Выбрать главу

Torval keek op van de kaarten, blijkbaar van zins om degene die kwam binnenvallen de huid vol te schelden. Hij was bijna van middelbare leeftijd en langer dan ieder ander, afgezien van Rhand en de Aiel. Hij keek verwaand op iedereen neer langs een scherpe neus die bijna trilde van verontwaardiging. De draak en het zwaard glinsterden op zijn kraag in het licht van de staande lampen. Hij droeg een zijden jas, glanzend zwart, maar mooi genoeg voor een heer. Zijn zwaard was ingelegd met zilver en beslagen met goud, en een glinsterende rode edelsteen rooide het gevest. Een andere edelsteen glom donker aan zijn ringvinger. Je kon mannen niet oefenen om wapens te worden zonder een zekere aanmatiging te verwachten, maar Rhand mocht Torval niet. Aan de andere kant had hij Lews Therins stem niet nodig om achterdocht te koesteren tegen elke man in het zwart. In hoeverre vertrouwde hij Flin werkelijk? Niettemin moest hij hen leiden. De Asha’man waren zijn idee en zijn verantwoordelijkheid. Toen Torval Rhand zag, richtte hij zich ontspannen op en groette, maar zijn gezicht veranderde amper. Al bij hun eerste ontmoeting was Rhand de neerbuigende trek rond Torvals lippen opgevallen. ‘Mijn heer Draak,’ zei hij met een Tarabonse tongval en het leek of hij een gelijke begroette. Of minzaam deed tegen een mindere. Zijn pralende buiging omvatte eveneens Hopwil en Dashiva. ‘Mijn gelukwensen met de verovering van Illian. Een grootse zege, nietwaar? Er had wijn moeten zijn voor een begroeting maar deze jonge... Toegewijde... lijkt bevelen niet te begrijpen.’

In de hoek maakten de zilveren belletjes aan donkere vlechten tinkelende geluidjes toen Narishma zich bewoog. Hij was in de zuidelijke zon gebruind, maar niet alles aan hem was veranderd. Hij was ouder dan Rhand maar zijn gezicht deed hem jonger lijken dan Hopwil. Het rood dat nu zijn wangen kleurde was echter boosheid, geen verlegenheid. Hij was in stilte zeer trots op het zwaard op zijn kraag. Torval schonk hem een langzame glimlach, zowel vermaakt als dreigend. Dashiva lachte, kort en blaffend, en zweeg weer. ‘Wat kom je doen, Torval?’ vroeg Rhand grof. Hij gooide de drakenstaf en zijn handschoenen op de kaarten en liet ze volgen door zijn gordel en zwaardschede. Deze kaarten hoefde Torval niet te bestuderen. Lews Therins stem was overbodig.

Schouder ophalend haalde Torval een brief uit zijn jaszak en overhandigde die aan Rhand. ‘De M’hael stuurt u dit.’ Het papier was sneeuwwit en dik, verzegeld met een draak in een grote ovaal van blauwe was die glinsterde met gouden vonkjes. Je zou bijna denken dat de brief van de Flerrezen Draak zelf kwam. Taim had een hoge dunk van zichzelf. ‘De M’hael zei dat ik u moest vertellen dat de verhalen over Aes Sedai met een leger in Morland waar zijn. Het gerucht gaat dat ze opstandelingen tegen Tar Valon zijn’ – Torvals sneer werd van ongeloof nog spottender – ‘maar ze trekken op naar de Zwarte Toren. Zo zullen ze weldra een gevaar vormen, nietwaar?’ Rhand verkruimelde het prachtige zegel tussen zijn vingers. ‘Ze trekken op naar Caemlin, niet de Zwarte Toren, en ze vormen geen bedreiging. Mijn bevelen waren duidelijk. Laat de Aes Sedai met rust tenzij ze achter je aan komen.’

‘Maar hoe kunt u er zo zeker van zijn dat ze geen bedreiging vormen?’ hield Torval vol. ‘Misschien gaan ze inderdaad naar Caemlin, maar als u ongelijk hebt, zullen we dat pas weten als ze ons aanvallen.’

