Ik heb nu op elk willekeurig ogenblik zo’n vijftig zoekgroepen te velde, wat tot gevolg heeft dat bijna elke dag zo’n drie of vier mannen aan de rol worden toegevoegd. Over enkele maanden zal, zoals ik had voorspeld, de Zwarte Toren de Witte evenaren. Binnen een jaar zal Tar Valon beven voor onze aantallen. Ik heb die zwartbesstruik zelf geplukt. Een klein en doornig struikje, maar met verrassend veel bessen.
Rhand grimaste en zette de... zwartbesstruik... uit zijn gedachten. Wat gedaan moest worden, diende gedaan te worden. De hele wereld betaalde een prijs voor zijn bestaan. Hij zou ervoor sterven, maar de hele wereld betaalde.
Er waren trouwens meer zaken die zijn gezicht deden betrekken. Drie of vier nieuwelingen per dag? Taim zag het te zonnig in. Als het zo snel ging, zouden er binnen enkele maanden inderdaad meer geleiders dan Aes Sedai zijn, maar zelfs de jongste zuster had jaren van oefening achter de rug. En een deel van die lessen was gericht op het aanpakken van een geleider. Hij wilde niet stilstaan bij een ontmoeting tussen Asha’man en Aes Sedai die wisten wat ze tegenover zich hadden. Bloed en droefenis zouden het enige resultaat zijn, wat er verder ook zou gebeuren. De Asha’man waren geen wapen tegen de Witte Toren, wat Taim ook mocht denken. Maar als mensen dat geloofden, zou Tar Valon in elk geval wat behoedzamer optreden. Asha’man hoefden slechts te weten hoe ze moesten doden. Als er genoeg waren om dat op de juiste plek en het juiste ogenblik te doen, als zij zo lang in leven bleven, deden ze waarvoor ze in het leven waren geroepen.
‘Hoeveel weglopers, Torval?’ vroeg hij kalm. Hij pakte de beker op en nam een slok, alsof het antwoord onbelangrijk was. De wijn had hem warmer moeten maken, maar de gember, zurkel en foelie smaakten bitter op zijn tong. ‘Hoeveel verliezen tijdens de oefeningen?’ Torval was door de verversingen weer tot zichzelf gekomen, wreef zich in de handen en trok een wenkbrauw op over de keus aan wijnen. Hij speelde met veel vertoon dat hij wist welke de beste was en voerde opnieuw een hele voorstelling op bij het keuren. Dashiva had de eerste de beste aangepakt en stond met laaiende ogen in zijn bokaal te kijken alsof er slijm in zat. Torval wees naar een dienblad en hield zijn hoofd nadenkend schuin, maar hij had de woorden al tot zijn beschikking. ‘Tot op heden negentien weglopers. De M’hael heeft bevolen hen te doden wanneer ze worden gevonden. Hun hoofden dienen te worden teruggebracht, als voorbeeld.’ Hij pikte een stukje gesuikerde peer van het aangeboden dienblad, gooide het in z’n mond en glimlachte breed. ‘Op dit ogenblik hangen er drie hoofden als vruchten aan de Verradersboom.’
‘Goed,’ antwoordde Rhand effen. Mannen die er nu vandoor gingen, zouden op een later tijdstip ook de benen nemen, terwijl er dan levens van afhingen. En er kon niet worden toegestaan dat deze mannen hun eigen weg gingen. Die kerels daarginds in de heuvels, zelfs als ze heelhuids wegkwamen, waren minder gevaarlijk dan een man die geoefend was in de Zwarte Toren. Verradersboom? Die Taim was wel goed in het vinden van namen. Maar mannen hadden vertoon, tekens en namen, zwarte jassen en speldjes nodig. Het hielp ze zich één te voelen. Tot de tijd van hun dood. ‘Bij mijn volgende bezoek aan de Zwarte Toren wil ik elke wegloperskop zien.’ Een tweede stukje gesuikerde peer viel op weg naar Torvals mond en maakte een streep op de voorkant van zijn mooie jas. ‘Het zou het werven kunnen bemoeilijken als u zo’n grote inspanning eist,’ zei hij langzaam. ‘Die weglopers roepen niet van de daken wat ze zijn.’ Rhand keek de ander strak aan tot die zijn ogen neersloeg. ‘Hoeveel verliezen tijdens de oefeningen?’ wilde hij streng weten. De Asha’man met de scherpe neus aarzelde. ‘Hoeveel?’ Narishma boog zich naar voren en staarde Torval strak aan. Evenals Hopwil. De dienaren gingen door met hun soepele, stille dans en hielden de mannen schalen voor die ze niet meer zagen. Boreane maakte van deze afleiding gebruik om te zorgen dat Narishma’s zilveren beker meer heet water dan kruidenwijn bevatte. Torval trok al te ontspannen zijn schouders op. ‘Eenenvijftig alles bij elkaar. Dertien opgebrand, en twintig vielen opeens dood neer. De anderen... De M’hael doet iets in hun wijn en ze worden niet meer wakker.’ Opeens klonk zijn stem kwaadaardig. ‘Het kan onverwachts komen, elke dag, elk ogenblik. Er was een man die op zijn tweede dag begon te krijsen dat er spinnen onder zijn huid rondkropen.’ Hij glimlachte venijnig naar Narishma en Hopwil en deed bijna hetzelfde naar Rhand. Hij richtte zich echter tot de andere twee en keek hen beurtelings fel aan. ‘Begrijp je? Maak je geen zorgen dat je tot krankzinnigheid vervalt. Je zult jezelf en anderen geen kwaad doen. Je valt in slaap... Voor altijd. Barmhartiger dan stillen, ook al weten we niet hoe dat moet. Vriendelijker dan je gek te laten én af te snijden. Ja toch?’ Narishma keek strak terug, zo gespannen als een harpsnaar, met zijn pul vergeten in de hand. Opnieuw stond Hopwil naar iets te staren wat alleen hij kon zien.
