Выбрать главу

Saidin was echter nauwelijks verdwenen of de razernij kolkte in hem op, witheet en schroeiend, bijna even heet als de Kracht was geweest. Waren de Seanchanen niet genoeg, en struikrovers die zich achter zijn naam verscholen? Hij kon zich geen dodelijke afleidingen veroorloven. Kon Sammael hem zelfs vanuit zijn graf treffen? Had hij de Shaido gezaaid om overal waar Rhand iets aanpakte, als doorns te ontspruiten? Waarom? De man zou nooit zijn uitgegaan van zijn eigen dood. En als maar de helft waar was van de verhalen die Rhand had gehoord, dan waren er ook Aiel in Morland en Altara en het Licht wist waar nog meer. Veel van de Shaido-gevangenen hadden gesproken over een Aes Sedai. Kon de Witte Toren hierbij betrokken zijn? Zou de Witte Toren hem ooit met rust laten? Nooit? Nooit! Zijn blinde woede bevechtend merkte hij niet dat Gregorin en de anderen hem inhaalden. Toen ze boven aan de rotshoogte de wachtende edelen bereikten, trok hij de teugels zo fel aan dat Tai’daishar steigerde en de modder van de hoeven rondspatte. De edelen op hun rijdieren trokken zich terug, weg van zijn hengst, uit zijn buurt, ik heb ze tot vanmiddag de tijd gegeven,’ verkondigde hij. ‘Hou ze in het oog. Ik wil niet dat dit stel in vijftig kleinere benden uiteenvalt en wegglipt. Ik ga naar mijn tent.’ Afgezien van de rondwapperende mantels hadden ze van steen kunnen zijn, in de grond geworteld alsof hij hun had opgedragen het bos hoogst persoonlijk in het oog te houden. Op dat ogenblik kon het hem niet schelen als ze daar bleven tot ze bevroren of smolten.

Zonder verder iets te zeggen draafde hij de achterkant van de rotshoogte af, gevolgd door de twee Asha’man met zwarte jassen en zijn Illiaanse vaandeliers. Vuur en ijs en dood kwamen eraan, maar hij was van staal. Hij was staal.

14

Bericht van de M’hael

Een span ten westen van de rotshoogte begonnen de kampen: mannen en paarden en kookvuren, in de wind wapperende vlaggen en enkele eenzame tenten die in groepjes per natie en per Huis bij elkaar stonden. Elk kampement was een moeras van omgewoelde modder dar door stroken struikheide van andere was gescheiden. Mannen te paard en te voet zagen Rhands banieren voorbijkomen en gluurden naar de andere kampen om te zien hoe die reageerden. Toen de Aiel er nog waren geweest, hadden deze kampementen één uitgestrekt kamp gevormd. Ze waren verenigd door een van de weinige dingen die ze waarlijk gemeen hadden. Zij waren geen Aiel en vreesden hen, hoezeer ze dat ook ontkenden. De wereld zou sterven tenzij hij zou slagen, maar hij beeldde zich niet in dat ze enige trouw jegens hem gemeen hadden of dat ze zelfs wilden geloven dat het lot van de wereld zwaarder woog dan hun eigen zaakjes, hun verlangen naar goud, roem of macht. Misschien was een handjevol hem trouw, een mager handjevol, maar het merendeel volgde hem omdat ze hem meer vreesden dan de Aiel. Wellicht meer dan de Duistere, in wie sommigen niet eens geloofden, tenminste niet tot in hun diepste wezen, niet dat hij de wereld wreder kon en zou raken dan hij reeds had gedaan. Wanneer ze opkeken zagen ze Rhand en daar geloofden ze in. Hij aanvaardde het nu. Er lagen te veel veldslagen voor hem in het verschiet om zich nog inspanningen voor een verloren zaak te getroosten. Zolang ze volgden en gehoorzaamden, moest het volstaan. Het grootste kamp was het zijne. Hier huisden de Illiaanse Gezellen in groene jassen met gele manchetten, naast de Tyreense Verdedigers van de Steen in mantels met lange pofmouwen en zwart-gouden banen, en evenveel Cairhienin, afkomstig van een veertigtal Huizen. De laatsten waren in donkere kledij gestoken, sommigen met een stijve koin boven het hoofd. Ze kookten op verschillende vuren, sliepen op verschillende plekken, legden hun paarden aan verschillende lijnen vast en namen elkaar behoedzaam op. Ze mengden echter wel. De veiligheid van de Herrezen Draak was hun verantwoordelijkheid en ze vatten die taak ernstig op. Ieder van hen zou hem misschien verraden, maar niet wanneer de anderen hen in het oog hielden. Oude haatgevoelens en nieuwe afkeer zouden snode plannen blootleggen voor de verrader alles had kunnen uitdenken. Een kring van staal bewaakte Rhands tent, een enorm spits geval van groene zijde, van boven tot onder geborduurd met bijen in gouddraad. Die was van zijn voorganger Mattin Stepaneos geweest en was zogezegd met de kroon op hem overgegaan. Gezellen met glimmende punthelmen stonden schouder aan schouder met Verdedigers, die helmen met randen en kammen droegen, en met Cairhienin, die klokvormige helmen hadden. Allen negeerden de wind, de spijlen van hun vizieren verborgen hun gezicht en de hellebaarden stonden allemaal in dezelfde hoek. Geen haartje bewoog toen Rhand de teugels aantrok, maar een hele stoet dienaren snelde toe om voor hem en de Asha’man te zorgen. Een broodmagere vrouw in het groengele vest van een stalknecht uit het koninklijk paleis van Illian nam zijn teugels aan, terwijl zijn stijgbeugel werd vastgehouden door een kerel met een kokkerd van een neus in het zwartgouden livrei van de Steen van Tyr. Ze begroetten hem en wierpen slechts een scherpe blik op elkaar. Boreane Carivin, een stevig bleek vrouwtje in een donker gewaad, vol van haar hoge rang, hield hem een zilveren schaal met dampende handdoeken voor. Zij kwam uit Cairhien en hield de andere twee in het oog, maar meer om er zeker van te zijn dat ze hun taken naar behoren uitvoerden dan vanwege de onderlinge afkeer die ze amper verborgen. Maar toch behoedzaam. Wat bij de soldaten zijn nut bewees, werkte bij de bedienden evenzeer. Rhand trok zijn handschoenen uit en wuifde Boreanes dienblad opzij. Hij steeg af en Damer Flin rees op van een fraai bewerkte bank voor de tent. Flin was kaal, op een warrige witte krans haar na, en leek meer een opa dan een Asha’man. Een grootvader met een gelooide huid en een stijf been, die meer van de wereld had gezien dan een boerderij. Het zwaard aan zijn zij leek hem aangeboren, zoals het een voormalig lid van de Andoraanse koninginnegarde betaamde. Rhand vertrouwde hem meer dan de meesten. Per slot van rekening had Flin zijn leven gered.