‘Torval kan gelijk hebben,’ bracht Dashiva nadenkend naar voren, ik kan niet zeggen dat ik vrouwen zou vertrouwen die me in een kist stoppen, en deze hebben geen eden gezworen. Of wel soms?’ ik zei dat we ze met rust laten!’ Rhand gaf een klap op de tafel en Hopwil schoot verrast overeind. Dashiva fronste geërgerd voor hij dat haastig onderdrukte en weer gelijkmoedig rondkeek, maar Rhand had geen belangstelling voor Dashiva’s buien. Toevallig – hij wist zeker dat het toeval was – had zijn hand de drakenstaf geraakt. Zijn arm trilde van verlangen om die op te pakken en Torval ermee overhoop te steken. Daar had hij Lews Therin zeer zeker niet voor nodig. ‘De Asha’man zijn een wapen dat op een door mij bepaald doel wordt gericht. Ze moeten niet als kippen zonder kop rondrennen zodra Taim bang wordt voor een handjevol Aes Sedai die in dezelfde herberg gaan eten. Als dat nodig is, kom ik zelf mee terug om dat duidelijk te maken.’

‘Ik weet zeker dat zoiets niet nodig is,’ zei Torval snel. Eindelijk was er iets gebeurd dat de wrange sneer van zijn lippen had verwijderd. Met de ogen scherp op hem gericht stak hij beide handen op, bijna beschroomd, zowat verontschuldigend. En zichtbaar bevreesd. ‘De M’hael wilde enkel dat u op de hoogte werd gebracht. Uw bevelen worden elke morgen tijdens de Ochtendbevelen na de Belijdenis opgelezen.’

‘Nou, dat is maar goed ook.’ Rhand hield zijn toon koel en kon met moeite een grimas onderdrukken. De man was bang geweest voor zijn dierbare M’hael, niet voor de Herrezen Draak. Bang dat Taim het hem zou verwijten als zijn woorden Rhands boosheid op Taim zouden richten. ‘Omdat ik ieder van jullie die in de buurt van die vrouwen in Morland komt, zal doden. Jullie slaan alleen toe waar ik je stuur!’

Torval mompelde met een strakke buiging: ‘Zoals u zegt, mijn heer Draak.’ Zijn tanden werden zichtbaar door zijn poging tot een glimlach, maar zijn neus was opgetrokken en hij ontweek met veel moeite de ogen van de anderen, terwijl hij de indruk wekte dat niet te doen. Dashiva barstte opnieuw in een korte lach uit en Hopwil vertoonde een kleine grijns.

Narishma genoot echter niet van Torvals verontrusting en besteedde er geen aandacht aan. Hij keek Rhand aan zonder met zijn ogen te knipperen, alsof hij diepe stromingen aanvoelde die de anderen ontgingen. De meeste vrouwen en heel wat mannen vonden hem slechts een knappe jongen, maar zijn al te grote ogen leken soms meer te weten dan ieder ander.

Rhand trok zijn hand van de drakenstaf en streek de brief glad. Zijn handen trilden nog net niet. Torval glimlachte zwakjes en zuur, en merkte niets. Bij de wand van de tent ontspande Narishma zich. De verfrissingen werden achter Boreane binnengebracht door een plechtige stoet, bestaande uit een rij Illiaanse, Cairhiense en Tyreense bedienden in hun verschillende livreien. Er was een dienaar die een zilveren blad droeg met een kan voor elke soort wijn, en twee met bladen vol zilveren pullen voor de hete vruchtenwijn en voor kruidenwijn en met bokalen van prachtig geblazen glas voor de andere dranken. Een man met een roze gezicht in een groengeel livrei droeg een blad waarop werd ingeschonken en er was zelfs een donkere vrouw in zwart-goud die zich alleen met inschenken bezighield. Er waren noten en gesuikerde vruchten, kaas en olijven, elk met een eigen dienaar of dienares. Onder Boreanes leiding stroomden ze in een vormelijke dans naar binnen, buigend, knixend en voor elkaar uitwijkend, alsof ze een offergave aanboden.

Rhand koos kruidenwijn en zette zich op de rand van de tafel. De dampende pul bleef onaangeraakt naast hem staan terwijl hij zich in de brief verdiepte. Er was geen aanhef, geen inleiding, niets. Taim had er een hekel aan Rhand met een titel aan te spreken, al probeerde hij dat te verbloemen.

Ik heb de eer u door te geven dat er nu negenentwintig Asha’man, zevenennegentig toegewijden en driehonderdtweeëntwintig soldaten in de Zwarte Toren staan ingeschreven. Er is helaas een handvol weglopers geweest, waarvan de namen van de rol zijn geschrapt, maar de verliezen tijdens de oefeningen blijven binnen aanvaardbare grenzen.