‘Barmhartiger,’ zei Rhand vlak, en hij plaatste de beker weer naast hem op tafel. Iets in de wijn. Mijn ziel is zwart van bloed en verdoemd. Het was geen harde gedachte, niet bijtend of snijdend, een simpele vaststelling van een feit. ‘Een genade waar elke man naar zou kunnen verlangen, Torval.’
Torvals wrede glimlach vervloog en hij stond te hijgen. De rekensommetjes waren eenvoudig. Een op de tien ging ten onder, een op de vijftig werd gek en er zouden er zeker nog meer komen. Dit was nog maar het begin en je kwam er niet achter of je eraan had kunnen ontsnappen, tot de dag dat je stierf. Maar uiteindelijk zou je verslagen worden: dood of waanzin. Wat je verder ook kon denken: Torval liep evenzeer gevaar.
Opeens viel Rhands oog op Boreane. Het duurde even voor hij de uitdrukking op haar gezicht herkende, maar toen kon hij met moeite de kille woorden inslikken. Hoe durfde ze! Medelijden! Meende ze echt dat Tarmon Gai’don zonder bloedvergieten gewonnen kon worden? De Voorspellingen van de Draak eisten dat het bloed zou regenen!
‘Laat ons alleen,’ beval hij en ze verzamelde kalm de bedienden. Maar bij haar vertrek stond in haar ogen nog steeds medelijden te lezen. Rhand keek rond op zoek naar iets om de stemming te verbeteren maar vond niets. Medelijden verzwakte je evenzeer als vrees en ze moesten sterk zijn. Ze dienden van staal te zijn om aan te kunnen waar zij mee te maken zouden krijgen. Zijn werk, zijn verantwoordelijkheid.
Narishma leek verloren in zijn eigen gedachten, turend in de damp die van zijn wijn opsteeg. Hopwil probeerde nog steeds door de zijwand van de tent heen te kijken. Torval keek Rhand zijdelings aan en deed moeite om de snerende glimlach weer op zijn gezicht te krijgen. Alleen Dashiva leek onberoerd. Met over elkaar geslagen armen nam hij Torval op als een man die een paard op de veemarkt bekijkt.
Deze pijnlijk lange stilte werd verbroken door het binnenvallen van een potige, door de wind verwaaide jongeman in het zwart die het zwaard en de draak op zijn kraag droeg. Hij was van dezelfde leeftijd als Hopwil, nog niet zo oud dat hij in de meeste landen zou mogen trouwen. Fedwin Mor werd meer gekenmerkt door zijn gespannenheid dan door zijn kleren. Hij bewoog zich op zijn tenen en zijn ogen deden denken aan een jagende kat die zich op zijn beurt prooi voelde. Vroeger was hij anders geweest, nog niet eens zo lang geleden. ‘De Seanchanen zullen weldra vanuit Ebo Dar optrekken,’ zei hij groetend. ‘Ze zijn van plan hierna Illian aan te pakken.’ Hopwil schrok op uit zijn duistere gedachten. Wederom reageerde Dashiva slechts met een lach, ditmaal vreugdeloos.
Rhand knikte en pakte de drakenstaf op. Per slot van rekening had hij die als herinnering bij zich. De Seanchanen dansten op hun eigen wijs, niet op het lied dat hij graag zou horen. Rhand ontving dit bericht in stilte, maar Torval bepaald niet. Hij had zijn gewone spot hervonden en trok minachtend een wenkbrauw op. ‘Zo, en dat hebben ze jou zomaar gezegd?’ vroeg hij spottend. ‘Of heb je gedachten leren lezen? Laat me jou eens iets vertellen, jongen. Ik heb zowel Amadiciërs als Domani bevochten en geen enkel leger neemt een stad in om vervolgens meteen weer zo’n duizend span op stap te gaan! Meer dan duizend span! Of denk je dat ze kunnen Reizen?’