Flin groette met een vuist tegen zijn hart en nadat Rhand hem had toegeknikt, hinkte hij dichterbij en wachtte tot de stalknechten weg waren voor hij hem aansprak. Hij fluisterde: ‘Torval is hier. Gestuurd door de M’hael, zegt hij. Hij wilde in de raadstent wachten. Ik heb Narishma opgedragen hem te bewaken.’ Dat gebeurde op Rhands bevel, hoewel hij niet goed wist waarom hij het had bevolen; niemand van de Zwarte Toren mocht alleen gelaten worden. Aarzelend betastte Flin de draak op zijn zwarte kraag. ‘Hij was er niet over te spreken dat u ons allen hebt verheven.’

‘Was hij dat niet? Zo, zo,’ zei Rhand zachtjes en stak zijn handschoenen achter zijn zwaardgordel. En omdat Flin nog steeds weifelend keek voegde hij eraan toe: ‘Jullie hebben het allemaal verdiend.’ Hij was van plan geweest een Asha’man naar Taim te sturen – de leider, de M’hael, zoals alle Asha: man hem noemden — maar nu kon Torval als boodschapper dienen. In de raadstent? ‘Laat verfrissingen sturen,’ droeg hij Flin op, en hij wenkte Hopwil en Dashiva hem te volgen.

Flin groette opnieuw, maar Rhand beende al verder en de zwarte modder zompte onder zijn laarzen. De wind gierde en niemand rond de tent hief een gejuich aan. Hij kon zich nog herinneren dat het wel was gebeurd. Tenzij het zo’n herinnering van Lews Therin Telamon was. Als Lews Therin tenminste écht was geweest. Een flits van kleur net buiten zijn blikveld, het gevoel dat iemand hem van achteren bijna aanraakte. Met moeite richtte hij zich op de dingen om hem heen. De raadstent was een groot rood-wit gestreept paviljoen dat vroeger op de Vlakte van Maredo had gestaan en nu was opgetrokken in het midden van Rhands kampement, omringd door zo’n dertig pas kale grond. Hier stonden nooit wachten, tenzij Rhand er met de edelen vergaderde. Iedereen die er binnen wilde sluipen, zou ogenblikkelijk door zo’n duizend waakzame ogen worden gezien. Drie banieren aan hoge palen vormden een driehoek rond de tent – de Rijzende Zon van Cairhien, de Drie Maansikkels van Tyr en de Gouden Bijen van Illian – en boven het vuurrode tentdak wapperden hoger dan de andere de Drakenbanier en de Banier van het Licht. De wind zorgde dat ze breed uitwaaiden, rimpelend en klappend. De tentwanden huiverden in de windvlagen. Binnen was de grond bedekt met kleurrijke, van franje voorziene tapijten. Het enige meubelstuk was een enorme tafel, vol houtsnijwerk en verguldsel, en ingelegd met ivoor en turkoois. Een grote stapel kaarten verborg het tafelblad bijna geheel.