. Er waren nieuwe namen aan de lijst toegevoegd, namen die hij er niet bij had gezet. Laigin Arnault, een Rode zuster die haar poging om hem als gevangene naar Tar Valon te brengen met de dood bekocht had. Ze had zeer zeker geen recht op een plek, maar ze had er een opgeëist. Colavaere Saighan, die zichzelf liever had opgehangen dan het recht zijn loop te laten. Anderen. Mannen waren bij duizenden gevallen, in zijn opdracht of door zijn eigen hand, maar de gezichten van de vrouwen spookten door zijn dromen. Elke nacht dwong hij zich hun zwijgende beschuldigingen onder ogen te zien. Misschien had hij de laatste tijd hun ogen gevoeld.

‘Ik had je al gewaarschuwd voor damane en sul’dam,’ zei hij kalm, maar in hem vlamde de razernij op als vurige spinnenwebben rond de Leegte. Het Licht vertere me. Ik heb meer vrouwen gedood dan jouw nachtmerries kunnen bevatten! Mijn handen zijn zwart van het bloed van vrouwen! ‘Als je die Seanchaanse eenheid niet had uitgeschakeld, zouden ze je zeker hebben gedood.’ Hij zei er niet bij dat Hopwil hen had moeten ontwijken, had moeten voorkomen dat het nodig was om hen te doden. Daar was het te laat voor. ik betwijfel of die damane wist hoe je een man afschermt. Je had geen keus.’ En het was beter dat ze allemaal dood waren dan dat enkelen ontsnapten met het bericht dat een geJeider als verkenner voor zijn leger optrad.

Afwezig raakte Hopwil zijn linkermouw aan – de zwarte kleur verborg dat de wol geschroeid was. De Seanchanen waren niet gemakkelijk of snel gevallen, ik heb de lijken in een kom gelegd,’ zei hij vlak. ‘Hun paarden, alles. En vervolgens heb ik alles tot as verbrand. Witte as die als sneeuw in de wind warrelde. Ik had er geen enkele moeite mee.’

Rhand hoorde de leugen in de woorden van de man, maar Hopwil moest nog leren. Dat had hij tenslotte ook gedaan. Zij waren wie ze waren en daar was alles mee gezegd. Alles. Liah van de Cosaida Chareen, een naam die in vlammen was geschreven. Moiraine Damodred, een andere naam die hartverscheurend en schroeiend gegrift stond en niet slechts in vurige vlammen. Een naamloze Duistervriend, slechts als gezicht aanwezig, die door zijn zwaard was gestorven in de buurt van...

‘Majesteit,’ zei Gregorin luid en wees vooruit. Tussen de bomen onder aan de volgende heuvel was een man verschenen. Hij stond stil af te wachten, maar zijn roerloosheid maakte een uitdagende indruk. Hij had een boog en droeg een spits stalen hoofddeksel en een lang maliënhemd dat bijna tot op zijn knieën hing. Rhand spoorde Tai’daishar aan, overvloeiend van de Ene Kracht, en hield voor hem stil. Saidin kon hem tegen mannen beschermen. Van nabij was de boogschutter niet zo indrukwekkend. Er zaten roestplekken op zijn helm en in de maliën en hij leek doornat. De modder stond tot op zijn heupen en vochtige lokken hingen langs zijn lange neus. Zijn boogkoord leek echter strak gespannen. Die had hij wel tegen de regen beschermd. En de veren in zijn pijlkoker leken ook droog te zijn. ‘Ben jij de leider hier?’ wilde Rhand weten.

‘Je zou kunnen zeggen dat ik het woord voor hem doe,’ antwoordde de magere man behoedzaam. ‘Waarom?’ Terwijl de anderen achter Rhand tot stilstand kwamen, schuifelde hij wat met z’n voeten. Zijn donkere ogen zagen eruit als die van een in het nauw gedreven das. Maar dassen werden dan heel gevaarlijk. ‘Pas op je woorden, man!’ snauwde Gregorin. ‘Je spreekt wel tegen Rhand Altor, de Herrezen Draak, Heer van de Morgen en Koning van Illian! Kniel neer voor je koning! Wat mag jouw naam wel zijn?’ is hij de Herrezen Draak?’ zei de kerel vol twijfel. Hij nam Rhand op, van de kroon op z’n hoofd tot aan zijn laarzen, terwijl zijn ogen even bleven rusten op de vergulde drakengesp van zijn zwaardgordel. De man schudde zijn hoofd alsof hij een ouder of grootser iemand verwacht had. ‘En Heer van de Morgen, zegt u? Onze koning mat zich nooit zulke titels aan.’ Hij maakte geen aanstalten te knielen of zijn naam te noemen. Gregorins gezicht liep rood aan door de toon van de man en misschien vanwege zijn dubbelzinnige ontkenning dat Rhand koning was. Marcolin knikte lichtjes alsof hij niets meer had verwacht.

Vochtige twijgen bewogen in de struiken tussen de bomen. Rhand ving de geluiden met gemak op en voelde hoe saidin opeens Hopwil vervulde. De man staarde niet langer voor zich uit, maar zocht gespannen de boszoom af, met een wild licht in zijn ogen. Dashiva veegde stil en verveeld zijn donkere haren uit het gezicht. Gregorin boog zich naar voren in zijn zadel en wilde boos wat zeggen. Vuur en ijs, maar de dood was nog niet aan de orde.

‘Vrede, Gregorin.’ Rhand verhief zijn stem niet, maar weefde stromen van Lucht en Vuur die zijn woorden verder droegen. Ze galmden tegen de muur van bomen. ‘Mijn aanbod is edelmoedig.’ De man met de lange neus wankelde even door het geluid en Gregorins paard bokte achteruit. De verborgen mannen zouden het duidelijk horen. ‘Leg je wapens neer en zij die naar huis willen terugkeren, kunnen dat doen. Zij die in plaats daarvan mij willen volgen, kunnen dat doen. Maar niemand verlaat deze plek met wapens, tenzij hij me echt volgt. Ik weet dat de meesten van jullie goede mannen zijn die gevolg hebben gegeven aan de oproep van jullie koning en de Raad van Negen om Illian te verdedigen, maar nu ben ik jullie koning en ik sta niet toe dat iemand in de verleiding komt om struikrover te worden.’ Marcolin knikte grimmig.

‘En hoe zit het met jouw Draakgezworenen die boerderijen platbranden?’ schreeuwde een bange stem tussen de bomen. ‘Bloedvuur, dat zijn de rovers!’

‘En jouw Aiel?’ riep een ander, ik heb gehoord dat ze hele dorpen wegvoeren!’ Nog meer onzichtbare mannen sloten zich schreeuwend bij hen aan. Iedereen riep zowat hetzelfde. Draakgezworenen en Aiel, moordlustige struikrovers en wilden. Rhands tanden knarsten. Toen het geschreeuw verstierf, zei de man voor hem: ‘Je hoort het.’ Hij zweeg even om te hoesten, rochelde en spuwde, misschien vanwege zijn luchtpijp, misschien om het te benadrukken. Hij zag er zielig uit, doornat en roestig, maar zijn rug was even strak als zijn hoogkoord. Hij negeerde de boze blikken van Rhand even gemakkelijk als die van Gregorin. ‘U verzoekt ons ongewapend naar huis te gaan, niet in staat om onszelf of onze gezinnen te verdedigen, terwijl uw mensen brandschatten en stelen en moorden. Men zegt dat de storm komt,’ voegde hij eraan toe. Hij leek verbaasd dat hij dat had gezegd, verbaasd en heel even in de war.

‘De Aiel over wie jullie hebben gehoord, zijn mijn vijanden.’ Ditmaal geen vlammende spinnenwebben maar solide vlakken van woede die zich strak rond de Leegte wikkelden. Niettemin klonk Rhands stem als ijs, hij raasde als de wintervorst. ‘Mijn Aiel zijn op jacht naar hen. Mijn Aiel maken jacht op de Shaido. Bovendien maken zij en Davram Bashere en de meeste Gezellen jacht op bandieten, hoe die zich ook noemen! Ik ben de koning van Illian en ik sta niemand toe de vrede van Illian te verstoren!’

‘Zelfs,’ begon de ander, ‘als uw woorden echt waar zijn...’

‘Dat zijn ze!’ snauwde Rhand. ‘Je hebt tot de middag om te beslissen.’ De man fronste onzeker. Tenzij het opklaarde en de stormwolken verdwenen, kon het weleens moeilijk worden om te weten wanneer het middag was. Rhand bood hem geen uitweg. ‘Neem een verstandig besluit!’ verklaarde hij. Hij liet Tai’daishar keren en gaf de hengst de sporen om terug te gallopperen naar de rotshoogte zonder op de anderen te wachten.

Met tegenzin liet hij saidin los – het voelde aan alsof hij zich met zijn nagels vastklampte om zijn leven te redden – en het leven en de smet stroomden uit hem weg. Heel even zag hij dubbel en leek de wereld duizelingwekkend scheef. Dat was pas sinds kort een probleem. Hij vroeg zich af of het bij de ziekte hoorde die geleiders doodde, maar de duizelingen duurden nooit meer dan enkele tellen. Het was de rest van het loslaten dat hij betreurde. De wereld leek zo saai. Nee, alles vergrauwde daadwerkelijk; het werd op de een of andere manier minder. Kleuren waren bleker en de hemel lager, vergeleken met hoe ze daarvoor waren. Wanhopig graag wilde hij de Bron weer grijpen en er de Ene Kracht aan ontwringen. Zo was het altijd wanneer de Ene Kracht hem verliet.